Bedrijfseconomie hoofdstuk 20, vermogensmarkt
20.1, vragers van vermogen
Aan de vraagkant van de vermogensmarkt: consumenten, overheid en
ondernemingen.
Lenen van geld brengt kosten met zich mee, rentekosten. Ook bij het
afsluiten van een lening komen kosten. Alle kosten die verbonden zijn aan
het lenen van geld, noemen we financieringskosten.
De jaarlijkse uitgeven van de centrale overheid zijn vaak groter dan de
jaarlijkse inkomsten. Dit financieringstekort wordt gedekt door geld te
lenen, Nederland garandeert deze staatsleningen. Iedereen die een
staatsobligatie koopt, verstrekt een lening aan de centrale overheid en is
daardoor een schuldeiser van de Staat.
Een onderneming gebruikt eigen vermogen en vreemd vermogen voor de
financiering van kapitaalgoederen zoals gebouwen, machines en
voorraden.
20.2, aanbieders van vermogen
Aan de aanbodkant van de vermogensmarkt vinden we de groepen die en
belegging zoeken. Aanbieders van vermogen zijn institutionele beleggers
spaarders, beleggingsfondsen, ondernemingen en de overheid.
Institutionele beleggers zijn instellingen die grote bedragen beleggen,
zoals pensioenfondsen en levensverzekeringmaatschappijen. De hoofdtaak
van een pensioenfonds is iemand bij het bereiken van een bepaalde
leeftijd een pensioen uit te keren. Een pensioenfonds keert vanaf de
pensioen gerichte leeftijd het pensioen uit dat een aanvulling vormt op de
AOW-uitkering.
Bij een levensverzekeringsmaatschappij kun je je tegen betaling van
een premie verzekeren. De uitkering van de verzekering bestaat uit
periodieke betalingen vanaf een bepaalde leeftijd of op een bepaald
moment ineens.
Institutionele beleggers halen hun inkomsten uit winst op de ontvangen
premies en koerswinsten. Institutionele beleggers belleggen in onroerende
zaken: winkelcentra, kantoorgebouwen, aandelen en obligaties.
Institutionele beleggers verstrekken ook vaan onderhandse leningen
waaronder hypothecaire leningen. Bij een onderhandse lening treden
geldgever en geldnemer rechtstreeks met elkaar in contact.
Kleine spaarders zetten in het algemeen hun geld op hun spaarrekening.
De bank leent dit geld dan uit aan bijvoorbeeld ondernemingen.
Particulieren kunnen zelf in aandelen en obligaties beleggen. Daarnaast
kunnen zij ook in een beleggingsfonds inschakelen. Bij een
beleggingsfonds werken deskundigen die et beheerde vermogen in
aandelen van veel verschillende ondernemingen beleggen.
20.1, vragers van vermogen
Aan de vraagkant van de vermogensmarkt: consumenten, overheid en
ondernemingen.
Lenen van geld brengt kosten met zich mee, rentekosten. Ook bij het
afsluiten van een lening komen kosten. Alle kosten die verbonden zijn aan
het lenen van geld, noemen we financieringskosten.
De jaarlijkse uitgeven van de centrale overheid zijn vaak groter dan de
jaarlijkse inkomsten. Dit financieringstekort wordt gedekt door geld te
lenen, Nederland garandeert deze staatsleningen. Iedereen die een
staatsobligatie koopt, verstrekt een lening aan de centrale overheid en is
daardoor een schuldeiser van de Staat.
Een onderneming gebruikt eigen vermogen en vreemd vermogen voor de
financiering van kapitaalgoederen zoals gebouwen, machines en
voorraden.
20.2, aanbieders van vermogen
Aan de aanbodkant van de vermogensmarkt vinden we de groepen die en
belegging zoeken. Aanbieders van vermogen zijn institutionele beleggers
spaarders, beleggingsfondsen, ondernemingen en de overheid.
Institutionele beleggers zijn instellingen die grote bedragen beleggen,
zoals pensioenfondsen en levensverzekeringmaatschappijen. De hoofdtaak
van een pensioenfonds is iemand bij het bereiken van een bepaalde
leeftijd een pensioen uit te keren. Een pensioenfonds keert vanaf de
pensioen gerichte leeftijd het pensioen uit dat een aanvulling vormt op de
AOW-uitkering.
Bij een levensverzekeringsmaatschappij kun je je tegen betaling van
een premie verzekeren. De uitkering van de verzekering bestaat uit
periodieke betalingen vanaf een bepaalde leeftijd of op een bepaald
moment ineens.
Institutionele beleggers halen hun inkomsten uit winst op de ontvangen
premies en koerswinsten. Institutionele beleggers belleggen in onroerende
zaken: winkelcentra, kantoorgebouwen, aandelen en obligaties.
Institutionele beleggers verstrekken ook vaan onderhandse leningen
waaronder hypothecaire leningen. Bij een onderhandse lening treden
geldgever en geldnemer rechtstreeks met elkaar in contact.
Kleine spaarders zetten in het algemeen hun geld op hun spaarrekening.
De bank leent dit geld dan uit aan bijvoorbeeld ondernemingen.
Particulieren kunnen zelf in aandelen en obligaties beleggen. Daarnaast
kunnen zij ook in een beleggingsfonds inschakelen. Bij een
beleggingsfonds werken deskundigen die et beheerde vermogen in
aandelen van veel verschillende ondernemingen beleggen.