PSYCHOPATHOLOGIE
Hoorcollege 1: Inleiding & DSM or not DSM: what is the question?
Doel: Bespreken van belangrijkste psychopathologische beelden.
Inzicht: Onderliggende neurologische, cognitieve en gedragsmatige processen.
Focus: Variatie aan verschijningsvormen en levensfasen.
Verdieping: Theorie en onderzoek naar cognitieve, emotionele en biologische stoornissen.
Wat is afwijkend? Wanneer is iemand ziek of gezond?
o De WHO benadrukt dat gezondheid een staat van complete fysieke, mentale en sociale well-being
betreft, niet alleen de afwezigheid van ziekte of een afwijking.
o Je hebt een categorische, typologische en graduele overgang van gezond naar ziek.
o Je kunt de graduele overgang splitsen in verschillende gebieden die kunnen meespelen:
stemming/emoties, cognitie, gedrag & lichaam.
Vanaf welk punt is een gedraging afwijkend en willen we behandelen
Dat kan zijn bij te veel (bv. hyperactiviteit), of afwezigheid/weinig van iets (bv. agressieregulatie).
Je hebt een bepaalde observatie van een fenomeen of een soort gedrag, en dat wil je onderzoeken.
Maar zo makkelijk is dat niet, er kunnen factoren meespelen in hoe je iets definieert:
o De culturele context: Iemand die in de Nederlandse cultuur geesten ziet, kan gezien worden als
iemand met een schizofreniespectrumstoornis. In een andere cultuur kan die persoon gezien
worden als bezeten, of juist als goddelijk.
o De economie: De psychofarmaceutische bedrijven, als die een rol spelen bij onderzoek, kunnen
invloed hebben op het willen hebben maar meer diagnoses die meer medicatie nodig hebben.
o De politiek: Zoals vroeger als een slaaf in amerika ontsnapte, labelden ze hem als ziek, als iemand
die wilde ontsnappen en konden ze hem door die ziekte terughalen.
Belangrijke vragen bij de ontwikkeling van een diagnostisch systeem:
o Zijn afwijkingen (onschuldige) variaties van menselijk gedrag of toch ziektes?
o Waar komen de nieuwe diagnosen vandaan?
o Wat is het gevolg daarvan?
o Wie heeft er baat bij?
Waarom is classificatie nodig? Het is fijner voor het menselijke brein om in categorieën te denken.
Categorisatie helpt om op een professionele manier met elkaar/met collega’s te kunnen communiceren.
De persoon voor me weet over welke kaders we spreken en het gesprek kan daarbij baten.
Hoe classificeren? - Nosologie: de leer van de indeling van ziektes.
1. Etiologie: De oorzaken/oorsprong van bepaalde ziektes.
2. Pathogenese: Beloop van een ziekte, dus hoe ontwikkelt het zich over de tijd? (bijv. wordt het
chronisch? of verdwijnt het volledig?)
3. Epidemiologie: waargenomen patronen (bijv. man-vrouw verdeling in stoornissen)
4. Symptomen: Aanwezige kenmerken die wijzen op een diagnose. Syndromen: groepje symptomen.
Voorbeeld: SAD (Seizoensgebonden Affectieve Stoornis)
Etiologie: Serotonine Transporter gene, serotonerge systeem, amygdala hyperactiviteit, trauma, leren-
observeren, overbescherming vanuit de sociale kring, verwaarlozing vanuit de sociale kring, etc.
Pathogenese: Cognitieve biases (interpretatie, aandacht), klassiek/operant leren, social skills.
Epidemiologie: Bijna even vaak bij vrouwen en mannen, maar meer mannen in een kliniek, Westerse
en Oosterse variant (in collectivistische landen denken mensen geen last te willen zijn voor anderen, in
individualistische landen denken mensen meer aan of ze voor schut staan), prevalentie 9-13%.
Symptomen/Syndroom Kern: Buitenproportionele angst om negatief beoordeel en uitgesloten te
worden. Vermijding, veiligheidsgedrag, hartkloppen, blozen, trillen, zweten, angstige automatische
gedachtes.
1
,Beperkingen van classificatie?
Er bestaat overlap tussen stoornissen (bijv. iemand met een angststoornis heeft ook een hoge kans op
een depressie diagnose, maar ook andersom is de kans hoger).
De DSM verandert mee, maar dat is logisch, de wetenschap beweegt namelijk ook mee. De
wetenschap heeft veel te bieden.
Bij het opstellen van een diagnose:
o we moeten afkomen van politieke/morele en financiële invloeden
o hoe willen wij internationaal over psychopathologie communiceren?
o we komen niet uit zonder categorieën
o het kind niet met het badwater weggooien
o DSM zal blijven ontwikkelen als diagnostisch instrument en als kapstok voor professionele
communicatie
Kritiek op de DSM
Alternatieven:
1. Transdiagnostische persoonlijkheidsdimensies (Krueger & Markon, 2006)
Externalisatie:
o Heterogene mix van trekken, gedragingen en stoornissen
o Extreme beloningsgevoeligheid
o Hostiliteit en reactieve agressie
o Lage impulscontrole
Transdiagnostische dimensies van persoonlijkheid
o Er zijn dimensies die stoornissen overstijgen.
o Sterk verankerd in persoonlijkheidstheorieën (en dus de psychologie).
2
,2. Netwerktheorie van psychopathologie (Jones et al., 2017)
o Latente variabelen zoals externalisatie
zijn niet nodig.
o Patroon van samenhang van
observeerbare symptomen.
o Niveau van netwerkactivatie gelinkt aan
psychologisch.
3. Cognitieve neuropsychologie (Blair, 2003)
o Relatie tussen symptomen, brein en cognitie
o Dezelfde cognitieve afwijkingen bij meerdere stoornissen
o Niet verankerd in de persoonlijkheidsleer.
3
, Er zijn nog meer alternatieven: Big-5, alternatief model & HiTOP o.a.
Hoorcollege 2: Angst bij kinderen en jongeren
Dimensionele visie: belangrijk in de klinische ontwikkelingspsychologie.
Gedrag bevindt zich op een continuum: sommigen neigen meer naar maladaptieve gedragingen of
adaptieve gedragingen, maar kwalitatief zijn niet mensen niet heel verschillend.
Angst is een emotie, alle emoties zijn adaptief dus angst ook. Waarom is het adaptief?
Het attendeert en helpt ons in gevaarlijke situaties waarbij we alerter worden, en houdt ons zo dus ook
in leven.
Angst uit zich:
o Cognitief: ‘ik ben in gevaar’
o Gedragsmatig: wegrennen, vechten, beven.
o Fysiologisch: hartslag, zweten.
o Emotioneel: huilen.
Wanneer wordt angst dan maladaptief, dus een probleem?
1. Leeftijdsinadequaat (dus bijv. al heel vroeg nadenken over grote wereldproblemen)
o Om te bepalen of iets pathologisch is, moeten we het aftoetsen tegen de normale ontwikkeling
o Afhankelijk van sociaal cognitief ontwikkelingsniveau (als hersenen nog niet klaar zijn om over
abstracte dingen na te denken, zullen ze daar ook niet zo snel angstig voor zijn)
o Gelijkaardig verloop als bij normale angsten
- van specifiek in vroege kindertijd naar meer abstract en complex
2. Extreem intens, buitenproportioneel: dit is ook een kenmerk van maladaptieve angst.
hierbij rekening houden met de context.
3. Verlengde reactie op iets angstaanjagends, traag/onvoldoende ‘herstel’
4. Interferentie met dagelijks functioneren lijden + impairment, wat zich uit in: sociale relaties,
school , ‘ontwikkelingstaken’ worden gemist, vaak vermijding.
Impairment kan ook het functioneren van de ouders beïnvloeden. die moeten we ook meenemen,
kijken naar de broertjes/zusjes, worden die ook gestoord in hun ontwikkeling?
5. Beoordeling door een clinicus/diagnosticus
Type diagnoses:
Beschrijvende diagnoses classificatie
o Categorische visie : DSM/ICD
o Dimensionele visie : ASEBA systeem (categorie met bijbehorende benadering/behandeling)
o Richtlijn psychiatrische diagnose
Verklarende diagnoses we zien een bepaald gedrag, maar waar komt dat vandaan?
o Gebaseerd op etiologische factoren
o Bv. holistische theorie
Voorbeeld: Separatieangst; dat is de label dus de beschrijvende diagnose. maar waar dat gedrag
vandaan komt, om dat te kunnen verklaren en de verklarende diagnose te kunnen krijgen, kunnen we
een holistische theorie opstellen.
4
Hoorcollege 1: Inleiding & DSM or not DSM: what is the question?
Doel: Bespreken van belangrijkste psychopathologische beelden.
Inzicht: Onderliggende neurologische, cognitieve en gedragsmatige processen.
Focus: Variatie aan verschijningsvormen en levensfasen.
Verdieping: Theorie en onderzoek naar cognitieve, emotionele en biologische stoornissen.
Wat is afwijkend? Wanneer is iemand ziek of gezond?
o De WHO benadrukt dat gezondheid een staat van complete fysieke, mentale en sociale well-being
betreft, niet alleen de afwezigheid van ziekte of een afwijking.
o Je hebt een categorische, typologische en graduele overgang van gezond naar ziek.
o Je kunt de graduele overgang splitsen in verschillende gebieden die kunnen meespelen:
stemming/emoties, cognitie, gedrag & lichaam.
Vanaf welk punt is een gedraging afwijkend en willen we behandelen
Dat kan zijn bij te veel (bv. hyperactiviteit), of afwezigheid/weinig van iets (bv. agressieregulatie).
Je hebt een bepaalde observatie van een fenomeen of een soort gedrag, en dat wil je onderzoeken.
Maar zo makkelijk is dat niet, er kunnen factoren meespelen in hoe je iets definieert:
o De culturele context: Iemand die in de Nederlandse cultuur geesten ziet, kan gezien worden als
iemand met een schizofreniespectrumstoornis. In een andere cultuur kan die persoon gezien
worden als bezeten, of juist als goddelijk.
o De economie: De psychofarmaceutische bedrijven, als die een rol spelen bij onderzoek, kunnen
invloed hebben op het willen hebben maar meer diagnoses die meer medicatie nodig hebben.
o De politiek: Zoals vroeger als een slaaf in amerika ontsnapte, labelden ze hem als ziek, als iemand
die wilde ontsnappen en konden ze hem door die ziekte terughalen.
Belangrijke vragen bij de ontwikkeling van een diagnostisch systeem:
o Zijn afwijkingen (onschuldige) variaties van menselijk gedrag of toch ziektes?
o Waar komen de nieuwe diagnosen vandaan?
o Wat is het gevolg daarvan?
o Wie heeft er baat bij?
Waarom is classificatie nodig? Het is fijner voor het menselijke brein om in categorieën te denken.
Categorisatie helpt om op een professionele manier met elkaar/met collega’s te kunnen communiceren.
De persoon voor me weet over welke kaders we spreken en het gesprek kan daarbij baten.
Hoe classificeren? - Nosologie: de leer van de indeling van ziektes.
1. Etiologie: De oorzaken/oorsprong van bepaalde ziektes.
2. Pathogenese: Beloop van een ziekte, dus hoe ontwikkelt het zich over de tijd? (bijv. wordt het
chronisch? of verdwijnt het volledig?)
3. Epidemiologie: waargenomen patronen (bijv. man-vrouw verdeling in stoornissen)
4. Symptomen: Aanwezige kenmerken die wijzen op een diagnose. Syndromen: groepje symptomen.
Voorbeeld: SAD (Seizoensgebonden Affectieve Stoornis)
Etiologie: Serotonine Transporter gene, serotonerge systeem, amygdala hyperactiviteit, trauma, leren-
observeren, overbescherming vanuit de sociale kring, verwaarlozing vanuit de sociale kring, etc.
Pathogenese: Cognitieve biases (interpretatie, aandacht), klassiek/operant leren, social skills.
Epidemiologie: Bijna even vaak bij vrouwen en mannen, maar meer mannen in een kliniek, Westerse
en Oosterse variant (in collectivistische landen denken mensen geen last te willen zijn voor anderen, in
individualistische landen denken mensen meer aan of ze voor schut staan), prevalentie 9-13%.
Symptomen/Syndroom Kern: Buitenproportionele angst om negatief beoordeel en uitgesloten te
worden. Vermijding, veiligheidsgedrag, hartkloppen, blozen, trillen, zweten, angstige automatische
gedachtes.
1
,Beperkingen van classificatie?
Er bestaat overlap tussen stoornissen (bijv. iemand met een angststoornis heeft ook een hoge kans op
een depressie diagnose, maar ook andersom is de kans hoger).
De DSM verandert mee, maar dat is logisch, de wetenschap beweegt namelijk ook mee. De
wetenschap heeft veel te bieden.
Bij het opstellen van een diagnose:
o we moeten afkomen van politieke/morele en financiële invloeden
o hoe willen wij internationaal over psychopathologie communiceren?
o we komen niet uit zonder categorieën
o het kind niet met het badwater weggooien
o DSM zal blijven ontwikkelen als diagnostisch instrument en als kapstok voor professionele
communicatie
Kritiek op de DSM
Alternatieven:
1. Transdiagnostische persoonlijkheidsdimensies (Krueger & Markon, 2006)
Externalisatie:
o Heterogene mix van trekken, gedragingen en stoornissen
o Extreme beloningsgevoeligheid
o Hostiliteit en reactieve agressie
o Lage impulscontrole
Transdiagnostische dimensies van persoonlijkheid
o Er zijn dimensies die stoornissen overstijgen.
o Sterk verankerd in persoonlijkheidstheorieën (en dus de psychologie).
2
,2. Netwerktheorie van psychopathologie (Jones et al., 2017)
o Latente variabelen zoals externalisatie
zijn niet nodig.
o Patroon van samenhang van
observeerbare symptomen.
o Niveau van netwerkactivatie gelinkt aan
psychologisch.
3. Cognitieve neuropsychologie (Blair, 2003)
o Relatie tussen symptomen, brein en cognitie
o Dezelfde cognitieve afwijkingen bij meerdere stoornissen
o Niet verankerd in de persoonlijkheidsleer.
3
, Er zijn nog meer alternatieven: Big-5, alternatief model & HiTOP o.a.
Hoorcollege 2: Angst bij kinderen en jongeren
Dimensionele visie: belangrijk in de klinische ontwikkelingspsychologie.
Gedrag bevindt zich op een continuum: sommigen neigen meer naar maladaptieve gedragingen of
adaptieve gedragingen, maar kwalitatief zijn niet mensen niet heel verschillend.
Angst is een emotie, alle emoties zijn adaptief dus angst ook. Waarom is het adaptief?
Het attendeert en helpt ons in gevaarlijke situaties waarbij we alerter worden, en houdt ons zo dus ook
in leven.
Angst uit zich:
o Cognitief: ‘ik ben in gevaar’
o Gedragsmatig: wegrennen, vechten, beven.
o Fysiologisch: hartslag, zweten.
o Emotioneel: huilen.
Wanneer wordt angst dan maladaptief, dus een probleem?
1. Leeftijdsinadequaat (dus bijv. al heel vroeg nadenken over grote wereldproblemen)
o Om te bepalen of iets pathologisch is, moeten we het aftoetsen tegen de normale ontwikkeling
o Afhankelijk van sociaal cognitief ontwikkelingsniveau (als hersenen nog niet klaar zijn om over
abstracte dingen na te denken, zullen ze daar ook niet zo snel angstig voor zijn)
o Gelijkaardig verloop als bij normale angsten
- van specifiek in vroege kindertijd naar meer abstract en complex
2. Extreem intens, buitenproportioneel: dit is ook een kenmerk van maladaptieve angst.
hierbij rekening houden met de context.
3. Verlengde reactie op iets angstaanjagends, traag/onvoldoende ‘herstel’
4. Interferentie met dagelijks functioneren lijden + impairment, wat zich uit in: sociale relaties,
school , ‘ontwikkelingstaken’ worden gemist, vaak vermijding.
Impairment kan ook het functioneren van de ouders beïnvloeden. die moeten we ook meenemen,
kijken naar de broertjes/zusjes, worden die ook gestoord in hun ontwikkeling?
5. Beoordeling door een clinicus/diagnosticus
Type diagnoses:
Beschrijvende diagnoses classificatie
o Categorische visie : DSM/ICD
o Dimensionele visie : ASEBA systeem (categorie met bijbehorende benadering/behandeling)
o Richtlijn psychiatrische diagnose
Verklarende diagnoses we zien een bepaald gedrag, maar waar komt dat vandaan?
o Gebaseerd op etiologische factoren
o Bv. holistische theorie
Voorbeeld: Separatieangst; dat is de label dus de beschrijvende diagnose. maar waar dat gedrag
vandaan komt, om dat te kunnen verklaren en de verklarende diagnose te kunnen krijgen, kunnen we
een holistische theorie opstellen.
4