Moeilijkheden pedagogiek 1
Begrippen:
Cohort -> een groep mensen met hetzelfde geboortejaar
Cohorteffect -> de invloed die specifieke tijdgebonden maatschappelijke gebeurtenissen op een cohort
kunnen hebben
Behaviorisme -> (= leertheorie) een stroming in de psychologie die het gedrag van de mensen ziet als
het resultaat van leerprocessen – theorie die zich richt op observeerbaar gedrag en de rol van
beloning
Dysmaturiteit -> als het geboortegewicht lager ligt dan men op grond van de zwangerschapsduur
verwacht
Zelfbeeld/Zelfconcept -> totaal aan indrukken, ideeën en waarnemen over het eigen ‘ik’ dat in de loop
van de ontwikkeling geleidelijk vorm krijgt.
Zelfbesef -> het bewustzijn van het ‘zelf’ als eenheid en het besef dat die eenheid los gezien moet
worden van de omgeving
Competentie -> de wil om grip te krijgen op de omgeving
Empathie -> het vermogen om je in te leven in de gedachten en belevingswereld van anderen
Sociale cognitie -> de manier waarop we over andere denken, door andermans emoties, gedachten,
bedoelingen en sociale gedrag
Genderdysforie -> een gevoel van onvrede met het geslacht waarmee je geboren bent
Peergroep -> een groep mensen uit de samenleving die een vergelijkbare leeftijd, status, belang of
belangstelling hebben.
Egocentrisme -> het verminderde vermogen om zich in een ander of diens standpunten of gevoel te
verplaatsen
Centratie -> het kind betrekt zich op één aspect bij een probleem
Temperament -> een in aanleg gegeven individuele reactiewijze die zich al op heel jonge leeftijd
manifesteert en die in de loop der tijd een zekere stabiliteit vertoont
Differentiatie -> verfijnen van eerder aangeleerd gedrag
Integratie -> combinaties van eerder aangeleerd gedrag
Reinforcement -> een gebeurtenis of prikkel waardoor een voorwaardelijke reactie tot stand komt of in
stand wordt gehouden
Seksesocialisatie -> term vanuit de sociale leertheorie die aangeeft dat jongens en meisjes vanaf hun
geboorte verschillend behandeld worden
Stereotypering -> het toeschrijven van bepaalde persoonlijkheidskenmerken aan een persoon op
grond van de sociale groep waartoe die behoort
Goodness of fit -> term uit de evolutietheorie die in dit verband duidt op een gunstige combinatie van
temperamentkenmerken van het kind enerzijds en de verwachtingen en eisen van de omgeving
anderzijds
Sekserol -> verwachtdingen die men binnen een cultuur heeft ten aanzien van specifieke
eigenschappen
Sekserolgedrag -> alle gedrag dat invulling geeft aan de sekserol
, Zenuwcel:
Dendrieten: ontvangers van signalen
van prikkels
Axon: zender – stuurt signalen van de
ene cel naar de andere cel
Myeline: isolerende laag vettige
substantie om de axon – zorgt dat de
signaaloverdracht sneller verloopt
Synaps: ruimte tussen twee neuronen
– prikkeloverdracht van het axon van
de ene cel naar dendrieten van de
andere cel
Neurotransmitter: chemische stof die verantwoordelijk is voor de informatie-uitwisseling tussen
neuronen
Synaptische groei: het proces waarbij synapsen in het hersen- en zenuwstelsel ontstaan of worden
aangelegd. (dit vindt plaats vanaf het moment dat een embryo zich ontwikkelt tot 2 jaar)
Bouw van de hersenen:
Hersenstam: verwerking zintuigelijke info
Frontaalkwab: je denkfunctie – hier zitten
je executieve functies (= concentreren,
weten waar je bent)
Achterhoofd kwab: zicht en visuele
verwerking
Pariëtaal kwab: taalverwerving
Plasticiteit: hersenen groeien door te
leren – als een deel beschadigd raakt,
neemt een ander deel het over
Lateralisatie / Hemisfeerspecialisatie: iedere hersenhelft specialiseert zich in zijn eigen functies
Ecologisch systeemtheorie:
Bronfenbrenner benadrukt in zijn theorie dat er bij
omgevingsinvloeden nooit sprake is van
eenrichtingsverkeer.
I: microsysteem – gezin, school, peers
II: mesosysteem – mix van I en III
III: exosysteem – familie, vrienden, kennissen,
werkomgeving, media, gemeentepolitiek
IV: macrosysteem – cultuur, technologie, maatschappelijke
normen en waarden
Begrippen:
Cohort -> een groep mensen met hetzelfde geboortejaar
Cohorteffect -> de invloed die specifieke tijdgebonden maatschappelijke gebeurtenissen op een cohort
kunnen hebben
Behaviorisme -> (= leertheorie) een stroming in de psychologie die het gedrag van de mensen ziet als
het resultaat van leerprocessen – theorie die zich richt op observeerbaar gedrag en de rol van
beloning
Dysmaturiteit -> als het geboortegewicht lager ligt dan men op grond van de zwangerschapsduur
verwacht
Zelfbeeld/Zelfconcept -> totaal aan indrukken, ideeën en waarnemen over het eigen ‘ik’ dat in de loop
van de ontwikkeling geleidelijk vorm krijgt.
Zelfbesef -> het bewustzijn van het ‘zelf’ als eenheid en het besef dat die eenheid los gezien moet
worden van de omgeving
Competentie -> de wil om grip te krijgen op de omgeving
Empathie -> het vermogen om je in te leven in de gedachten en belevingswereld van anderen
Sociale cognitie -> de manier waarop we over andere denken, door andermans emoties, gedachten,
bedoelingen en sociale gedrag
Genderdysforie -> een gevoel van onvrede met het geslacht waarmee je geboren bent
Peergroep -> een groep mensen uit de samenleving die een vergelijkbare leeftijd, status, belang of
belangstelling hebben.
Egocentrisme -> het verminderde vermogen om zich in een ander of diens standpunten of gevoel te
verplaatsen
Centratie -> het kind betrekt zich op één aspect bij een probleem
Temperament -> een in aanleg gegeven individuele reactiewijze die zich al op heel jonge leeftijd
manifesteert en die in de loop der tijd een zekere stabiliteit vertoont
Differentiatie -> verfijnen van eerder aangeleerd gedrag
Integratie -> combinaties van eerder aangeleerd gedrag
Reinforcement -> een gebeurtenis of prikkel waardoor een voorwaardelijke reactie tot stand komt of in
stand wordt gehouden
Seksesocialisatie -> term vanuit de sociale leertheorie die aangeeft dat jongens en meisjes vanaf hun
geboorte verschillend behandeld worden
Stereotypering -> het toeschrijven van bepaalde persoonlijkheidskenmerken aan een persoon op
grond van de sociale groep waartoe die behoort
Goodness of fit -> term uit de evolutietheorie die in dit verband duidt op een gunstige combinatie van
temperamentkenmerken van het kind enerzijds en de verwachtingen en eisen van de omgeving
anderzijds
Sekserol -> verwachtdingen die men binnen een cultuur heeft ten aanzien van specifieke
eigenschappen
Sekserolgedrag -> alle gedrag dat invulling geeft aan de sekserol
, Zenuwcel:
Dendrieten: ontvangers van signalen
van prikkels
Axon: zender – stuurt signalen van de
ene cel naar de andere cel
Myeline: isolerende laag vettige
substantie om de axon – zorgt dat de
signaaloverdracht sneller verloopt
Synaps: ruimte tussen twee neuronen
– prikkeloverdracht van het axon van
de ene cel naar dendrieten van de
andere cel
Neurotransmitter: chemische stof die verantwoordelijk is voor de informatie-uitwisseling tussen
neuronen
Synaptische groei: het proces waarbij synapsen in het hersen- en zenuwstelsel ontstaan of worden
aangelegd. (dit vindt plaats vanaf het moment dat een embryo zich ontwikkelt tot 2 jaar)
Bouw van de hersenen:
Hersenstam: verwerking zintuigelijke info
Frontaalkwab: je denkfunctie – hier zitten
je executieve functies (= concentreren,
weten waar je bent)
Achterhoofd kwab: zicht en visuele
verwerking
Pariëtaal kwab: taalverwerving
Plasticiteit: hersenen groeien door te
leren – als een deel beschadigd raakt,
neemt een ander deel het over
Lateralisatie / Hemisfeerspecialisatie: iedere hersenhelft specialiseert zich in zijn eigen functies
Ecologisch systeemtheorie:
Bronfenbrenner benadrukt in zijn theorie dat er bij
omgevingsinvloeden nooit sprake is van
eenrichtingsverkeer.
I: microsysteem – gezin, school, peers
II: mesosysteem – mix van I en III
III: exosysteem – familie, vrienden, kennissen,
werkomgeving, media, gemeentepolitiek
IV: macrosysteem – cultuur, technologie, maatschappelijke
normen en waarden