Inleiding tot de rechtswetenschappen -
deeltoets A
Door Emilie Glazemakers s1152924
,Hoorcollege’s
Week 1 “Recht als systeem van prescriptieve regels”
I. Descriptieve & normatieve algemene regels
II. Scheiding recht, moraal en godsdienst
III. De rechtsbronnen
IV. Natuurrecht
Descriptieve & normatieve algemene regels
I. Descriptieve regels
Algemene, beschrijvende regels van de feitelijke werkelijkheid. Zoals: water kookt op
100 graden. Het is een bewering, die je kan controleren of die waar is. Ofwel, een
bewering waarbij empirisch onderzoek van toepassing kan zijn. Het recht houdt zich
hiermee bezig, maar houdt zich bezig met hoe iets behoort te zijn. Juristen horen
zich niet bezig met descriptieve regels, maar met prescriptieve/normatieve regels
(engels: prescribe: schrijven voor hoe men zich behoort te gedragen). Dit is een
verschil met allerlei anders kennisgebieden, zoals dierenarts.
- normatieve/prescptieve regels
Je kan hierbij onderscheid maken tussen normen en waarden (bijv: rechtszekerheid).
Er zijn andere kennsigebieden die zich bezighouden met normen en waarden:
- Godsdienst
- Moraal (hoe worden wij een goed mens?)
- Fatsoenregels (wat is gepast gedrag?)
- Rechtsregels (wanneer rechtszekerheid)
Rechtsregels hebben een erg groot verschil met de andere gebieden, het
wordt opgelegd op iedereen, overal. Let op, ook overal.
II. Scheiding recht <> moraal en godsdienst, geeft ons voordelen
1. Biedt ons vrijheid van godsdienst, ‘ik geloof niet in God, ik vind het
flauwekul’
2. Rechtszekerheid, ofwel de rechter die zich niet bezig houdt met zijn
eigen morele gevoelens over de zaak
3. Duidelijke verander procedures, biedt rechtszekerheid
III. Rechtsbronnen, een normatieve regel is pas geldend als die uit een van de
rechtsbronnen komt:
1. Gewoontercht (& rechtsbeginselen1), nadeel: biedt geem rechtszekerheid, het is
onduidelijk.
Mits deze voldoen aan de 2 eisen:
- Het is een gewoonte
- Men neemt het aan alsof het een wet is
2. Wet
3. Verdrag
4. Jurisprudentie
1
Waarden van het recht, waaruit rechter normen uitleiden. Zoals rechtsgelijkheid en proportioneel
(onredelijk om iemand te doden voor teveel geluid te maken).
, Kritiek: de hoogste rechter verzint wet, dit is niet trias politica-achtig en niet
democratisch. Het moet echter wel, omdat de wet niet alles kan illustreren.
IV. natuurrecht <> positief recht
Wet + Verdrag + Gewoonterecht + Jurisprudentie = het positieve recht (door de mens
gestelde regels).
Natuurrecht = een regel is geldig van nature.
Sommige juristen zeggen dat he tpositieve recht moet worden aangevuld met het
natuurrecht, bijv: de nazi’s die jurisch die joden mochten mishandelen. Het kritiek hiervan is
dat het super onduidelijk is. Tegenovergetsteld zijn de rechtpositivstien, zijn mensen die
excluief geloven in het positieve recht.
Week 2 “de democratische rechtsstaat”
De algemene (nulde) bepaling Grondwet: de Grondwet waarborgt de grondrechten en de
democratische rechtsstaat.
I. Democratie: de bevolking heeft minstens enige zeggenschappenschap over het
landsbestuur. Er zijn verschillende soorten:
- directe democratie: referendum (teveel mensen voor in persoon), stemmen in een
stemhokje over een wet. Dit hebben we niet, ookal willen sommige mensen dit
- indirecte democratie: de rechtstreeks democratisch gekozen
volksvertegenwoordiging bepaalt over wetten. We kiezen de Staten-Generaal
(Wetgevende macht). De Staten-Generaal/Parlement bestaat uit de Eerste en
Tweede Kamer:
- Eerste kamer: onrechtstreekt door de burgers gekozen. Worden gekozen
door de leden van de Provinciale Staten, die wel rechtstreek door ons zijn
gekozen.
- Tweede Kamer: rechtstreeks door ons gekozen.
De uitvoerende macht is dubbel indirecht democratisch. In Nederland hebben we een
parlementair stelsel, die berust op de parlementaire vertrouwensregel2. Dit kan
blijken uit een motie van wantrouwen (met een meerderheidspartij). Hierdoor geldt
voor alle minsters dat ze alle een zeker mate van vertrouwen van de
Staten-Generaal, wat het extra democratisch maakt. Er is ook een presidentieel
stelsel (in de VS).
II. Rechtsstaat: de burger is beschermd tegen de potentiele willekeur van de overheid,
omdat de overheid is gebonden aan het recht. Er zijn vijf mechanismen hiervoor:
1. Bevoegdheidsspreiding <> absolutime. Er zijn 3 vormen voor deze
bevoegdheidsspreiding:
- Trias politica
- Checks & balances, twee staatsmachten delen een bevoegdheid (balances),
of de ene controleert de ander (Chekcs).
- Decentralisatie
2. Onafhankelijke rechter
2
Als blijkt dat een minister of staatssecretaris het vertrouwen van een van de Kamers van de
Staten-Gernaal heeft verloren, dient deze zijn ontslag aan de Koning (Regering) aan te bieden. Als
blijkt dat alle minsters (het hele kabinet) het vertrouwen hebben verloren van de Staten-Generaal, dan
moet het hele kabinet opstappen.
deeltoets A
Door Emilie Glazemakers s1152924
,Hoorcollege’s
Week 1 “Recht als systeem van prescriptieve regels”
I. Descriptieve & normatieve algemene regels
II. Scheiding recht, moraal en godsdienst
III. De rechtsbronnen
IV. Natuurrecht
Descriptieve & normatieve algemene regels
I. Descriptieve regels
Algemene, beschrijvende regels van de feitelijke werkelijkheid. Zoals: water kookt op
100 graden. Het is een bewering, die je kan controleren of die waar is. Ofwel, een
bewering waarbij empirisch onderzoek van toepassing kan zijn. Het recht houdt zich
hiermee bezig, maar houdt zich bezig met hoe iets behoort te zijn. Juristen horen
zich niet bezig met descriptieve regels, maar met prescriptieve/normatieve regels
(engels: prescribe: schrijven voor hoe men zich behoort te gedragen). Dit is een
verschil met allerlei anders kennisgebieden, zoals dierenarts.
- normatieve/prescptieve regels
Je kan hierbij onderscheid maken tussen normen en waarden (bijv: rechtszekerheid).
Er zijn andere kennsigebieden die zich bezighouden met normen en waarden:
- Godsdienst
- Moraal (hoe worden wij een goed mens?)
- Fatsoenregels (wat is gepast gedrag?)
- Rechtsregels (wanneer rechtszekerheid)
Rechtsregels hebben een erg groot verschil met de andere gebieden, het
wordt opgelegd op iedereen, overal. Let op, ook overal.
II. Scheiding recht <> moraal en godsdienst, geeft ons voordelen
1. Biedt ons vrijheid van godsdienst, ‘ik geloof niet in God, ik vind het
flauwekul’
2. Rechtszekerheid, ofwel de rechter die zich niet bezig houdt met zijn
eigen morele gevoelens over de zaak
3. Duidelijke verander procedures, biedt rechtszekerheid
III. Rechtsbronnen, een normatieve regel is pas geldend als die uit een van de
rechtsbronnen komt:
1. Gewoontercht (& rechtsbeginselen1), nadeel: biedt geem rechtszekerheid, het is
onduidelijk.
Mits deze voldoen aan de 2 eisen:
- Het is een gewoonte
- Men neemt het aan alsof het een wet is
2. Wet
3. Verdrag
4. Jurisprudentie
1
Waarden van het recht, waaruit rechter normen uitleiden. Zoals rechtsgelijkheid en proportioneel
(onredelijk om iemand te doden voor teveel geluid te maken).
, Kritiek: de hoogste rechter verzint wet, dit is niet trias politica-achtig en niet
democratisch. Het moet echter wel, omdat de wet niet alles kan illustreren.
IV. natuurrecht <> positief recht
Wet + Verdrag + Gewoonterecht + Jurisprudentie = het positieve recht (door de mens
gestelde regels).
Natuurrecht = een regel is geldig van nature.
Sommige juristen zeggen dat he tpositieve recht moet worden aangevuld met het
natuurrecht, bijv: de nazi’s die jurisch die joden mochten mishandelen. Het kritiek hiervan is
dat het super onduidelijk is. Tegenovergetsteld zijn de rechtpositivstien, zijn mensen die
excluief geloven in het positieve recht.
Week 2 “de democratische rechtsstaat”
De algemene (nulde) bepaling Grondwet: de Grondwet waarborgt de grondrechten en de
democratische rechtsstaat.
I. Democratie: de bevolking heeft minstens enige zeggenschappenschap over het
landsbestuur. Er zijn verschillende soorten:
- directe democratie: referendum (teveel mensen voor in persoon), stemmen in een
stemhokje over een wet. Dit hebben we niet, ookal willen sommige mensen dit
- indirecte democratie: de rechtstreeks democratisch gekozen
volksvertegenwoordiging bepaalt over wetten. We kiezen de Staten-Generaal
(Wetgevende macht). De Staten-Generaal/Parlement bestaat uit de Eerste en
Tweede Kamer:
- Eerste kamer: onrechtstreekt door de burgers gekozen. Worden gekozen
door de leden van de Provinciale Staten, die wel rechtstreek door ons zijn
gekozen.
- Tweede Kamer: rechtstreeks door ons gekozen.
De uitvoerende macht is dubbel indirecht democratisch. In Nederland hebben we een
parlementair stelsel, die berust op de parlementaire vertrouwensregel2. Dit kan
blijken uit een motie van wantrouwen (met een meerderheidspartij). Hierdoor geldt
voor alle minsters dat ze alle een zeker mate van vertrouwen van de
Staten-Generaal, wat het extra democratisch maakt. Er is ook een presidentieel
stelsel (in de VS).
II. Rechtsstaat: de burger is beschermd tegen de potentiele willekeur van de overheid,
omdat de overheid is gebonden aan het recht. Er zijn vijf mechanismen hiervoor:
1. Bevoegdheidsspreiding <> absolutime. Er zijn 3 vormen voor deze
bevoegdheidsspreiding:
- Trias politica
- Checks & balances, twee staatsmachten delen een bevoegdheid (balances),
of de ene controleert de ander (Chekcs).
- Decentralisatie
2. Onafhankelijke rechter
2
Als blijkt dat een minister of staatssecretaris het vertrouwen van een van de Kamers van de
Staten-Gernaal heeft verloren, dient deze zijn ontslag aan de Koning (Regering) aan te bieden. Als
blijkt dat alle minsters (het hele kabinet) het vertrouwen hebben verloren van de Staten-Generaal, dan
moet het hele kabinet opstappen.