ONTLEDEN
Voorbeeldzin:
Ik heb gisteren de broer van mijn vriend een boek gegeven.
Werkwoordsdelen: gezegde: heb gegeven.
Heb = persoonsvorm / gegeven = voltooid deelwoord
Wie heeft gegeven?
ik = onderwerp = 1e naamval
Wat heb ik gegeven?
een boek = lijdend voorwerp = 4e naamval
Aan wie heb ik een boek gegeven?
de broer van mijn vriend = meewerkend voorwerp = 3e naamval
Wanneer heb ik de broer van mijn vriend een boek gegeven?
gisteren = tijdsbepaling = 4e naamval
Bezitsverhouding: 2e naamval
van mijn vriend (in het Nederlands aangegeven door het woordje “van”)
TEVENS 1e NAAMVAL:
Naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde
Naamwoordelijke gezegdes worden gevormd met de koppelwerkwoorden:
zijn
worden
blijven
schijnen
lijken
blijken
heten
dunken
vóórkomen
Voorbeeldzin:
Ik ben docent
Ik = onderwerp
Docent = naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde = 1 e naamval
Ik en docent: dezelfde persoon!
, HULPWERKWOORDEN
haben
ich habe ich hatte volt. dw.: gehabt
du hast du hattest
er/sie/es hat er/sie/es hatte
wir haben wir hatten geb. wijs:
ihr habt ihr hattet hab(e)
Sie haben Sie hatten habt
sie haben sie hatten haben Sie
sein
ich bin ich war volt. dw.:
du bist du warst gewesen
er/sie/es ist er/sie/es war
wir sind wir waren geb. wijs:
ihr seid ihr wart sei
Sie sind Sie waren seid
Sie sind sie waren seien Sie
werden (worden)
ich werde ich wurde volt. dw.:
du wirst du wurdest geworden
er/sie/es wird er/sie/es wurde worden *
wir werden wir wurden geb. wijs:
ihr werdet ihr wurdet werde
Sie werden Sie wurden werdet
Sie werden sie wurden werden Sie
* Das Buch ist gestern gekauft worden
- lijdende zin
- constructie met “sein”
- handeling heeft zich in het verleden afgespeeld
werden (zullen)
ich werde ich würde
du wirst du würdest
er/sie/es wird er/sie/es würde
wir werden wir würden
ihr werdet ihr würdet
Sie werden Sie würden
Sie werden sie würden
Voorbeeldzin:
Ik heb gisteren de broer van mijn vriend een boek gegeven.
Werkwoordsdelen: gezegde: heb gegeven.
Heb = persoonsvorm / gegeven = voltooid deelwoord
Wie heeft gegeven?
ik = onderwerp = 1e naamval
Wat heb ik gegeven?
een boek = lijdend voorwerp = 4e naamval
Aan wie heb ik een boek gegeven?
de broer van mijn vriend = meewerkend voorwerp = 3e naamval
Wanneer heb ik de broer van mijn vriend een boek gegeven?
gisteren = tijdsbepaling = 4e naamval
Bezitsverhouding: 2e naamval
van mijn vriend (in het Nederlands aangegeven door het woordje “van”)
TEVENS 1e NAAMVAL:
Naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde
Naamwoordelijke gezegdes worden gevormd met de koppelwerkwoorden:
zijn
worden
blijven
schijnen
lijken
blijken
heten
dunken
vóórkomen
Voorbeeldzin:
Ik ben docent
Ik = onderwerp
Docent = naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde = 1 e naamval
Ik en docent: dezelfde persoon!
, HULPWERKWOORDEN
haben
ich habe ich hatte volt. dw.: gehabt
du hast du hattest
er/sie/es hat er/sie/es hatte
wir haben wir hatten geb. wijs:
ihr habt ihr hattet hab(e)
Sie haben Sie hatten habt
sie haben sie hatten haben Sie
sein
ich bin ich war volt. dw.:
du bist du warst gewesen
er/sie/es ist er/sie/es war
wir sind wir waren geb. wijs:
ihr seid ihr wart sei
Sie sind Sie waren seid
Sie sind sie waren seien Sie
werden (worden)
ich werde ich wurde volt. dw.:
du wirst du wurdest geworden
er/sie/es wird er/sie/es wurde worden *
wir werden wir wurden geb. wijs:
ihr werdet ihr wurdet werde
Sie werden Sie wurden werdet
Sie werden sie wurden werden Sie
* Das Buch ist gestern gekauft worden
- lijdende zin
- constructie met “sein”
- handeling heeft zich in het verleden afgespeeld
werden (zullen)
ich werde ich würde
du wirst du würdest
er/sie/es wird er/sie/es würde
wir werden wir würden
ihr werdet ihr würdet
Sie werden Sie würden
Sie werden sie würden