Samenvatting per leerdoel
De studenten krijgen tijdens de toets at random de opdracht om voor een specifiek vak
een les te ontwerpen. Afhankelijk van welk vak de student een lesontwerp moet maken zal
desbetreffend doel (en daarmee ook het scoringspercentage) gaan tellen. Van doel 4 telt
dus 1 doel (10 % ) mee voor de toetsing
1. Je ontwerpt een les volgens de principes van Ontwerpen van Onderwijs en
waarin je rekening houdt met de 20 aspecten van onderwijs.
1 kennis/toepas vraag → 50%
, 2. Je ontwerpt een instructieles waarin de stappen van het ADI-model terugkomen
en deze gecombineerd worden met de principes van Ontwerpen van Onderwijs
1 kennis/toepas vraag → 20%
Instructie
Instructie is het overdragen van kennis of vaardigheden. Meestal is een instructie leraar gestuurd.
De accent ligt daarom op leerinhoud in plaats van op de leerling, maar de leerling kan zeker actief
zijn binnen de instructie! Toegenomen betrokkenheid heeft invloed op de rol van de leraar.
Directe instructiemodellen
- Manier van stap-voor-stap lesgeven waarbij leraar
uitlegt en voordoet (modellen) en de leerlingen samen
en alleen verder oefenen.
- Heeft een positief effect op de leerresultaten, zeker bij
kinderen met een leerachterstand.
- Geschikt voor het aanleren van nieuwe vaardigheden (in
combinatie met nieuwe kennis) die je volgens een vast
stappenplan kunt bereiken.
Niet altijd toepassen, kinderen worden afhankelijk van de
leerkracht. Kinderen kunnen niet meer zelf dingen doen.
ADI-model = Activerende Directe Instructie Model
- Terugblik
- Oriëntatie
- Instructie
- Begeleide inoefening
- Zelfstandig inoefening
- Evaluatie
- Terug- en vooruitblik
Kinderen bij alle stappen actief mee laten doen.
Fasen ADI-model
1. Terugblik
De les begint vanuit de leefwereld. Soms heb je methodes die beginnen met terugblik dus
mag daarna maar liever daarvoor.
Wat moeten de kinderen kunnen om deze les te maken? Wat was het vorige lesdoel?
Haal de benodigde voorkennis op en vat deze samen.
Laat kinderen in tweetallen en groepjes hun voorkennis activeren.
Stel als het nodig is, de voorkennis opnieuw aan de orde.
2. Oriëntatie
Je gaat vooruit kijken. Je gaat vertellen dit is waar het vandaag over gaat. De vorige keer
hebben we dit geleerd en nu gaan we dit doen.
Handig om uit te leggen wat ze er later aan hebben. Relateer het dus aan betekenisvolle
situaties.
Geef een lesoverzicht. Eerst ga ik het uitleggen, daarna ga je het samen doen en daarna
ga je zelf even aan de gang.
3. Uitleg
Als je uitlegt gaat het over doodsimpele dingen die we toch vergeten