LESWEEK 2
Je kunt de veel voorkomende begrippen uit de (functionele) anatomie, fysiologie en
pathologie omschrijven en met een voorbeeld toelichten.
• Anatomie → bouw van het lichaam
• Fysiologie → werking van het lichaam
• Functionele anatomie → de combinatie van anatomie en fysiologie
• Pathologie → ziekteleer
• Cytologie → houdt zich bezig met onderzoek van de bouw en stofwisseling en de functie
van de cel
• Histologie → wetenschap van de weefsels
• Pathogenese → wijze van ontstaan van ziekelijke veranderingen (hoe ziekte ontstaat)
• Etiologie → leer van ziekteoorzaken
• Epidemiologie → wetenschappelijke studie van hoe ziektes zich verspreiden binnen een
populatie
• Risicofactoren → factor van risico
• Preventie → een activiteit om te voorkomen van ongewenste gebeurtenissen of ziekte
• Symptomen → verschijnselen die de ziekte merkbaar maakt
• Diagnose → geneeskundig onderzoek
• Therapie → behandelmethode van ziekte
• Complicaties → onverwachte problemen als gevolg van iets anders
• Prognose → voorspelling of schatting van de toekomstige ontwikkeling of uitkomst van
een situatie
Je kunt de topografische indeling van het menselijk lichaam illustreren, de meest
gebruikte plaats- en richting-aanduidingen gebruiken en kunt de anatomische
houding beschrijven en de verschillende lichaamsvlakken benoemen.
• Frontaal vlak → frontale doorsnede loopt evenwijdig aan de lichaams-as en verdeelt het
lichaam of delen daarvan in voor en achter
• Transversaal vlak → loopt evenwijdig aan het vloeroppervlak
• Sagittaal vlak → verticale doorsnede (voor-achterwaarts) loodrecht op het frontaal
vlak, verdeelt het lichaam of delen daarvan links en rechts
• Mediaanvlak → de sagittale doorsnede door neus en navel deelt het lichaam precies in
tweeën
• Longitudinale doorsnede = lengte doorsnede
,• Ventraal = aan de buikzijde
• Dorsaal = aan de rugzijde
• Anterior = aan de voorkant
• Posterior = aan de achterkant, achter
• Centraal = in het midden
• Perifeer = aan de uiteinden
• Craniaal = aan de kant van de schedel
• Caudaal = aan de kant van de staart
• Superior = hoger, boven
• Inferior = lager, beneden
• Lateraal = aan de zijkant
• Mediaal = naar het midden toe
• Proximaal = aan de kant van de romp
• Distaal = ver van de romp (geldig)
• Sinister = links
• Dexter = rechts
• Internus = inwendig
• Externus = uitwendig
• Flexie = buiging (buiten)
• Extensie = strekking
• Anteflexie = buiging naar voren
• Retroflexie = achterwaartse beweging van een ledemaat vanuit de anatomische
houding
, • Lateroflexie = buiging van de schedel & de bovenlichaam vanuit de anatomische
houding (L/R)
• Dorsale flexie = buiging in bovenwaartse richting (enkels en pols)
• Plantaire flexie = buiging van pols/voet naar beneden
• Palmar flexie = buiging van ellebooggewricht naar beneden
• Supinatie = beweging waarbij de buitenzijde van de enkel/onderbeen voet naar buiten
kantelt & de holte van de voet wordt opgetild
• Pronatie = de manier waarop je voet naar binnen rolt en de impact op te vangen van de
landing
• Abductie = een beweging van mediaanlijn af
• Adductie = een beweging van de mediaanlijn toe
• Exorotatie = naar buiten draaien (je onderbeen)
• Endorotatie = naar binnen draaien
• Opponeren = tegenover iets anders plaatsen (pink t.o.v. duim)
• Thorax = borst
• Abdomen = buik
• Diafragma = middenrif
Je kunt in grote lijnen benoemen, welke methoden van onderzoek de arts gebruikt
om een diagnose te stellen.
Lichamelijk onderzoek
1. Inspectie → bekijken of alles in orde is
2. Palpatie → voelen van het lichaam met de handen, om te zoeken naar afwijkingen
3. Percussie → tikken op het lichaam om te luisteren naar geluiden die ontstaan
4. Auscultatie → luisteren naar de geluiden in je lichaam met een stethoscoop
Aanvullend onderzoek
5. Laboratoriumonderzoek = onderzoek van monsters zoals bloed, urine
6. X-foto / röntgen
7. CT-scan = computertomografie, röntgenfoto, die gedetailleerde foto's maakt van het
lichaam in dunne plakjes
8. Angiografie = onderzoek waarbij een speciale vloeistof in de bloedvaten wordt
gespoten en daarna wordt een röntgenfoto gemaakt om te zien hoe het bloed in de
vaten stroomt
9. MRI-scan = maakt gedetailleerde beelden van het lichaam met behulp van sterke
magneten en radiogolven
10. Echoscopie = geluidsgolven die door het lichaam weerkaatsen en een beeld vormen
11. Doppleronderzoek = type echoscopie om de bloedstroom in je vaten te bekijken
12. Endoscopie = onderzoek waarbij een lange dunne buis met een camera aan het
uiteinde in je lichaam wordt ingebracht om te kijken naar de inwendige organen of
holtes
13. ECG = elektrocardiogram, test die elektrische activiteit van je hart meet
14. EEG = elektro-encefalogram, test die elektrische activiteiten van je hersenen meet
15. EMG = elektromyogram, test die elektrische activiteiten van je spieren meet
, 16. Biopsie = test waarbij een stukje weefsel uit het lichaam wordt onderzocht om
afwijkingen te vinden
17. PA = pathologisch anatomisch onderzoek, wordt gedaan op weefsel
Afkortingen
• a. = arteria (slagader)
• v. = vena (ader)
• m. = musculus (spier)
• n. = nervus (zenuw), voor (aftakkingen van) zenuwen
LESWEEK 3
Je kunt de volgende begrippen m.b.t. het ontstaan van infectieziekten benoemen en
toelichten: besmetting/contaminatie, incubatieperiode, infectie, pathogenen,
micro-organismen, commensale flora, opportunistische infectie, reservoir, drager,
porte d’entrée, transmissie, directe en indirecte overdracht.
Besmetting/contaminatie: Overdracht van de micro-organismen van ene naar de andere plek.
Bij besmetting gaat het meer over de overdracht naar mens of dier maar bij contaminatie gaat
het meer over de plek
Incubatieperiode: De tijd tussen het besmet worden en eerste verschijnsel.
Infectie: Een ontsteking reactie van het lichaam op het binnendringen van micro-organismen
in weefsel.
Pathogenen: De micro-organismen die lichaam binnendringen ziekteverschijnselen
oproepen.
Micro-organismen: zeer kleine organismen dat we met een blot oog niet kunnen zien.
Commensale flora (commensalen): De micro-organismen die met ons samenleven.
• Ze voorkomen dat pathogenen een kans krijgen.
• Ze spelen rol bij spijsvertering, immuunsysteem, produceren sommigen beangrijke
vitamines (vitamine K)
Opportunistische infectie: De commensale flora niet altijd onschuldig. Als het
immuunsysteem verzwakt, kunnen ze zich plotseling grote getale vermenigvuldigen en een
infectie veroorzaken.
• Komt voor bij het gebruiken van cytotatica (geneesmiddelen die de celdeling remmen
of stoppen) en bij de aandoeningen.
Reservoir: De bron van waaruit ziektekiemen of pathogenen zich kunnen verspreiden.