Pedagogisch quotiënt.
Acculturatie: Tweezijdig proces van toenadering en veranderingen tussen
gevestigden en nieuwkomers en hun culturen.
Didactische professionaliteit: Kennis en vaardigheden met betrekking tot
instructiegedrag en technische controle op het leerproces.
Employee adaptability: Steeds aanpassen van de medewerkers aan eisen die door
de organisatie aan de medewerker worden gesteld.
Indicatoren ‘positieve resultaten’:
Geen voortijdig uitval: Voorkomen van voortijdig eindigen van hulp.
Probleem reductie: Situatie van cliënt is na de hulp verbeterd.
Doelrealisatie: Het bereiken van opgestelde hulpdoelen.
Cliëntsatisfactie: Tevredenheid van de cliënt.
Dialectisch karakter: Besluitvorming en verantwoordelijkheid ligt bij de
medewerkers zelf.
Kerntechnologie: Bestaat uit de beschikbare middelen aanwezige kennis,
vaardigheden en instrumenten die gebruikt worden om zorg te verlenen.
Dialectiek: Ontwikkeling van mens en organisatie door wederzijdse belangen en
tegenstellingen heen.
Civil society: Een concept dat verder rijkt dan gekwalificeerd zijn voor de
arbeidsmarkt en meer omvat dan individuele ontplooiing.
Competentie perspectief: Wederzijdse ontwikkeling ten behoeve van een
gezamenlijke toekomst voor de organisatie en haar medewerkers in de zin van
aanzetten tot leren van individuele en collectieven.
Pedagogisch perspectief: Wetenschappelijke en maatschappelijke visies op de
taken van het onderwijs, de leerkracht en de leerling.
5 eeuwen:
Hervorming: Persoonlijke geloofsbeweging.
Piëtisme: Geloof en leven moet gezuiverd worden mensen geloof beleven met daad
en hart.
Empirisme/Rationalisme: Ontstaan en aard menselijke kennis centraal.
Acculturatie: Tweezijdig proces van toenadering en veranderingen tussen
gevestigden en nieuwkomers en hun culturen.
Didactische professionaliteit: Kennis en vaardigheden met betrekking tot
instructiegedrag en technische controle op het leerproces.
Employee adaptability: Steeds aanpassen van de medewerkers aan eisen die door
de organisatie aan de medewerker worden gesteld.
Indicatoren ‘positieve resultaten’:
Geen voortijdig uitval: Voorkomen van voortijdig eindigen van hulp.
Probleem reductie: Situatie van cliënt is na de hulp verbeterd.
Doelrealisatie: Het bereiken van opgestelde hulpdoelen.
Cliëntsatisfactie: Tevredenheid van de cliënt.
Dialectisch karakter: Besluitvorming en verantwoordelijkheid ligt bij de
medewerkers zelf.
Kerntechnologie: Bestaat uit de beschikbare middelen aanwezige kennis,
vaardigheden en instrumenten die gebruikt worden om zorg te verlenen.
Dialectiek: Ontwikkeling van mens en organisatie door wederzijdse belangen en
tegenstellingen heen.
Civil society: Een concept dat verder rijkt dan gekwalificeerd zijn voor de
arbeidsmarkt en meer omvat dan individuele ontplooiing.
Competentie perspectief: Wederzijdse ontwikkeling ten behoeve van een
gezamenlijke toekomst voor de organisatie en haar medewerkers in de zin van
aanzetten tot leren van individuele en collectieven.
Pedagogisch perspectief: Wetenschappelijke en maatschappelijke visies op de
taken van het onderwijs, de leerkracht en de leerling.
5 eeuwen:
Hervorming: Persoonlijke geloofsbeweging.
Piëtisme: Geloof en leven moet gezuiverd worden mensen geloof beleven met daad
en hart.
Empirisme/Rationalisme: Ontstaan en aard menselijke kennis centraal.