Ecologie → de wetenschap die de relaties tussen
organismen en hun milieu bestuurt. Biodiversiteit
→ het aantal verschillende soorten in een gebied.
In de 19e en 20ste eeuw is de biodiversiteit in
Nederland erg afgenomen door de toenemende
bevolking.
Organismen beïnvloeden hun milieu (de
leefomgeving). Het milieu heeft ook invloed op
organismen. Invloeden die afkomstig zijn van de
levende natuur zijn biotische factoren. Invloeden
afkomstig van de niet levende natuur zijn abiotische factoren.
De relaties tussen organismen kun je op verschillende niveaus bestuderen;
• Individu → 1 enkel organisme (als je de relaties tussen een individu en zijn omgeving
oderzoekt)
• Populatie → een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich
onderling voortplaten (de relaties tussen een populatie en het milieu bestuderen)
• Levensgemeenschap → populaties van verschillende soorten die in een bepaald gebied leven
• Ecosysteem → een gebied waar de biotische en de abiotische factoren een eenheid vormen.
Biotoop → alle abiotische factoren samen. Biosfeer → de dunne laag om aarde waar leven voorkomt.
Bioom → grote gebieden met een kenmerkend klimaat in de biosfeer.
6.2 Voedselrelaties
In een ecosysteem spelen voedselrelaties een belangrijke rol. Een dier komt alleen voor in een
ecosysteem als hij prooien kan vangen. Vleeseters → carnivoren. Planteneters → herbivoren.
Voedselketen → een reeks soorten, waarbij elke soort de voedselbron is van de volgende soort. In
een ecosysteem lopen meerdere voedselketens door elkaar. Voedselweb/voedselnet → het geheel
van voedselrelaties in een ecosysteem. Alleseters → omnivoren.
Planten → producenten (ze produceren zelf voedingsstoffen). Dieren → consumenten (ze eten
andere organismen). Planteneters → consumenten van de eerst orde. Vleeseters → consumenten
van de tweede orde (enzv). Alleseters kunnen consumenten van de eerste orde maar ook van de
tweede of zelfs derde orde zijn.
Afvaleters → dieren die leven van dode resten van planten. Alle resten van planten en dieren worden
verder afgebroken door bacteriën en schimmels → reducenten. Door de reducenten ontstaan stoffen
die de producenten dus weer kunnen opnemen. Stoffen van planten komen dus via dieren,
afvaleters, bacteriën en schimmels uiteindelijk weer bij de planten terecht. Alle stoffen maken in de
natuur een kringloop door.
Planten kunnen energiearme stoffen door fotosynthese omzetten in energierijke stoffen. Daardoor
heeft elke voedselketen als eerste schakel een plantensoort. Planten zijn dus autotroof, ze voeden
zichzelf. Dieren, schimmels en de meeste bacteriën zijn heterotroof, ze voeden zich met andere
organismen.
6.3 Kringlopen