1.1 Het wereldvoedselvraagstuk
Bijna 800 miljoen mensen lijden aan ondervoeding. Door schaalvergroting, mechanisering, irrigatie, kruising en selectie
van gewassen, kunstmest, bestrijdingsmiddelen, krachtvoer en antibiotica is de voedselproductie toegenomen. Daardoor
nam de productiviteit in de landbouw en veeteelt ook toe.
Volgens de Food and Agriculture Organization of the United Nations is er voedselzekerheid als iedereen op elk
moment fysiek en economisch toegang heeft tot voldoende geschikt voedsel. De voorraden moeten groot genoeg en
stabiel zijn om tekorten in slechte tijden te voorkomen. Fysieke toegang tot voedsel kan geblokkeerd worden door oorlog,
slechte infrastructuur of een droog klimaat. Economische toegang is nog voor een veel grotere groep weggelegd.
Bij voldoende voedsel gaat het om deze aspecten:
- Het moet genoeg energie leveren. Vrouwen hebben 2000 kcal nodig en mannen 2500 kcal.
- Het moet voldoende voedingsstoffen bevatten. Voedingsstoffen zoals koolhydraten, eiwitten, vitaminen,
mineralen en vetten zijn nodig voor de opbouw en reparatie van het lichaam, energievoorziening en de
stofwisseling.
- De voedselveiligheid moet goed zijn. Bedreigingen voor de veiligheid zijn te veel bestrijdingsmiddelen of
gebrekkige hygiëne bij de bereiding.
- Het moet aansluiten bij de culturele voorkeuren. Religie en cultuur spelen daarin een belangrijke rol.
1 op de 9 mensen krijgt te weinig energie binnen om productief en gezond te blijven. Zij lijden aan kwantitatieve honger.
Van deze 800 miljoen mensen leeft 98% in ontwikkelingslanden zoals Afrika en Zuidoost-Azië. De gevolgen zijn ziektes,
groei- en ontwikkelingsachterstanden, lage onderwijsdeelname en lagere lonen. Jaarlijks sterven 3 miljoen kinderen
onder de 5 jaar aan kwantitatieve honger.
Er is sprake van kwalitatieve honger als het geconsumeerde voedsel te weinig voedingsstoffen bezit. De helft van de
kinderen tussen 6-24 maanden heeft een ijzertekort, wat hun hersenontwikkeling beïnvloedt. 780 miljoen mensen hebben
een jodiumtekort, wat verstandelijke handicaps en hersenschade kan veroorzaken. In rijke landen komt ondervoeding
voor door te weinig groenten en fruit.
Tussen 1990 en 2015 is het aandeel van de bevolking dat aan honger lijdt al gehalveerd. Toch is het
wereldvoedselvraagstuk nog niet opgelost omdat de wereldbevolking tot 2050 toeneemt tot 9 miljard mensen met meer
welvaart en dus ook meer consumptie
Schaalvergroting: Toename van bedrijfsgrootte, zodat efficiënter geproduceerd kan worden en een hogere productiviteit
bereikt kan worden.
Productiviteit: De hoeveelheid die door een eenheid geproduceerd wordt.
Food and Agriculture Organization of the United Nations: Voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties,
in 1945 opgericht om bij te dragen aan de voedselzekerheid in de wereld.
Voedselzekerheid: Situatie waarbij iedereen op elk moment zowel fysiek als economisch toegang heeft tot voldoende
voedsel dat genoeg energie levert, voldoende voedingsstoffen bevat, veilig is en dat aansluit bij de culturele voorkeuren.
Voedselveiligheid: Mate waarin voedsel veilig is voor menselijke consumptie
Kwantitatieve honger: Situatie waarbij mensen te weinig energie binnenkrijgen (minder dan 1800 kcal per dag) om
productief en gezond te blijven.
Kwalitatieve honger: Situatie waarbij mensen te weinig voedingsstoffen binnenkrijgen om productief en gezond te
blijven.
Wereldvoedselvraagstuk: De vraag hoe we iedereen op aarde op een duurzame manier van voldoende voedsel van
goede kwaliteit kunnen voorzien.
notities opdrachten:
- door schaalvergroting is er meer winst en kan de boer meer investeringen doen en het vergroot natuurlijk de
opbrengst
- dankzij productiviteitsverhoging in de landbouw is de werkgelegenheid daar sterk afgenomen. In de periferie is dit
niet het geval, doordat boeren niet het kapitaal hebben om te investeren in productiviteitsverhoging
- arme mensen hebben slechtere economische toegang tot voedsel. Door armoede is de voedselvoorziening ook
slechter en is de fysieke toegang tot voedsel dus ook slechter
- arme landarbeiders lijden vaak aan kwantitatieve honger doordat zij er niet genoeg geld voor hebben en doordat
zij door hun lichamelijke inspanning meer energie verbruiken
, - iets doen aan kwalitatieve honger is moeilijker doordat een uitgebreider voedselpatroon aannemen veel duurder
is en mensen niet altijd een ander eetpatroon willen aannemen.
- door welvaartstoename en bevolkingsgroei groeit de vraag naar voedsel
1.2 De economische wereldorde
Europese kolonisators gebruikten hun koloniën voor mijnbouwproducten en agrarische producten. De beste gronden
werden als plantages gebruikt en de bevolking werd verdreven naar slechtere grond. Vanaf de industriële revolutie
leverden de koloniën grondstoffen aan het westen, die er industrieproducten van maakten. Een internationale
taakverdeling was ontstaan. De moederlanden in het Westen werden het centrum van de wereld. Het koloniale verleden
heeft sporen gehad op de voedselproductie in de periferie. Op de plantages vindt vooral exportgeoriënteerde landbouw
plaats, wat schadelijk is voor de binnenlandse voedselproductie. Die plantages liggen in handen van grote bezitters.
Omdat de winst niet in onderwijs en gezondheidszorg wordt gestoken, kunnen de landen zich moeilijk ontwikkelen.
Door economische globalisering zijn er grote transportstromen van handelsgewassen zoals voedselgewassen.
Doordat sommige gewassen alleen in specifieke klimaten groeien, zijn er tussen verschillende regio’s in de wereld
handelsstromen ontstaan. Lange tijd werden die stromen beperkt door transportkosten. Doordat die kosten af zijn
genomen, kunnen landen beter gebruik maken van hun comparatieve voordelen. Deze omstandigheden zijn het
klimaat, de aanwezige kennis, het loonpeil en de kwaliteit van de infrastructuur. Door de comparatieve voordelen is
regionale specialisatie ontstaan. Prijzen voor landbouwproducten schommelen en soms mislukt de oogst. Prijzen voor
agrarische producten zijn ook lager dan van industrieproducten, waardoor perifere landen weinig kapitaal op kunnen
bouwen. Door regionale specialisatie komt de nadruk nog meer te liggen op handelsgewassen voor de export. We
spreken van een geglobaliseerde landbouw. Mno’s spelen een belangrijke rol: zij maken strategische keuzes over
productielocaties en afzetmarkten. Door hun machtspositie bepalen zij ook vaak de prijzen. Perifere landen ontvangen
lage prijzen, terwijl de consumenten wel hoge prijzen betalen voor het eindproduct.
Omdat voedsel een basisbehoefte is, zijn landen bang om de agrarische sector aan de vrije markt over te laten. Hierdoor
is een handelspolitiek ontstaan die gebaseerd is op het protectionisme. Landen nemen de binnenlandse
voedselproductie en inkomens van boeren in bescherming. Hiervoor worden importheffingen en landbouwsubsidies
ingezet. Vroeger was er een systeem van gegarandeerde minimumprijzen en exportsubsidies, maar dat leidde tot grote
overschotten en veel protest. Tegenwoordig bestaan de EU-subsidies uit een basisbedrag, premies als aan bepaalde
productievoorwaarden wordt voldaan, garantstellingen voor bedrijfsleningen en tegemoetkoming in onkosten. Ondanks
de beschermingsmaatregelen zijn de winstmarges in de landbouw klein. Daardoor produceren boeren in centrumlanden
vaak te veel. Dat leidt tot veel goedkope producten op de markt en er is sprake van dumping. Voor de periferie betekent
dit goedkope import. Dat is goed voor de voedselvoorziening, maar slecht voor de binnenlandse voedselproductie, omdat
de lokale boeren niet met die goedkope import kunnen concurreren. Bij stijgende prijzen ontstaan in die landen
voedseltekorten.
Exportgeoriënteerde landbouw: Commerciële landbouw gericht op export
Handelsgewassen: Agrarische producten die verbouwd worden om te verhandelen. Naast voedselgewassen zijn dat
landbouwproducten waar genotmiddelen van gemaakt worden en gewassen die niet als voedsel dienen.
Voedselgewassen: Agrarische producten die verbouwd worden om als voedsel voor mensen te dienen
Comparatieve voordelen: Omstandigheden die ervoor zorgen dat een gebied vergeleken met andere gebieden een
product of dienst beter en goedkoper kan leveren.
Regionale specialisatie: Het verschijnsel dat gebieden zich concentreren op de productie van goederen en/of de
levering van diensten waarvoor de meeste comparatieve voordelen gelden
Geglobaliseerde landbouw: Landbouw die onderdeel uitmaakt van een wereldwijd netwerk waarin gewassen
geproduceerd, verwerkt, gedistribueerd en verkocht worden.
Handelspolitiek: Het beleid van landen en handelsblokken ten aanzien van de internationale handel.
Protectionisme: Economisch stelsel dat gericht is op beschermende maatregelen, zoals importheffingen en
landbouwsubsidies.
Importheffingen: Belastingen op goederen die ingevoerd worden (invoerrechten).
Landbouwsubsidies: Geldelijke steun aan boeren om het inkomen aan te vullen.
Dumping: Het verkopen van goederen tegen extreem lage prijzen, vaak onder de kostprijs.
geglobaliseerde landbouw doordat door regionale specialisatie de nadruk nog meer komt te liggen op handelsgewassen
voor de export