ANATOMIE, FYSIOLOGIE EN PATHOLOGIE
H11: HORMOONSTELSEL || “anatomie en fysiologie”
Leerdoel 1: Je kunt benoemen wat wordt bedoeld met het begrip hormoon.
Een hormoon = een chemische boodschapperstof die door gespecialiseerde kliercellen wordt geproduceerd, wordt
aan het bloed afgegeven en heeft elders in het lichaam zijn werking interne secretie.
Leerdoel 2: Je kunt de algemene werking van hormonen toelichten en kunt de begrippen endocriene en neurosecretoire cellen in
verband brengen met de productie van hormonen.
Endocriene cellen = gespecialiseerde kliercellen, houden zich alleen bezig met de productie van een bepaald
hormoon.
- Meestal gestructureerd tot een hormoonklier
- Aantal endocriene cellen produceert meer dan 1 soort hormoon
Neurosecretoire cellen = gespecialiseerde zenuwcellen die nauw in contact staan met het zenuwstelsel en
bepaalde hormonen aan het bloed afgeven.
Gewone lichaamscellen blijken ook in staat bepaalde hormoonachtige stoffen te produceren. Deze stoffen
hebben een plaatselijk effect op de omringde cellen.
Doelwitcellen = sommige hormonen hebben alleen invloed op de cellen die voor dat specifieke hormoon gevoelig
zijn.
Doelorgaan = doelwitcellen die onderdeel zijn van een orgaan.
Leerdoel 3: Je kunt het verschil aangeven tussen steroïdhormonen en eiwithormonen en van beiden een voorbeeld geven.
1. Steroïdhormonen = vetachtige, aan cholesterol verwante stoffen.
VOORBEELD:
i. Geslachtshormoon
ii. Bijnierschorshormoon
Hoe het werkt:
Steroïdhormonen kunnen wél door de celmembraan heen. In de cel binden ze aan een receptor. Samen gaan ze
naar de celkern, waar ze het DNA een signaal geven om meer of minder eiwitten (zoals enzymen) aan te maken.
2. Eiwithormoon = uit enkele aminozuren opgebouwd.
VOORBEELD:
i. Adrenaline
ii. Schildklierhormoon
Peptidehormonen = Eiwithormonen groter en bestaat uit langere ketens van aminozuren, de zogeheten
peptideketens.
VOORBEELD:
i. Insuline
ii. Groeihormoon
Hoe het werkt:
Eiwithormonen kunnen niet door het celmembraan heen. Ze binden zich daarom aan receptoren op de buitenkant
van de cel. Deze receptor past precies bij dit hormoon. Door deze binding krijgt de cel een signaal om te reageren,
bv: door stoffen beter door te laten of meer of minder enzymen maken.
Steroïdhormonen en eiwithormonen zijn antagonisten!
Leerdoel 4: Je kunt toelichten hoe via een regelkring de concentratie van een hormoon in het bloed kan worden afgestemd.
Een regelkring zorgt ervoor dat de hoeveelheid hormonen in het lichaam goed op peil blijft. Bij een negatieve
terugkoppeling remt een hoge hormoonspiegel de aanmaak van nieuwe hormonen. Hierdoor blijft de
hormoonconcentratie in balans.
Hormoonspiegel = het hormoon kenmerkend niveau, over het algemeen
schommelt de concentratie van elk hormoon rond een voor dat hormoon
kenmerkend niveau.
Leerdoel 5: Je kunt aangeven hoe het hypothalamus-hypofyse systeem de verbinding vormt tussen het zenuwstelsel en het
hormoonstelsel.
Het hypothalamus-hypofysesysteem vormt de verbinding tussen het zenuwstelsel en het hormoonstelsel. De
hypothalamus ontvangt prikkels uit het lichaam en de omgeving en zet deze om in stimulerende of remmende
hormonen. Deze hormonen sturen via zenuwbanen en het bloed de hypofyse aan. De hypofyse geeft vervolgens
hormonen af aan het bloed, die andere hormoonklieren stimuleren om hormonen te produceren. Deze hormonen
1
,hebben een effect op organen en weefsels. Door negatieve terugkoppeling (feedback) blijft de hormoonproductie in
balans.
Leerdoel 6: Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de (hypothalamus) neurohypofyse en adenohypofyse worden
afgegeven, hoe deze afgifte wordt gereguleerd en welke effecten deze hormonen hebben op het lichaam.
Neurohypofyse: de neurohypofyse is geen hormoonproducent, maar fungeert als doorgeefluik.
Neuroscretie = de neurohypofyse slaat de hormonen op en geeft ze zo nodig aan het bloed af.
1. ADH – Antidiuretisch Hormoon (vasopressine)
ADH wordt gereguleerd via de negatieve terugkoppeling.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
ADH werkt op de nieren (doelwitorgaan). Het zorgt voor:
- Minder urineproductie
- Meer waterresorptie in de nieren
- Meer water in het bloed
Gevolg:
- Osmotische druk daalt
- Vochtbalans (homeostase) blijft in evenwicht
2. Oxytocine
Oxytocine wordt gereguleerd via de positieve terugkoppeling.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
Oxycotine werkt op de baarmoeder en melkklieren (doelwitorganen). Het zorgt voor:
- Contracties van de baarmoeder (weeën)
- Toeschietreflex (melkafgifte)
- Versterking van binding (knuffelhormoon)
Gevolg:
- Bevalling wordt op gang gehouden/ versterkt
- Melk wordt uit de borsten afgegeven
- Hechting en sociaal gedrag worden gestimuleerd
Adenohypofyse = een endocriene klier die zelf hormonen produceert en wordt aangestuurd door de
hypothalamus via het poortadersysteem (portale circulatie).
Verbinding: hormonen van de hypothalamus gaan via twee capillairnetwerken naar de adenohypofyse.
Regulatie:
- RH (releasing hormonen) stimuleren
- IH (inhibiting hormonen) remmen
Werking adenohypofyse:
- Neemt RH en IH op
- Maakt eigen hormonen
- Geeft deze af aan het bloed werken op andere organen
Glandotrope hormonen: werken op andere hormoonklieren in het lichaam!
HORMONEN VAN DE ADENOHYPOFYSE:
1. TSH (Thyroïdstimulerend hormoon)
TSH wordt gereguleerd via de negatieve terugkoppeling.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
TSH werkt op de schildklier (doelwitorgaan). Het zorgt voor:
- Aanmaak van de schildklierhormonen T3 en T4.
Gevolg:
- De stofwisseling wordt gereguleerd.
- Groei en ontwikkeling worden ondersteund.
- De energieproductie van het lichaam neemt toe.
2. ACTH (Adrenocorticotroop hormoon)
ACTH wordt gereguleerd via de negatieve terugkoppeling.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
ACTH werkt op de bijnierschors (doelwitorgaan). Het zorgt voor:
- Aanmaak van corticosteroïden, zoals cortisol.
Gevolg:
2
, - Het lichaam kan beter omgaan met stress.
- De bloedsuikerspiegel blijft op peil.
- De stofwisseling en afweer worden beïnvloed.
3. FSH (Follikelstimulerend hormoon)
FSH wordt gereguleerd via de negatieve terugkoppeling.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
FSH werkt op de eierstokken bij de vrouw en de teelballen bij de man (doelwitorganen). Het zorgt voor:
- Rijping van follikels (eicellen) bij de vrouw.
- Vorming van zaadcellen bij de man.
Gevolg:
- De vruchtbaarheid wordt ondersteund.
- De voortplanting kan plaatsvinden.
4. LH (Luteïniserend hormoon)/ ICSH (Interstitiële-celstimulerend hormoon)
LH en ICSH worden gereguleerd via de negatieve terugkoppeling.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
LH (vrouw) werkt op de eierstokken. Het zorgt voor:
- Eisprong (ovulatie).
- Vorming van het gele lichaam.
Gevolg:
- De menstruatiecyclus verloopt normaal.
- Zwangerschap wordt mogelijk gemaakt.
ICSH (man) werkt op de teelballen. Het zorgt voor:
- Aanmaak van testosteron.
Gevolg:
- Ontwikkeling van mannelijke geslachtskenmerken.
- Ondersteuning van de zaadcelproductie.
5. STH (Somatotroop hormoon/ Groeihormoon)
STH wordt gereguleerd via de hypothalamus en via negatieve terugkoppeling door IGF-1.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
STH werkt op vrijwel het hele lichaam, vooral op de lever en nieren (doelwitorganen). Het zorgt voor:
- Celdeling en groei.
- Eiwitsynthese.
- Aanmaak van IGF-1.
Gevolg:
- Groei van botten, kraakbeen en spieren.
- Groei en herstel van weefsels.
- Normale ontwikkeling tijdens de kinderjaren.
6. MSH (Melanocytstimulerend hormoon)
MSH wordt gereguleerd door de hypothalamus.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
MSH werkt op de huid (melanocyten). Het zorgt voor:
- Aanmaak van melanine.
Gevolg:
- Normale pigmentatie van de huid.
- Bescherming van de huid tegen UV-straling.
7. Prolactine (LTH)
Prolactine wordt voornamelijk geremd door dopamine uit de hypothalamus.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
Prolactine werkt op de melkklieren (doelwitorganen). Het zorgt voor:
- Ontwikkeling van het melkklierweefsel.
- Aanmaak van moedermelk.
Gevolg:
- Borstvoeding wordt mogelijk.
- De melkproductie blijft op gang tijdens de borstvoedingsperiode.
3
, Leerdoel 7: Je kunt het effect benoemen van melatonine dat door de epifyse wordt afgegeven en hoe deze afgifte wordt geregeld.
Effect van melatonine:
Melatonine zorgt voor het regelen van het dag- en nachtritme (circadiaans ritme, biologische klok) en maakt je
slaperig. Daarnaast remt het tot de puberteit de geslachtsrijping.
Leerdoel 8: Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de schildklier worden afgegeven, hoe deze afgifte wordt
gereguleerd en welke effecten deze hormonen hebben op het lichaam.
HORMONEN VAN DE SCHILDKLIER:
1. T3 (Tri-joodthyronine)
T3 wordt gereguleerd via de negatieve terugkoppeling.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
T3 werkt op vrijwel alle lichaamscellen (doelwitcellen). Het zorgt voor:
- Verhoging van de stofwisseling
- Afbraak van glucose en vetten voor energie
- Stimulering van de eiwitsynthese
- Groei en ontwikkeling van het lichaam
Gevolg:
- Het lichaam verbruikt meer energie
- Groei en ontwikkeling verlopen normaal
- Organen functioneren optimaal
2. T4 (Thyroxine)
T4 wordt gereguleerd via de negatieve terugkoppeling.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
T4 werkt op vrijwel alle lichaamscellen (doelwitcellen). Het zorgt voor:
- Verhoging van de stofwisseling
- Omzetting naar het actievere hormoon T3
- Groei en ontwikkeling van het lichaam
Gevolg:
- De stofwisseling blijft op peil
- Het lichaam heeft voldoende energie
- Normale groei en ontwikkeling
Belangrijk:
De afgifte van T3 en T4 wordt geregeld via de hypothalamus en hypofyse:
i. Hypothalamus TRH
ii. Hypofyse TSH
iii. Schildklier T3 en T4
Bij een hoge concentratie T3 en T4 wordt de afgifte van TRH en TSH geremd (negatieve terugkoppeling).
3. Calcitonine
Calcitonine wordt gereguleerd via de calciumconcentratie in het bloed via de negatieve terugkoppeling.
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
Calcitonine werkt op de botten, nieren en darmen (doelwitorganen). Het zorgt voor:
- Opslag van calcium in de botten.
- Minder terugresorptie van calcium in de nieren (meer uitscheiding via de urine).
- Minder opname van calcium uit de darm.
Gevolg:
- De calciumconcentratie in het bloed daalt.
- De botten worden steviger.
HORMONEN VAN DE BIJSCHILDKLIER:
1. Parathormoon (PTH)
Parathormoon wordt gereguleerd via de calciumconcentratie in het bloed (negatieve terugkoppeling).
Wat voor effect heeft het op het lichaam?
Parathormoon werkt op de botten, nieren en darmen (doelwitorganen). Het zorgt voor:
- Vrijmaken van calcium uit de botten.
- Minder uitscheiding van calcium via de nieren.
4