Ik ga leven – SAMENVATTING
1
Büsra, de hoofdpersoon (tevens de auteur), loopt het huis van haar oma binnen en ruikt meteen een
vieze lucht. Ze kent die lucht goed, en heeft geprobeerd om het te verbergen met luchtverfrissers,
maar dat helpt niet. Haar oma is te zwaar en heeft veel gezondheidsproblemen, waardoor ze niet
makkelijk kan bewegen. Ze let ook niet op haar gezondheid en eet te veel zoete dingen. Ze is
ongeschoold en heeft een beperkte woordenschat, waardoor ze moeilijk aan activiteiten, vooral
buiten de deur, kan ondernemen. Ze “…kan haar tijd niet verdrijven met dingen die andere,
geletterde oma’s doen: lezen, het nieuws volgen, überhaupt iets van programma’s en documentaires
begrijpen, of sudokuen. Verder spreekt ze Turks op boerenniveau, ze is geen dag naar school geweest
en beschikt daardoor over een uiterst pover vocabulaire en een nogal nauwe horizon, zodat ze de
moderne Turkse tv ook niet echt kan volgen.”
De afwezigheid van Büsra leidt er vaak toe dat ze zich rusteloos en verveeld voelt.
Niet alleen haar oma is ongeletterd, ook haar ouders hebben weinig scholing gehad. ze kwamen als
goed als analfabeet naar Nederland. Hoewel haar ouders enige vooruitgang hebben geboekt in
Nederland, op diverse vlakken is hun kennisniveau echt nog onvoldoende. Daarnaast kijken haar
ouders (net als anderen uit hun gemeenschap) alleen naar Turkse media. Deze media zijn erg
partijdig en vol met propaganda, waardoor ze een vertekende beeld van de wereld krijgen. Soms
geven de media wel correct algemeen nieuws en politieke dingen door, maar ze geven er hun eigen
draai aan en maken het erger dan het is voor een dramatisch effect. Alles en alle tijden op de Turkse
media droegen bij aan het idee dat: “De loopgraven werden dieper, de vijanden zouden elkaar straks
niet meer in de ogen kunnen kijken, laat staan spreken.”
De recente bekering van Joram van Klaveren, een voormalig lid van de extreemrechtse partij PVV, tot
de Islam heeft voor opschudding gezorgd. De moslimgemeenschap ziet hem als een nieuwe mascotte
en een versterking van hun religieuze overtuigingen. Büsra is aan het nadenken over de
bevooroordeelde verslaggeving die ze heeft gezien, zoals een interview waarin een man de aanval op
Charlie Hebdo verdedigde. “Het leveren van kritiek is een kwestie van beschaving, en niet het opeisen
van fatsoen. Fatsoen is voor kannibalen die satire bedrijvende mensen opeten met tafelmanieren.”
Turkse media verdraaien de feiten zo erg dat mensen denken dat Nederland hen discrimineert. Ze
beweren dat Nederland Turken slechter behandelt en zelfs opzettelijk schade toebrengt. Zo zouden
Nederlandse dokters verkeerde diagnoses stellen of de ernst van hun ziekte niet inzien, waardoor
sommigen zelfs overleden zijn. Daarom zoeken Turken bijvoorbeeld medische hulp in Turkije: “De
andere geïnterviewden met een plopkap onder de neus meldden dat ze het prettiger vonden in eigen
land onder het mes te liggen, omdat ze verontrust waren over het als kool groeiende racisme, de haat
en xenofobie in Nederland, sentimenten die wellicht ook in de borstkassen van hun artsen hun beloop
hadden gehad.”
Oma is niet zoals haar ouders; ze lijkt meer op haar en denkt opener. Maar ze kan niet lezen of
schrijven en haar leven was zwaar, waardoor ze waarschijnlijk geen ander leven kon leiden of zich
,volledig kon ontplooien: “Oma heeft veel misère doorstaan, dat ze nog niet in de mallemolen zit is
een godsmirakel, de goden hadden het immers dik laten afweten tijdens haar levenswandel. Een
uiterst armoedige jeugd als wees met een kwijnend zieke, afhankelijke vader, uithuwelijking op haar
twaalfde aan haar neef, meervoudige verkrachting en mishandeling binnen het huwelijk,
onvergelijkelijk huiselijk geweld, het moederschap op haar dertiende, een partner die al z’n kapitaal
aan gokken verkwistte en zich ontpopte als brute, onberekenbare schurk die regelmatig last had van
een kwade dronk en die meerdere van hun kinderen heeft vermoord of ernstig mishandeld (onder wie
Vader) en oom Bahattin voor de rest van zijn leven gehandicapt heeft gemaakt door de zware en
talrijke afranselingen, zich vervolgens scheidde van Oma, eenmaal in Nederland aanbeland”. Haar
oplossing was een “consequente apathie, die is radicaler dan zelfmoord. Door ons het vermogen tot
onverschilligheid te geven, heeft het leven ons zijn genade geschonken. Ze hield gepaste afstand van
elk sluimerend vonkje enthousiasme. Onverschilligheid is zelfbescherming ten koste van de ander.”
2
Büsra/Lila heeft een hechte band met haar oma, die zich niet aan de Turkse regels houdt en het altijd
voor haar opneemt. Haar moeder vindt het belangrijk om zelf je eigen problemen op te lossen en
geduldig te zijn, “je kruist moet dragen” omdat het uiteindelijk de wil van Allah is. Maar als haar oma
het moeilijk heeft door de pijn en haar leven, kan het haar niet schelen wat de religie zegt. Büsra
begrijpt die religieuze ideeën ook niet, zelfs nu, dat ouder is, niet.
De oma heeft een hekel ook aan alle religieuze praktijken en vermijdt om eraan deel te nemen, wat
haar moeder boos maakt. Büsra observeert de spanning tussen de twee en voelt de groeiende
opstandigheid van de oma. Aan de andere kant draagt haar oma haar hoofdoek altijd (behalve bij
douchen), ook wanneer het niet zou hoeven volgens de religie. Ze concludeert dat: “veel zaken in de
praktijk zijn meer cultuurgebonden dan zoals het in de Heilige Schrift gegraveerd staat; de doctrine
die me is onderwezen past merkwaardig genoeg niet bij de levenswandel van de moslims die me
omringen, iets wat ik lastig kon omvatten in mijn tienerjaren. Nu weet ik dat hypocrisie en
discrepantie gewoon een onontbeerlijk onderdeel zijn van het pieuze leven.”
Ze ziet verschillende tegenstrijdigheden en inconsistenties binnen hun religieuze gemeenschap. Ze
benadrukt hoe mensen zich bezighouden met activiteiten die tegen de religieuze leer ingaan, zoals
het afsluiten van leningen met rente of het aangaan van extravagante bruiloften. Ze ziet steeds weer
dat mensen zich niet aan de regels van hun geloof houden, vooral met betrekking tot het gebed:
mannen, vooral, bidden niet 5 maal per dag. Onbegrijpelijk is het streven tussen de moslims in haar
gemeenschap naar luxe en materialisme, waaronder dure kleding en accessoires, ondanks de lage
inkomens, evenals de obsessie met zonnebanken (terwijl ze geen stuk huid kunnen laten zien). En
nog het luisteren en houden van drillrap zoals die van Boef en Lijpe, die een agressief, promiscue,
crimineel en nihilistisch bestaan prediken, maar dan “samengebracht met speerpunten uit de
geloofsleer, dat is al helemaal een giftige melange die mijn bevattingsvermogen te boven gaat,
aangezien de leer überhaupt muziek verbiedt.
…
Dat ons geloof, waar de meesten van hen de mond van vol hebben, niet verenigbaar is met zo’n
profane, materiële en oppervlakkige hiphopcultuur, lijken ze op de een of andere manier niet in te
zien. Het zijn net katholieken die gereformeerde speerpunten prediken.”
Het valt haar vaak op hoe makkelijk en oneerlijk sommige dingen gaan, terwijl de Koranschool juist
heel streng is. Daar werden zelfs fysieke straffen gebruikt als vorm van discipline.
,Haar ouders denken ook dat mensen bang moeten zijn en goed gestraft moeten worden om netjes te
leven. Daarom maakt ze zich zorgen om haar zusje, omdat ze van haar ouders naar zo'n school moet.
Daar leer je niet zelf na te denken en krijg je geen les in wetenschap. “De Koranschool is een instantie
die er puur op ingericht is om waarheidsvinding te frustreren, zonder aandacht voor de wetenschap
en de rede.”
Zelf kon ze zich er wel van losmaken, maar ze weet dat dit niet voor iedereen geldt. Toch vindt ze dat
iedereen zelf moet kunnen beslissen wat hij of zij met zijn leven doet.
Defne, haar zus, zal constant blootgesteld worden aan indoctrinatie en zal steeds lastiger voor haar
worden om zelf te kiezen en een eerlijk beeld van het leven en de wereld te krijgen. Maar de moeder
is stellig en standvastig. Ze waren onder “dwang van de potentaat Karbonkel, die ik ook wel Moeder
noem; de belichaming van het kwaad, de tiran van dit nest, een virus waartegen geen kruid
gewassen is, een vrouw die tot haar kruin is gevuld met haat en wrok jegens mij, de aanstichter van
alle molest en de oorzaak van mijn tragedie.”
Büsra, zoals haar broer Hailil, moest elke weekend op de Koranschool van de stichting Milli Görüş,
van haar zesde tot haar zeventiende. Echter was de laatste jaren mogelijk om in zo een Koranschool
te zitten het hele week, als een internaat: “onverstoord en gestaag in dienst van de Schepper, maar
Vader zette er, hoewel weifelend, toch een voet voor. Kinderen mochten ook wel hun kindertijd
beleven, vond hij. En zo’n internaat was best duur. Nu Moeder ziet wat er van Halil en mij geworden
is na elf jaar op de weekendschool, veel te vrijdenkende en niet zulke compromisloze
godheidvereerders als zijzelf, zit ze steeds vaker hardop te peinzen over een mogelijke transfer naar
een internaat voor Defne; ijzer moet men immers smeden als het heet is. Ze wilde geen derde offer
brengen aan het altaar van de Verlichting en het veelkoppige monster genaamd individualisme.”
Büsra voelt zich erg verantwoordelijk voor Defne, omdat ze voor haar zorgt als een moeder en haar
beschermt tegen de problemen die ze in haar jeugd heeft gehad. Ze wil voorkomen dat Defne
dezelfde zware tijd doormaakt, door haar te laten zien dat ze in de huidige maatschappij alles kan
bereiken. Maar ze kan haar maar tot op zekere hoogte helpen, want uiteindelijk beslissen Defne's
ouders over haar.
3
Büsra ergert zich aan de obsessie van haar moeder voor netheid en de verwachting van haar moeder
dat ze hetzelfde zou doen. Ze heeft een hekel aan het strenge schoonmaakregime en het verlangen
naar conformiteit van haar moeder: “alles moest op ieder moment maagdelijk schoon zijn. Turkse
huismoeders zijn immers geobsedeerd; ze boenen alsof je in staat moet zijn om van de vloer te
kunnen eten, in de vrees dat er iemand onaangekondigd langskomt. Ik heb met grote regelmaat
gegromd en gekibbeld over die excessieve smetvrees, maar heb me uiteindelijk – zoals met meer
aangelegenheden waar we, op z’n zachtst gezegd, onenigheid over hebben – neergelegd bij haar
regime: een smetteloos huis…. Ga jij dit later ook in je eigen huis doen als je getrouwd bent? Je man
scheidt direct van je!’ zei ze”
Vorige zomer snapte Büsra niet waarom haar moeder zo graag het huis wilde poetsen voordat ze
naar Turkije gingen. Ze vroeg zich af waarom en kwam erachter dat haar moeder bang was dat
mensen zouden oordelen als hun huis vies was, mocht er iets gebeuren. De auteur ziet nu in dat haar
ruzies met haar moeder komen doordat haar moeder graag wil voldoen aan wat de maatschappij
verwacht en bang is voor een slechte reputatie. Zijzelf geeft juist niks om wat anderen denken en
, haar moeder snapt dat niet. Ze noemt haar “emotioneel opvliegerige Karbonkel, … ook wel
Droogstoppel”.
[Batavus Droogstoppel is een personage in het boek Max Havelaar van Multatuli. Hij is een
overdreven beeld van een typisch Nederlandse zakenman die totaal niet weet wat er in Nederlands-
Indië speelt. Droogstoppel denkt dat het normaal is dat hij een goed leven heeft. Hij vindt dat hij zich
goed gedraagt en naar de kerk gaat, en daarom beloont God hem.
Karbonkel was waar veel kinderen op de basisschool bang voor waren: de gemenerik uit het
kinderprogramma 'Ik Mik Loreland' is voor kinderen uit de jaren 90 een enge held geworden.
Sommige kinderen waren zo bang voor dit tv-figuur dat ze er een trauma aan overhielden, waardoor
hij na het eerste seizoen niet meer in de serie te zien was.]
4
Büsra woont bij haar oma wegens plaatsgebrek bij zijn ouders thuis. Ze deelde een kamer met haar
broer en zus, maar kon niet studeren of privacy hebben. Het gebrek aan ruimte, dat ook andere in
haar omgeving ervaren, leidt ertoe dat veel jongeren tijd buiten doorbrengen, maar meisjes kunnen
niet. Ze vindt het frustrerend.
De enige toegestaan sociale gelegenheid voor haar is met andere vrouwen zijn in haar omgeving.
Haar voorkeur ligt juist bij zichzelf zijn en heeft moeite om met de vrouwen kring uit haar religieuze
gemeenschap en hun triviale gesprekken moeten bijwonen. Ze bekritiseert het gebrek aan
intellectueel en cultureel bewustzijn in haar sociale kring en de verwachting om zich te conformeren.
Ze voelt zich een buitenstaander in haar eigen omgeving.
Het wonen bij haar oma helpt haar te ontsnappen aan de constante stroom bezoekers in het huis van
haar ouders. De moeder verwacht nog steeds dat ze gasten ontvangt in het huis ook nu dat ze bij
haar oma woont, die trouwens ook niet van bezoek houdt. Haar broer, Halil, zou aanvankelijk bij oma
wonen, maar ze overtuigde hun ouders ervan dat Halil toezicht nodig had vanwege zijn slechte
cijfers. Ze is vastbesloten om haar vrijheid en haar territorium in het huis van haar oma te
beschermen. “… al met al is Oma’s woning mijn van ideologische kortzichtigheid gevrijwaarde
kaveltje waar ik mijn hut het liefst heb staan. Het is de enige verzachtende omstandigheid, samen
met Oma, waardoor ik het leven met mijn verwekkers [zo noemt ze haar ouders in het boek] nog
uithoud.”
Dat komt door het feit dat ze een zeer beperkte levensstijl heeft onder het toeziend oog van haar
ouders, vooral haar tirannieke moeder. Ze vindt enige opluchting als ze weg is van het directe zicht
van haar ouders, vooral omdat ze steeds wordt geconfronteerd met beperkingen en dreigingen van
een gedwongen huwelijk. Maar dat is niet de enige lastige druk op haar. Ze beschrijft de moeite die
ze doet om haar niet gepaste (volgens de moslim leer) kleding en make up te verbergen wanneer ze
weggaat en weer thuiskomt. Ze moet de strenge regels van haar moeder over kleding en uiterlijk, die
ze als onderdrukkend ervaart, volgen. Ze is boos over de religieuze rechtvaardigingen die haar
moeder inzet om haar gedrag te reguleren en over de druk op haar om zich aan te passen aan de
maatschappelijke normen voor deugdzaamheid binnen haar gemeenschap.
Ze moet zorgen dat haar kleding alle ronde vormen verdoezelen, “geen pluk haar uit mijn hoofddoek
laten hangen of mijn doek van achteren fixen in een tulbandvorm, waardoor mijn hals vrijkomt.
1
Büsra, de hoofdpersoon (tevens de auteur), loopt het huis van haar oma binnen en ruikt meteen een
vieze lucht. Ze kent die lucht goed, en heeft geprobeerd om het te verbergen met luchtverfrissers,
maar dat helpt niet. Haar oma is te zwaar en heeft veel gezondheidsproblemen, waardoor ze niet
makkelijk kan bewegen. Ze let ook niet op haar gezondheid en eet te veel zoete dingen. Ze is
ongeschoold en heeft een beperkte woordenschat, waardoor ze moeilijk aan activiteiten, vooral
buiten de deur, kan ondernemen. Ze “…kan haar tijd niet verdrijven met dingen die andere,
geletterde oma’s doen: lezen, het nieuws volgen, überhaupt iets van programma’s en documentaires
begrijpen, of sudokuen. Verder spreekt ze Turks op boerenniveau, ze is geen dag naar school geweest
en beschikt daardoor over een uiterst pover vocabulaire en een nogal nauwe horizon, zodat ze de
moderne Turkse tv ook niet echt kan volgen.”
De afwezigheid van Büsra leidt er vaak toe dat ze zich rusteloos en verveeld voelt.
Niet alleen haar oma is ongeletterd, ook haar ouders hebben weinig scholing gehad. ze kwamen als
goed als analfabeet naar Nederland. Hoewel haar ouders enige vooruitgang hebben geboekt in
Nederland, op diverse vlakken is hun kennisniveau echt nog onvoldoende. Daarnaast kijken haar
ouders (net als anderen uit hun gemeenschap) alleen naar Turkse media. Deze media zijn erg
partijdig en vol met propaganda, waardoor ze een vertekende beeld van de wereld krijgen. Soms
geven de media wel correct algemeen nieuws en politieke dingen door, maar ze geven er hun eigen
draai aan en maken het erger dan het is voor een dramatisch effect. Alles en alle tijden op de Turkse
media droegen bij aan het idee dat: “De loopgraven werden dieper, de vijanden zouden elkaar straks
niet meer in de ogen kunnen kijken, laat staan spreken.”
De recente bekering van Joram van Klaveren, een voormalig lid van de extreemrechtse partij PVV, tot
de Islam heeft voor opschudding gezorgd. De moslimgemeenschap ziet hem als een nieuwe mascotte
en een versterking van hun religieuze overtuigingen. Büsra is aan het nadenken over de
bevooroordeelde verslaggeving die ze heeft gezien, zoals een interview waarin een man de aanval op
Charlie Hebdo verdedigde. “Het leveren van kritiek is een kwestie van beschaving, en niet het opeisen
van fatsoen. Fatsoen is voor kannibalen die satire bedrijvende mensen opeten met tafelmanieren.”
Turkse media verdraaien de feiten zo erg dat mensen denken dat Nederland hen discrimineert. Ze
beweren dat Nederland Turken slechter behandelt en zelfs opzettelijk schade toebrengt. Zo zouden
Nederlandse dokters verkeerde diagnoses stellen of de ernst van hun ziekte niet inzien, waardoor
sommigen zelfs overleden zijn. Daarom zoeken Turken bijvoorbeeld medische hulp in Turkije: “De
andere geïnterviewden met een plopkap onder de neus meldden dat ze het prettiger vonden in eigen
land onder het mes te liggen, omdat ze verontrust waren over het als kool groeiende racisme, de haat
en xenofobie in Nederland, sentimenten die wellicht ook in de borstkassen van hun artsen hun beloop
hadden gehad.”
Oma is niet zoals haar ouders; ze lijkt meer op haar en denkt opener. Maar ze kan niet lezen of
schrijven en haar leven was zwaar, waardoor ze waarschijnlijk geen ander leven kon leiden of zich
,volledig kon ontplooien: “Oma heeft veel misère doorstaan, dat ze nog niet in de mallemolen zit is
een godsmirakel, de goden hadden het immers dik laten afweten tijdens haar levenswandel. Een
uiterst armoedige jeugd als wees met een kwijnend zieke, afhankelijke vader, uithuwelijking op haar
twaalfde aan haar neef, meervoudige verkrachting en mishandeling binnen het huwelijk,
onvergelijkelijk huiselijk geweld, het moederschap op haar dertiende, een partner die al z’n kapitaal
aan gokken verkwistte en zich ontpopte als brute, onberekenbare schurk die regelmatig last had van
een kwade dronk en die meerdere van hun kinderen heeft vermoord of ernstig mishandeld (onder wie
Vader) en oom Bahattin voor de rest van zijn leven gehandicapt heeft gemaakt door de zware en
talrijke afranselingen, zich vervolgens scheidde van Oma, eenmaal in Nederland aanbeland”. Haar
oplossing was een “consequente apathie, die is radicaler dan zelfmoord. Door ons het vermogen tot
onverschilligheid te geven, heeft het leven ons zijn genade geschonken. Ze hield gepaste afstand van
elk sluimerend vonkje enthousiasme. Onverschilligheid is zelfbescherming ten koste van de ander.”
2
Büsra/Lila heeft een hechte band met haar oma, die zich niet aan de Turkse regels houdt en het altijd
voor haar opneemt. Haar moeder vindt het belangrijk om zelf je eigen problemen op te lossen en
geduldig te zijn, “je kruist moet dragen” omdat het uiteindelijk de wil van Allah is. Maar als haar oma
het moeilijk heeft door de pijn en haar leven, kan het haar niet schelen wat de religie zegt. Büsra
begrijpt die religieuze ideeën ook niet, zelfs nu, dat ouder is, niet.
De oma heeft een hekel ook aan alle religieuze praktijken en vermijdt om eraan deel te nemen, wat
haar moeder boos maakt. Büsra observeert de spanning tussen de twee en voelt de groeiende
opstandigheid van de oma. Aan de andere kant draagt haar oma haar hoofdoek altijd (behalve bij
douchen), ook wanneer het niet zou hoeven volgens de religie. Ze concludeert dat: “veel zaken in de
praktijk zijn meer cultuurgebonden dan zoals het in de Heilige Schrift gegraveerd staat; de doctrine
die me is onderwezen past merkwaardig genoeg niet bij de levenswandel van de moslims die me
omringen, iets wat ik lastig kon omvatten in mijn tienerjaren. Nu weet ik dat hypocrisie en
discrepantie gewoon een onontbeerlijk onderdeel zijn van het pieuze leven.”
Ze ziet verschillende tegenstrijdigheden en inconsistenties binnen hun religieuze gemeenschap. Ze
benadrukt hoe mensen zich bezighouden met activiteiten die tegen de religieuze leer ingaan, zoals
het afsluiten van leningen met rente of het aangaan van extravagante bruiloften. Ze ziet steeds weer
dat mensen zich niet aan de regels van hun geloof houden, vooral met betrekking tot het gebed:
mannen, vooral, bidden niet 5 maal per dag. Onbegrijpelijk is het streven tussen de moslims in haar
gemeenschap naar luxe en materialisme, waaronder dure kleding en accessoires, ondanks de lage
inkomens, evenals de obsessie met zonnebanken (terwijl ze geen stuk huid kunnen laten zien). En
nog het luisteren en houden van drillrap zoals die van Boef en Lijpe, die een agressief, promiscue,
crimineel en nihilistisch bestaan prediken, maar dan “samengebracht met speerpunten uit de
geloofsleer, dat is al helemaal een giftige melange die mijn bevattingsvermogen te boven gaat,
aangezien de leer überhaupt muziek verbiedt.
…
Dat ons geloof, waar de meesten van hen de mond van vol hebben, niet verenigbaar is met zo’n
profane, materiële en oppervlakkige hiphopcultuur, lijken ze op de een of andere manier niet in te
zien. Het zijn net katholieken die gereformeerde speerpunten prediken.”
Het valt haar vaak op hoe makkelijk en oneerlijk sommige dingen gaan, terwijl de Koranschool juist
heel streng is. Daar werden zelfs fysieke straffen gebruikt als vorm van discipline.
,Haar ouders denken ook dat mensen bang moeten zijn en goed gestraft moeten worden om netjes te
leven. Daarom maakt ze zich zorgen om haar zusje, omdat ze van haar ouders naar zo'n school moet.
Daar leer je niet zelf na te denken en krijg je geen les in wetenschap. “De Koranschool is een instantie
die er puur op ingericht is om waarheidsvinding te frustreren, zonder aandacht voor de wetenschap
en de rede.”
Zelf kon ze zich er wel van losmaken, maar ze weet dat dit niet voor iedereen geldt. Toch vindt ze dat
iedereen zelf moet kunnen beslissen wat hij of zij met zijn leven doet.
Defne, haar zus, zal constant blootgesteld worden aan indoctrinatie en zal steeds lastiger voor haar
worden om zelf te kiezen en een eerlijk beeld van het leven en de wereld te krijgen. Maar de moeder
is stellig en standvastig. Ze waren onder “dwang van de potentaat Karbonkel, die ik ook wel Moeder
noem; de belichaming van het kwaad, de tiran van dit nest, een virus waartegen geen kruid
gewassen is, een vrouw die tot haar kruin is gevuld met haat en wrok jegens mij, de aanstichter van
alle molest en de oorzaak van mijn tragedie.”
Büsra, zoals haar broer Hailil, moest elke weekend op de Koranschool van de stichting Milli Görüş,
van haar zesde tot haar zeventiende. Echter was de laatste jaren mogelijk om in zo een Koranschool
te zitten het hele week, als een internaat: “onverstoord en gestaag in dienst van de Schepper, maar
Vader zette er, hoewel weifelend, toch een voet voor. Kinderen mochten ook wel hun kindertijd
beleven, vond hij. En zo’n internaat was best duur. Nu Moeder ziet wat er van Halil en mij geworden
is na elf jaar op de weekendschool, veel te vrijdenkende en niet zulke compromisloze
godheidvereerders als zijzelf, zit ze steeds vaker hardop te peinzen over een mogelijke transfer naar
een internaat voor Defne; ijzer moet men immers smeden als het heet is. Ze wilde geen derde offer
brengen aan het altaar van de Verlichting en het veelkoppige monster genaamd individualisme.”
Büsra voelt zich erg verantwoordelijk voor Defne, omdat ze voor haar zorgt als een moeder en haar
beschermt tegen de problemen die ze in haar jeugd heeft gehad. Ze wil voorkomen dat Defne
dezelfde zware tijd doormaakt, door haar te laten zien dat ze in de huidige maatschappij alles kan
bereiken. Maar ze kan haar maar tot op zekere hoogte helpen, want uiteindelijk beslissen Defne's
ouders over haar.
3
Büsra ergert zich aan de obsessie van haar moeder voor netheid en de verwachting van haar moeder
dat ze hetzelfde zou doen. Ze heeft een hekel aan het strenge schoonmaakregime en het verlangen
naar conformiteit van haar moeder: “alles moest op ieder moment maagdelijk schoon zijn. Turkse
huismoeders zijn immers geobsedeerd; ze boenen alsof je in staat moet zijn om van de vloer te
kunnen eten, in de vrees dat er iemand onaangekondigd langskomt. Ik heb met grote regelmaat
gegromd en gekibbeld over die excessieve smetvrees, maar heb me uiteindelijk – zoals met meer
aangelegenheden waar we, op z’n zachtst gezegd, onenigheid over hebben – neergelegd bij haar
regime: een smetteloos huis…. Ga jij dit later ook in je eigen huis doen als je getrouwd bent? Je man
scheidt direct van je!’ zei ze”
Vorige zomer snapte Büsra niet waarom haar moeder zo graag het huis wilde poetsen voordat ze
naar Turkije gingen. Ze vroeg zich af waarom en kwam erachter dat haar moeder bang was dat
mensen zouden oordelen als hun huis vies was, mocht er iets gebeuren. De auteur ziet nu in dat haar
ruzies met haar moeder komen doordat haar moeder graag wil voldoen aan wat de maatschappij
verwacht en bang is voor een slechte reputatie. Zijzelf geeft juist niks om wat anderen denken en
, haar moeder snapt dat niet. Ze noemt haar “emotioneel opvliegerige Karbonkel, … ook wel
Droogstoppel”.
[Batavus Droogstoppel is een personage in het boek Max Havelaar van Multatuli. Hij is een
overdreven beeld van een typisch Nederlandse zakenman die totaal niet weet wat er in Nederlands-
Indië speelt. Droogstoppel denkt dat het normaal is dat hij een goed leven heeft. Hij vindt dat hij zich
goed gedraagt en naar de kerk gaat, en daarom beloont God hem.
Karbonkel was waar veel kinderen op de basisschool bang voor waren: de gemenerik uit het
kinderprogramma 'Ik Mik Loreland' is voor kinderen uit de jaren 90 een enge held geworden.
Sommige kinderen waren zo bang voor dit tv-figuur dat ze er een trauma aan overhielden, waardoor
hij na het eerste seizoen niet meer in de serie te zien was.]
4
Büsra woont bij haar oma wegens plaatsgebrek bij zijn ouders thuis. Ze deelde een kamer met haar
broer en zus, maar kon niet studeren of privacy hebben. Het gebrek aan ruimte, dat ook andere in
haar omgeving ervaren, leidt ertoe dat veel jongeren tijd buiten doorbrengen, maar meisjes kunnen
niet. Ze vindt het frustrerend.
De enige toegestaan sociale gelegenheid voor haar is met andere vrouwen zijn in haar omgeving.
Haar voorkeur ligt juist bij zichzelf zijn en heeft moeite om met de vrouwen kring uit haar religieuze
gemeenschap en hun triviale gesprekken moeten bijwonen. Ze bekritiseert het gebrek aan
intellectueel en cultureel bewustzijn in haar sociale kring en de verwachting om zich te conformeren.
Ze voelt zich een buitenstaander in haar eigen omgeving.
Het wonen bij haar oma helpt haar te ontsnappen aan de constante stroom bezoekers in het huis van
haar ouders. De moeder verwacht nog steeds dat ze gasten ontvangt in het huis ook nu dat ze bij
haar oma woont, die trouwens ook niet van bezoek houdt. Haar broer, Halil, zou aanvankelijk bij oma
wonen, maar ze overtuigde hun ouders ervan dat Halil toezicht nodig had vanwege zijn slechte
cijfers. Ze is vastbesloten om haar vrijheid en haar territorium in het huis van haar oma te
beschermen. “… al met al is Oma’s woning mijn van ideologische kortzichtigheid gevrijwaarde
kaveltje waar ik mijn hut het liefst heb staan. Het is de enige verzachtende omstandigheid, samen
met Oma, waardoor ik het leven met mijn verwekkers [zo noemt ze haar ouders in het boek] nog
uithoud.”
Dat komt door het feit dat ze een zeer beperkte levensstijl heeft onder het toeziend oog van haar
ouders, vooral haar tirannieke moeder. Ze vindt enige opluchting als ze weg is van het directe zicht
van haar ouders, vooral omdat ze steeds wordt geconfronteerd met beperkingen en dreigingen van
een gedwongen huwelijk. Maar dat is niet de enige lastige druk op haar. Ze beschrijft de moeite die
ze doet om haar niet gepaste (volgens de moslim leer) kleding en make up te verbergen wanneer ze
weggaat en weer thuiskomt. Ze moet de strenge regels van haar moeder over kleding en uiterlijk, die
ze als onderdrukkend ervaart, volgen. Ze is boos over de religieuze rechtvaardigingen die haar
moeder inzet om haar gedrag te reguleren en over de druk op haar om zich aan te passen aan de
maatschappelijke normen voor deugdzaamheid binnen haar gemeenschap.
Ze moet zorgen dat haar kleding alle ronde vormen verdoezelen, “geen pluk haar uit mijn hoofddoek
laten hangen of mijn doek van achteren fixen in een tulbandvorm, waardoor mijn hals vrijkomt.