Thema 1
Par. 1. Levend - dood – levenloos
1 Opdracht
1. bacteriën
2. schimmels
3. planten
4. dieren
5. mensen ( horen bij de dieren)
2 Iets wat dood is, heeft ooit eens geleefd. Iets wat levenloos is, heeft nooit geleefd.
3. Een stuk hout is afkomstig van een boom en die heeft geleefd.
2. Opdracht
Tractor : levenloos
Bestuurder : levend
Omgevallen boom : dood
Hooi : dood
Reiger : levend
Vis : dood
Water : levenloos
Hek : levenloos
Blikje : levenloos
Schedel : dood
Planten : levend
Libelle : levend
3. Opdracht
1. Ademhalen
Voeden
Uitscheiden
,2. waarnemen
bewegen
3. voortplanten
groeien
4. horen, zien, ruiken, proeven en voelen
5. Afbeelding 2 (hond) : ademhalen, voeden, uitscheiden, waarnemen,
bewegen, voortplanten, groeien
Afbeelding 3(plant) : groeien,voortplanten, voeden,( bewegen)
Opmerking : een plant groeit wel heel langzaam naar het licht, maar
kan zich niet zelf van de ene plek naar de andere verplaatsen.
Par. 2. Tekeningen maken
4. Opdracht
1. Door te tekenen moet je wel heel nauwkeurig naar het
organisme kijken.
2. In een natuurgetrouwe tekening probeer je alles zo precies mogelijk
weer te geven. In een schematische tekening teken je alleen de
belangrijkste kenmerken en laat je de details weg.
3. Dit kan een natuurgetrouwe tekening zijn, maar kan ook schematisch
(Het hangt van de schilder af.)
4. Nee, je tekent alleen het snijvlak en niet de dingen die je in de “diepte”
kunt zien.
5. Een lengtedoorsnede
6. Nee, het hangt ervan af waar je de dwarsdoorsnede maakt, bijv. bij de
punt zie je alleen een rondje en geen zeshoek
5. Opdracht : Laat je docent de tekening nakijken
6. Opdracht : Laat je docent de tekening nakijken
Par. 3 Vergroten
7. Opdracht : Laat de docent de tekening nakijken
8. Opdracht : Laat je docent de tekening nakijken
,9. Opdracht :
Een zaad kan water opnemen door : het poortje
Het reservevoedsel voor het kiemplantje zit in : de zaadlobben
Een zaad heeft aan de moederplant vastgezeten met : de navel
Het worteltje van de kiem groeit naar buiten door : het poortje
Een zaad wordt beschermd door de : zaadhuid
Par. 4 Tabellen en grafieken maken
10. Opdracht
Dagen Lengte van het worteltje Lengte van het stengeltje
1e dag 0 mm 0 mm
2e dag 0 mm 0mm
3e dag 1 mm 0 mm
4e dag 5 mm 0 mm
e
5 dag 7 mm 2 mm
6e dag 9 mm 5 mm
7e dag 11 mm 6 mm
9e dag 11 mm 6 mm
10e dag 24 mm 20 mm
12e dag 40 mm 33 mm
11. Opdracht Laat deze opdracht door je docent beoordelen.
Par. 5 Groei bij de mens
12. Opdracht Laat je docent beoordelen wat je hebt ingevuld
13 Opdracht
1. 52 cm
2. op 3 ½ jarige leeftijd
3. tot 8 ½ jaar
4. langer
5. korter
6. nee
7 vanaf 18-19- jarige leeftijd
8. vanaf 17-18 –jarige leeftijd
9. laat je docent je antwoord controleren
10. de benen
, 11. het hoofd
12. het deel onder de ogen
Par. 6 Ontwikkeling bij de mens
14. Opdracht
Leeftijd ( gemiddeld) Levensfase
0 tot 1 ½ jaar Baby
1 ½ tot 4 jaar Peuter
4 tot 6 jaar Kleuter
6 tot 12 jaar Puber
16 tot 21 jaar Adolescent
21 tot 65 jaar Volwassene
Boven 65 oudere
15 Opdracht
1. nee
2. de geestelijke ontwikkeling
3. De ontwikkeling van de borsten
4. De voortplantingsorganen beginnen te functioneren
5. Een kind leert lezen
Een kind leert schrijven
Een kind leert rekenen
Par. 7 Ontwikkeling bij dieren
16 Opdracht
Ei
Vlinder rups
Pop
17 Opdracht
1. De lichaamsbouw en de manier waarop het dier leeft ( levenswijze)
2. Jonge dieren die nog een metamorfose moeten ondergaan
3. De larve van een vlinder noem je rups
De larve van een vlieg noem je made
4. Imago
5. Omdat het harde pantser van een rups niet mee kan groeien.
Par. 1. Levend - dood – levenloos
1 Opdracht
1. bacteriën
2. schimmels
3. planten
4. dieren
5. mensen ( horen bij de dieren)
2 Iets wat dood is, heeft ooit eens geleefd. Iets wat levenloos is, heeft nooit geleefd.
3. Een stuk hout is afkomstig van een boom en die heeft geleefd.
2. Opdracht
Tractor : levenloos
Bestuurder : levend
Omgevallen boom : dood
Hooi : dood
Reiger : levend
Vis : dood
Water : levenloos
Hek : levenloos
Blikje : levenloos
Schedel : dood
Planten : levend
Libelle : levend
3. Opdracht
1. Ademhalen
Voeden
Uitscheiden
,2. waarnemen
bewegen
3. voortplanten
groeien
4. horen, zien, ruiken, proeven en voelen
5. Afbeelding 2 (hond) : ademhalen, voeden, uitscheiden, waarnemen,
bewegen, voortplanten, groeien
Afbeelding 3(plant) : groeien,voortplanten, voeden,( bewegen)
Opmerking : een plant groeit wel heel langzaam naar het licht, maar
kan zich niet zelf van de ene plek naar de andere verplaatsen.
Par. 2. Tekeningen maken
4. Opdracht
1. Door te tekenen moet je wel heel nauwkeurig naar het
organisme kijken.
2. In een natuurgetrouwe tekening probeer je alles zo precies mogelijk
weer te geven. In een schematische tekening teken je alleen de
belangrijkste kenmerken en laat je de details weg.
3. Dit kan een natuurgetrouwe tekening zijn, maar kan ook schematisch
(Het hangt van de schilder af.)
4. Nee, je tekent alleen het snijvlak en niet de dingen die je in de “diepte”
kunt zien.
5. Een lengtedoorsnede
6. Nee, het hangt ervan af waar je de dwarsdoorsnede maakt, bijv. bij de
punt zie je alleen een rondje en geen zeshoek
5. Opdracht : Laat je docent de tekening nakijken
6. Opdracht : Laat je docent de tekening nakijken
Par. 3 Vergroten
7. Opdracht : Laat de docent de tekening nakijken
8. Opdracht : Laat je docent de tekening nakijken
,9. Opdracht :
Een zaad kan water opnemen door : het poortje
Het reservevoedsel voor het kiemplantje zit in : de zaadlobben
Een zaad heeft aan de moederplant vastgezeten met : de navel
Het worteltje van de kiem groeit naar buiten door : het poortje
Een zaad wordt beschermd door de : zaadhuid
Par. 4 Tabellen en grafieken maken
10. Opdracht
Dagen Lengte van het worteltje Lengte van het stengeltje
1e dag 0 mm 0 mm
2e dag 0 mm 0mm
3e dag 1 mm 0 mm
4e dag 5 mm 0 mm
e
5 dag 7 mm 2 mm
6e dag 9 mm 5 mm
7e dag 11 mm 6 mm
9e dag 11 mm 6 mm
10e dag 24 mm 20 mm
12e dag 40 mm 33 mm
11. Opdracht Laat deze opdracht door je docent beoordelen.
Par. 5 Groei bij de mens
12. Opdracht Laat je docent beoordelen wat je hebt ingevuld
13 Opdracht
1. 52 cm
2. op 3 ½ jarige leeftijd
3. tot 8 ½ jaar
4. langer
5. korter
6. nee
7 vanaf 18-19- jarige leeftijd
8. vanaf 17-18 –jarige leeftijd
9. laat je docent je antwoord controleren
10. de benen
, 11. het hoofd
12. het deel onder de ogen
Par. 6 Ontwikkeling bij de mens
14. Opdracht
Leeftijd ( gemiddeld) Levensfase
0 tot 1 ½ jaar Baby
1 ½ tot 4 jaar Peuter
4 tot 6 jaar Kleuter
6 tot 12 jaar Puber
16 tot 21 jaar Adolescent
21 tot 65 jaar Volwassene
Boven 65 oudere
15 Opdracht
1. nee
2. de geestelijke ontwikkeling
3. De ontwikkeling van de borsten
4. De voortplantingsorganen beginnen te functioneren
5. Een kind leert lezen
Een kind leert schrijven
Een kind leert rekenen
Par. 7 Ontwikkeling bij dieren
16 Opdracht
Ei
Vlinder rups
Pop
17 Opdracht
1. De lichaamsbouw en de manier waarop het dier leeft ( levenswijze)
2. Jonge dieren die nog een metamorfose moeten ondergaan
3. De larve van een vlinder noem je rups
De larve van een vlieg noem je made
4. Imago
5. Omdat het harde pantser van een rups niet mee kan groeien.