Samenvatting biologie h6 4 vwo nectar
Paragraaf 1
Het bepalen van wat een soort is, kan lastig zijn. Soms zie je duidelijk verschil,
zoals tussen honden en mussen, maar soms lijken soorten sterk op elkaar,
zoals ringmussen en huismussen. Vroeger gebruikten biologen twee criteria
om soorten te bepalen: uiterlijk en of ze vruchtbare nakomelingen kunnen
krijgen. Tegenwoordig gebruiken ze liever DNA, omdat dat betrouwbaarder is.
Een belangrijk hulpmiddel is de DNA-barcode, een uniek stukje DNA waarmee
soorten kunnen worden herkend. Bij dieren komt dit meestal uit het
mitochondriaal DNA, bij planten uit het chloroplast-DNA. Binnen een soort
zijn kleine verschillen, maar tussen soorten grote verschillen.
Soms kunnen twee verschillende soorten kruisen en krijg je hybriden, zoals
een zonkey (ezel × zebra). Deze zijn meestal onvruchtbaar.
Iedere soort krijgt een wetenschappelijke naam van twee delen:
geslachtsnaam + soortaanduiding (binomiale naamgeving), zoals Equus
africanus voor de ezel. Soms is er ook een ondersoort, zoals Canis lupus
familiaris (de hond). Rassen, zoals teckels, horen niet bij de taxonomie.
De indeling van organismen in groepen heet taxonomie. De groepen heten
taxa, zoals soorten, geslachten, families, orden, klassen, rijken en domeinen. Er
zijn drie domeinen: archaea, bacteriën en eukaryoten.
Archaea en bacteriën zijn prokaryoten zonder celkern.
Eukaryoten hebben wél een celkern.
Archaea hebben soms een ander soort celmembraan dan de andere groepen.
, Uiterlijke kenmerken kunnen misleidend zijn bij het bepalen van
verwantschap. Zo lijken de snavels van torenvalken en buizerds op elkaar,
waardoor men dacht dat ze nauw verwant waren. Uit DNA-onderzoek blijkt dat
torenvalken juist dichter bij vinken en mussen staan. Ook lijkt een zeekoe qua
uiterlijk meer op een walrus, maar het DNA toont een nauwe verwantschap
met de Afrikaanse olifant.
Sommige genen muteren met een constante snelheid. Hiermee kunnen
biologen een moleculaire klok maken: hoe meer verschillen in het DNA, hoe
minder verwant soorten zijn. Nauwe verwanten hebben dus bijna hetzelfde
DNA, zoals een bijna identiek hemoglobinegen.
Paragraaf 2
Annelies telt dassen in haar buurt, maar dat is tijdrovend. Het bepalen van de
populatiegrootte van soorten verschilt per soort. Bij kleine aantallen, zoals de
plant Balanophora coralliformis (50 exemplaren), kun je precies tellen. Bij zeer
grote aantallen schatten biologen de populatie, bijvoorbeeld door in één
vierkante meter bosanemonen te tellen en dat te vermenigvuldigen met het
totale oppervlak.
Voor dieren zoals bosmuizen wordt vaak de vangst-terugvangstmethode
gebruikt. Daarbij vang je eerst een aantal muizen (n1), markeert ze, en vangt
later opnieuw muizen (n2). Het aantal gemerkte muizen daarin (n3) gebruik je
in de formule:
N = (n1 × n2) / n3.
Voor dassen mag deze methode niet, omdat ze een beschermde soort zijn.
Paragraaf 1
Het bepalen van wat een soort is, kan lastig zijn. Soms zie je duidelijk verschil,
zoals tussen honden en mussen, maar soms lijken soorten sterk op elkaar,
zoals ringmussen en huismussen. Vroeger gebruikten biologen twee criteria
om soorten te bepalen: uiterlijk en of ze vruchtbare nakomelingen kunnen
krijgen. Tegenwoordig gebruiken ze liever DNA, omdat dat betrouwbaarder is.
Een belangrijk hulpmiddel is de DNA-barcode, een uniek stukje DNA waarmee
soorten kunnen worden herkend. Bij dieren komt dit meestal uit het
mitochondriaal DNA, bij planten uit het chloroplast-DNA. Binnen een soort
zijn kleine verschillen, maar tussen soorten grote verschillen.
Soms kunnen twee verschillende soorten kruisen en krijg je hybriden, zoals
een zonkey (ezel × zebra). Deze zijn meestal onvruchtbaar.
Iedere soort krijgt een wetenschappelijke naam van twee delen:
geslachtsnaam + soortaanduiding (binomiale naamgeving), zoals Equus
africanus voor de ezel. Soms is er ook een ondersoort, zoals Canis lupus
familiaris (de hond). Rassen, zoals teckels, horen niet bij de taxonomie.
De indeling van organismen in groepen heet taxonomie. De groepen heten
taxa, zoals soorten, geslachten, families, orden, klassen, rijken en domeinen. Er
zijn drie domeinen: archaea, bacteriën en eukaryoten.
Archaea en bacteriën zijn prokaryoten zonder celkern.
Eukaryoten hebben wél een celkern.
Archaea hebben soms een ander soort celmembraan dan de andere groepen.
, Uiterlijke kenmerken kunnen misleidend zijn bij het bepalen van
verwantschap. Zo lijken de snavels van torenvalken en buizerds op elkaar,
waardoor men dacht dat ze nauw verwant waren. Uit DNA-onderzoek blijkt dat
torenvalken juist dichter bij vinken en mussen staan. Ook lijkt een zeekoe qua
uiterlijk meer op een walrus, maar het DNA toont een nauwe verwantschap
met de Afrikaanse olifant.
Sommige genen muteren met een constante snelheid. Hiermee kunnen
biologen een moleculaire klok maken: hoe meer verschillen in het DNA, hoe
minder verwant soorten zijn. Nauwe verwanten hebben dus bijna hetzelfde
DNA, zoals een bijna identiek hemoglobinegen.
Paragraaf 2
Annelies telt dassen in haar buurt, maar dat is tijdrovend. Het bepalen van de
populatiegrootte van soorten verschilt per soort. Bij kleine aantallen, zoals de
plant Balanophora coralliformis (50 exemplaren), kun je precies tellen. Bij zeer
grote aantallen schatten biologen de populatie, bijvoorbeeld door in één
vierkante meter bosanemonen te tellen en dat te vermenigvuldigen met het
totale oppervlak.
Voor dieren zoals bosmuizen wordt vaak de vangst-terugvangstmethode
gebruikt. Daarbij vang je eerst een aantal muizen (n1), markeert ze, en vangt
later opnieuw muizen (n2). Het aantal gemerkte muizen daarin (n3) gebruik je
in de formule:
N = (n1 × n2) / n3.
Voor dassen mag deze methode niet, omdat ze een beschermde soort zijn.