paragraaf 1 / waar heb jij behoefte aan?
Behoeften = wensen die mensen hebben (laptop)
- primaire behoeften (basisbehoeften) ➙ noodzakelijk om te leven.
- secundaire behoeften (overige behoeften) ➙ leven prettig maken.
Schaarste = middelen om goederen te maken niet oneindig aanwezig zijn
- ontstaat: als je niet genoeg middelen hebt om al je behoeften te voorzien.
- vrije goederen = goederen waarvoor je geen middelen voor nodig hebt (zonlicht,
wind)
Consumeren = goederen & diensten kopen ➙ die mensen consumenten
● Diensten = iemand een dienst verlenen (wiskundeles)
● Goederen = tastbare producten
- Gebruiksgoederen (broodtrommel, meerdere keren gebruiken)
- Verbruiksgoederen (brood, 1 x gebruik)
Alternatief aanwendbaar = verschillende mogelijkheden hebben om je behoefte te voorzien
(Brood meenemen, brood kopen ➙ zelfvoorziening)
paragraaf 2 / kopen is kiezen?
Uitgaven
● vaste lasten ➙ hypotheek, abonnement
● huishoudelijke uitgaven ➙ dagelijkse uitgaven (boodschap)
● incidentele uitgaven ➙ grotere uitgaven die soms voorkomen.
- kan je reserveren (sparen) = geld apart zetten
voor grote uitgave.
Inkomen = geld wat huishoudens ontvangen uit arbeid.
● Inkomen uit arbeid ➙ loon / salaris
● Inkomen uit bezit ➙ rente over spaargeld
● Overdrachtsinkomen ➙ inkomen zonder directe tegenprestatie
(zakgeld, uitkering)
Budget = totale inkomsten in een periode, beschikbaar geld.
1
, Begroting = maak je om zicht te krijgen in je mogelijkheden
om je geld te besteden.
- bedragen vergelijken ➙ omrekenen naar dezelfde
periode.
Berekenen:
● week ➙ maand = weekbedrag x 52 : 12
● maand ➙ week = maandbedrag x 12 : 52
Budgetlijn = geeft grenzen van je budget aan
- berekenen:
M = px x + Py y
- M = inkomen
- Px, Py = prijs van product x of y
- x, y = hoeveelheid van product x of y
paragraaf 3 / heb je geld nodig om te ruilen?
Ruilen
- directe ruil = ruilen van goederen tegen andere goederen
- indirecte ruil = ruilen van goederen met ruilmiddel (geld, zout)
Functies van geld
- ruilmiddel
- rekenmiddel = waarde van product bepalen & vergelijken
- spaarmiddel = bewaart geld
Technische vereisten = kenmerken waaraan ruilmiddel moet voldoen.
- draagbaar, deelbaar, houdbaar & moeilijk te reproduceren ➙ nu geldsysteem
Fiducie = vertrouwen om zeker te zijn dat geld zijn waarde houd.
● Chartaal geld = geld in vorm van bankbiljetten & munten
● Giraal geld = geld op betaalrekening
- Extrinsieke waarde = gebruikswaarde
- Intrinsieke waarde = materiële waarde (chartaal & giraal weinig)
2