Ontwikkelingspsychologie voor onderwijs en kinderopvang – samenvatting boek
1
,INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 2: ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE................................................3
2.1 BEGRIPPEN UIT DE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE.....................................3
2.2 ONTWIKKELINGSTHEORIEËN IN HET KORT..................................................6
2.3 DE WEIRDE BLIK VAN ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGEN:.............................13
HOOFDSTUK 3: ONTWIKKELING VAN BABY’S EN PEUTERS...............................14
3.1 FYSIEKE ONTWIKKELING.........................................................................14
3.2. SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING....................................................20
3.3 COGNITIEVE ONTWIKKELING....................................................................25
HOOFDSTUK 4: DE ONTWIKKELING VAN KLEUTERS.........................................31
4.1 FYSIEKE ONTWIKKELING.........................................................................33
4.2 SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING.....................................................35
4.3 COGNITIEVE ONTWIKKELING....................................................................38
4.4 ONTWIKKELING BINNEN DE MULTIMEDIALE VIRTUELE WERELD..................42
HOOFDSTUK 5 DE ONTWIKKELING VAN KINDEREN VAN 6 TOT 9 JAAR..............43
5.1 FYSIEKE ONTWIKKELING.........................................................................43
5.2 SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING.....................................................45
5.3 COGNITIEVE ONTWIKKELING....................................................................49
5.4 ONTWIKKELING BINNEN DE MULTIMEDIALE VIRTUELE WERELD..................51
HOOFDSTUK 6 DE ONTWIKKELING VAN KINDEREN VAN 9 TOT 12 JAAR.............53
6.1 FYSIEKE ONTWIKKELING.........................................................................53
6.2 SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING.....................................................56
6.3 COGNITIEVE ONTWIKKELING....................................................................60
6.4 ONTWIKKELING IN DE MULTIMEDIALE VIRTUELE WERELD..........................63
2
,Hoofdstuk 2: ontwikkelingspsychologie
Leerdoelen:
> Begrippen uit de ontwikkelingspsychologie omschrijven en deels in praktijksituaties
herkennen
> Begrippen uit de ontwikkelingspsychologie van elkaar onderscheiden en in verslaggeving
toepassen
> Invloedrijke personen en theorieën met betrekking tot de ontwikkelingspsychologie
uitleggen
> Relaties leggen tussen de verschillende theorieën
In dit hoofdstuk staan de meest invloedrijke en waardevolle psychologische theorieën besproken
over de ontwikkeling van het gedrag van kinderen, en de verklaring daaromheen.
2.1 begrippen uit de ontwikkelingspsychologie
Leefwereld
Belevingswereld
Klassieke ontwikkelingspsychologie
Levenslooppsychologie
Ontwikkeling – ervaring – rijping
Ecologische benadering
Identiteit
Genderontwikkeling
Deze begrippen zijn onder te verdelen in: pedagogisch-didactische termen,
ontwikkelingspsychologische termen en termen uit de persoonlijkheidstheorie:
Pedagogisch-didactische termen: leefwereld, belevingswereld
Ontwikkelingspsychologische termen: klassieke ontwikkelingspsychologie,
levenslooppsychologie, ontwikkeling – ervaring – rijping en ecologische benadering
Termen uit de persoonlijkheidstheorie: identiteit en genderontwikkeling
De mens groeit cognitief, motorisch en sociaal-emotioneel naar zelfstandigheid. Duidelijk is dat de
ontwikkeling van mensen zeer complex proces is, waarin genetische factoren, milieufactoren en
ervaringen allemaal een grote rol spelen.
Leefwereld: elk kind brengt eigen ervaringen mee en hier wordt rekening mee gehouden. Met deze
diversiteit word je tijdens het begeleiden en stimuleren (in hun ontwikkeling) gelijk geconfronteerd.
Deze diversiteit heeft te maken met verschillen in de leefwereld, deze verschillen hebben sterke
invloed voor het onderwijs en de opvang.
Deze sociale omgevingsverschillen worden op verschillende manieren zichtbaar, zoals in taal en
samenstelling van gezinnen. Al deze elementen samen vormen de leefomgeving van een kind en
de hiervoor genoemde sociaal-culturele factoren oefenen invloed uit op hun ontwikkeling.
We nemen aan dat kinderen door jeugdervaringen worden gevormd, de vraag is hoe? Opvoeding
thuis en op school speelt beslissende rol. Men gaat ervan uit dat ze cultuur bij ouders thuiskrijgen,
is dat ook zo? Als de cultuur van de sociale groep (vrienden) afwijkt van die van ouders, heeft de
sociale groep vaak sterkere invloed dan ouders.
Vanaf tien jarige leeftijd wordt deze groep steeds belangrijker.
Ze gaan zich vergelijken met deze groep en leren zichzelf hierdoor beter kennen. Kinderen
willen op hun groepsgenoten lijken, op de kinderen uit de groep die in hun ogen succesvol
zijn.
Ondanks dat leeftijdsgenoten steeds belangrijker worden, wordt aangenomen dat een combinatie
van factoren, zowel van ouders als van leeftijdsgenoten, voor hun ontwikkeling bepalend is.
Belevingswereld: om kinderen te motiveren is het belangrijk om rekening te houden met hun
belevingswereld. Onder belevingswereld verstaan we: de wijze waarop ze hun leefwereld ervaren.
Kinderen in vergelijkbare leefwerelden kunnen diezelfde leefwereld totaal verschillend ervaren.
De belevingswereld is ook de manier waarop een kind de wereld beleeft vanwege zijn
ontwikkelingsleeftijd.
3
, We komen dan uit bij ‘eigen’-aardigheden van kinderen in het algemeen. We bedoelen dan
bijvoorbeeld typische kenmerken bij peuters, kleuters, middenbouwkinderen en
bovenbouwkinderen.
Peuters: objectpermanentie en magisch denken
Kleuters: animisme, egocentrisme, gerichtheid op de aanschouwelijke wereld
Middenbouwkinderen: scheiding van fantasie en werkelijkheid, meer ordening en structuur
Bovenbouwkinderen: hang naar realiteit vooropstaat, dat inzicht in sociale relaties
toeneemt, dat kinderen abstract wat gaan redeneren, een eigen mening gaan vormen.
Kennis en inzicht in deze ‘eigen’-aardigheden per leeftijdsgroep levert dus geen vaststaande
feitelijke kennis op voor dit kind in deze situatie. Het gaat om basiskennis en inzichten die je helpen
bij het gericht kijken naar kinderen.
Klassieke ontwikkelingspsychologie: deze ontwikkelingspsychologie ziet ontwikkeling als een
opeenvolging van stadia komma waarbij elk stadium een vooruitgang ten opzichte van het vorige
stadium betekent. Het Het doel is het zo nauwkeurig mogelijk beschrijven van verschillende
gebieden van de persoonlijkheid op verschillende leeftijden. De klassieke ontwikkelingspsychologie
was vooral een beschrijvende wetenschap. Bleek achteraf gezien sterk tijd- en cultuurgebonden te
zijn.
De klassieke ontwikkelingspsychologie gaat er vanuit dat er een eindpunt van ontwikkeling is
ontwikkeling werd zo een synoniem voor het proces van volwassenwording deze ontwikkeling heeft
een drietal van belangrijke factoren:
1. De chronologische leeftijd: op een bepaalde leeftijd mag je bepaalde gedragingen en
veranderingen verwachten.
2. De biologische leeftijd: de menselijke ontwikkeling wordt min of meer bepaald door fysieke
factoren.
3. De sociale context: uitgangspunt is dat ontwikkeling bepaald wordt door invloeden van de
omgeving.
Voorbeeld Piaget -> over de cognitieve ontwikkeling van het kind. De theorie beschrijf via welke
fasen een kind tot volwassen denk komt. Dit volwassen denken ziet Piaget als eindproduct.
Moderne ontwikkelingspsychologie: Niet alleen beschrijven, maar verklaren: processen en
mechanismen achter gedrag staan centraal. Dit maakt het een verklarende wetenschap.
Levenslooppsychologie: Richt zich op het vermogen van kinderen om zich gedurende hun leven aan
steeds veranderende omstandigheden midden aan te passen. Het geeft in zicht op de ontwikkeling
die kinderen in hun hele leven doormaken en hoe de ontwikkeling wordt beïnvloed door belangrijke
gebeurtenissen in hun leven. Veranderingen in het leven van een kind voorlopig niet via een vast
patroon.
Individuen en hebben zelf invloed op hun ontwikkeling en levensloop. Niet alleen levensfasen
gebeurtenissen maar ook omgevingsfactoren beïnvloeden dit zoals gezin, onderwijs, cultuur en
maatschappij. Dit benadrukt de complexe interactie tussen genetische, psychologische, sociale en
omgevingsfactoren.
Ontwikkeling – ervaring – rijping: er is een patroon te ontdekken waarlangs ontwikkelingen
verlopen, inzien we bij een kind een drang om zich te ontwikkelen: te staan, te lopen, te gaan
praten. Deze patronen zijn bij kinderen in de hele wereld te zien. Voor een doorgaande ontwikkeling
is stimulering en ondersteuning van buitenaf belangrijk, bijvoorbeeld een talige omgeving.
> Voor een positieve ontwikkeling moet de omgeving stimulerende factoren bevatten.
Vroeger was dit anders. Het ene deel vond dat de ontwikkeling alleen bepaald werd door aanleg,
het andere kamp dacht dat de omgeving (waaronder ook opvoeding verstaan wordt) bepalend was:
de nature-nurturetegenstelling.
> De ‘nurture’-theorie: deze vindt de omstandigheden waaronder iemand opgroeit het meest
belangrijk. De mens als een persoon die wordt geboren is een onbeschreven blad, zonder
kennis, vaardigheden of persoonlijkheid. Alles wat een persoon leert en wie hij uiteindelijk
wordt, hangt van de omgeving en de opvoeders af.
> Behaviorisme: wie je bent en wat je wordt, is volgens deze theorie volledig afhankelijk van
de omstandigheden en aangeleerd. Bekende vertegenwoordigers zijn:
o Skinner en Pavlov. Zij onderzochten beloning en straf als belangrijke methodes voor
leren. Beloning leidt tot gewenst gedrag, en met straf leer je ongewenst gedrag af.
Dit is conditionering.
4
1
,INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 2: ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE................................................3
2.1 BEGRIPPEN UIT DE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE.....................................3
2.2 ONTWIKKELINGSTHEORIEËN IN HET KORT..................................................6
2.3 DE WEIRDE BLIK VAN ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGEN:.............................13
HOOFDSTUK 3: ONTWIKKELING VAN BABY’S EN PEUTERS...............................14
3.1 FYSIEKE ONTWIKKELING.........................................................................14
3.2. SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING....................................................20
3.3 COGNITIEVE ONTWIKKELING....................................................................25
HOOFDSTUK 4: DE ONTWIKKELING VAN KLEUTERS.........................................31
4.1 FYSIEKE ONTWIKKELING.........................................................................33
4.2 SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING.....................................................35
4.3 COGNITIEVE ONTWIKKELING....................................................................38
4.4 ONTWIKKELING BINNEN DE MULTIMEDIALE VIRTUELE WERELD..................42
HOOFDSTUK 5 DE ONTWIKKELING VAN KINDEREN VAN 6 TOT 9 JAAR..............43
5.1 FYSIEKE ONTWIKKELING.........................................................................43
5.2 SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING.....................................................45
5.3 COGNITIEVE ONTWIKKELING....................................................................49
5.4 ONTWIKKELING BINNEN DE MULTIMEDIALE VIRTUELE WERELD..................51
HOOFDSTUK 6 DE ONTWIKKELING VAN KINDEREN VAN 9 TOT 12 JAAR.............53
6.1 FYSIEKE ONTWIKKELING.........................................................................53
6.2 SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING.....................................................56
6.3 COGNITIEVE ONTWIKKELING....................................................................60
6.4 ONTWIKKELING IN DE MULTIMEDIALE VIRTUELE WERELD..........................63
2
,Hoofdstuk 2: ontwikkelingspsychologie
Leerdoelen:
> Begrippen uit de ontwikkelingspsychologie omschrijven en deels in praktijksituaties
herkennen
> Begrippen uit de ontwikkelingspsychologie van elkaar onderscheiden en in verslaggeving
toepassen
> Invloedrijke personen en theorieën met betrekking tot de ontwikkelingspsychologie
uitleggen
> Relaties leggen tussen de verschillende theorieën
In dit hoofdstuk staan de meest invloedrijke en waardevolle psychologische theorieën besproken
over de ontwikkeling van het gedrag van kinderen, en de verklaring daaromheen.
2.1 begrippen uit de ontwikkelingspsychologie
Leefwereld
Belevingswereld
Klassieke ontwikkelingspsychologie
Levenslooppsychologie
Ontwikkeling – ervaring – rijping
Ecologische benadering
Identiteit
Genderontwikkeling
Deze begrippen zijn onder te verdelen in: pedagogisch-didactische termen,
ontwikkelingspsychologische termen en termen uit de persoonlijkheidstheorie:
Pedagogisch-didactische termen: leefwereld, belevingswereld
Ontwikkelingspsychologische termen: klassieke ontwikkelingspsychologie,
levenslooppsychologie, ontwikkeling – ervaring – rijping en ecologische benadering
Termen uit de persoonlijkheidstheorie: identiteit en genderontwikkeling
De mens groeit cognitief, motorisch en sociaal-emotioneel naar zelfstandigheid. Duidelijk is dat de
ontwikkeling van mensen zeer complex proces is, waarin genetische factoren, milieufactoren en
ervaringen allemaal een grote rol spelen.
Leefwereld: elk kind brengt eigen ervaringen mee en hier wordt rekening mee gehouden. Met deze
diversiteit word je tijdens het begeleiden en stimuleren (in hun ontwikkeling) gelijk geconfronteerd.
Deze diversiteit heeft te maken met verschillen in de leefwereld, deze verschillen hebben sterke
invloed voor het onderwijs en de opvang.
Deze sociale omgevingsverschillen worden op verschillende manieren zichtbaar, zoals in taal en
samenstelling van gezinnen. Al deze elementen samen vormen de leefomgeving van een kind en
de hiervoor genoemde sociaal-culturele factoren oefenen invloed uit op hun ontwikkeling.
We nemen aan dat kinderen door jeugdervaringen worden gevormd, de vraag is hoe? Opvoeding
thuis en op school speelt beslissende rol. Men gaat ervan uit dat ze cultuur bij ouders thuiskrijgen,
is dat ook zo? Als de cultuur van de sociale groep (vrienden) afwijkt van die van ouders, heeft de
sociale groep vaak sterkere invloed dan ouders.
Vanaf tien jarige leeftijd wordt deze groep steeds belangrijker.
Ze gaan zich vergelijken met deze groep en leren zichzelf hierdoor beter kennen. Kinderen
willen op hun groepsgenoten lijken, op de kinderen uit de groep die in hun ogen succesvol
zijn.
Ondanks dat leeftijdsgenoten steeds belangrijker worden, wordt aangenomen dat een combinatie
van factoren, zowel van ouders als van leeftijdsgenoten, voor hun ontwikkeling bepalend is.
Belevingswereld: om kinderen te motiveren is het belangrijk om rekening te houden met hun
belevingswereld. Onder belevingswereld verstaan we: de wijze waarop ze hun leefwereld ervaren.
Kinderen in vergelijkbare leefwerelden kunnen diezelfde leefwereld totaal verschillend ervaren.
De belevingswereld is ook de manier waarop een kind de wereld beleeft vanwege zijn
ontwikkelingsleeftijd.
3
, We komen dan uit bij ‘eigen’-aardigheden van kinderen in het algemeen. We bedoelen dan
bijvoorbeeld typische kenmerken bij peuters, kleuters, middenbouwkinderen en
bovenbouwkinderen.
Peuters: objectpermanentie en magisch denken
Kleuters: animisme, egocentrisme, gerichtheid op de aanschouwelijke wereld
Middenbouwkinderen: scheiding van fantasie en werkelijkheid, meer ordening en structuur
Bovenbouwkinderen: hang naar realiteit vooropstaat, dat inzicht in sociale relaties
toeneemt, dat kinderen abstract wat gaan redeneren, een eigen mening gaan vormen.
Kennis en inzicht in deze ‘eigen’-aardigheden per leeftijdsgroep levert dus geen vaststaande
feitelijke kennis op voor dit kind in deze situatie. Het gaat om basiskennis en inzichten die je helpen
bij het gericht kijken naar kinderen.
Klassieke ontwikkelingspsychologie: deze ontwikkelingspsychologie ziet ontwikkeling als een
opeenvolging van stadia komma waarbij elk stadium een vooruitgang ten opzichte van het vorige
stadium betekent. Het Het doel is het zo nauwkeurig mogelijk beschrijven van verschillende
gebieden van de persoonlijkheid op verschillende leeftijden. De klassieke ontwikkelingspsychologie
was vooral een beschrijvende wetenschap. Bleek achteraf gezien sterk tijd- en cultuurgebonden te
zijn.
De klassieke ontwikkelingspsychologie gaat er vanuit dat er een eindpunt van ontwikkeling is
ontwikkeling werd zo een synoniem voor het proces van volwassenwording deze ontwikkeling heeft
een drietal van belangrijke factoren:
1. De chronologische leeftijd: op een bepaalde leeftijd mag je bepaalde gedragingen en
veranderingen verwachten.
2. De biologische leeftijd: de menselijke ontwikkeling wordt min of meer bepaald door fysieke
factoren.
3. De sociale context: uitgangspunt is dat ontwikkeling bepaald wordt door invloeden van de
omgeving.
Voorbeeld Piaget -> over de cognitieve ontwikkeling van het kind. De theorie beschrijf via welke
fasen een kind tot volwassen denk komt. Dit volwassen denken ziet Piaget als eindproduct.
Moderne ontwikkelingspsychologie: Niet alleen beschrijven, maar verklaren: processen en
mechanismen achter gedrag staan centraal. Dit maakt het een verklarende wetenschap.
Levenslooppsychologie: Richt zich op het vermogen van kinderen om zich gedurende hun leven aan
steeds veranderende omstandigheden midden aan te passen. Het geeft in zicht op de ontwikkeling
die kinderen in hun hele leven doormaken en hoe de ontwikkeling wordt beïnvloed door belangrijke
gebeurtenissen in hun leven. Veranderingen in het leven van een kind voorlopig niet via een vast
patroon.
Individuen en hebben zelf invloed op hun ontwikkeling en levensloop. Niet alleen levensfasen
gebeurtenissen maar ook omgevingsfactoren beïnvloeden dit zoals gezin, onderwijs, cultuur en
maatschappij. Dit benadrukt de complexe interactie tussen genetische, psychologische, sociale en
omgevingsfactoren.
Ontwikkeling – ervaring – rijping: er is een patroon te ontdekken waarlangs ontwikkelingen
verlopen, inzien we bij een kind een drang om zich te ontwikkelen: te staan, te lopen, te gaan
praten. Deze patronen zijn bij kinderen in de hele wereld te zien. Voor een doorgaande ontwikkeling
is stimulering en ondersteuning van buitenaf belangrijk, bijvoorbeeld een talige omgeving.
> Voor een positieve ontwikkeling moet de omgeving stimulerende factoren bevatten.
Vroeger was dit anders. Het ene deel vond dat de ontwikkeling alleen bepaald werd door aanleg,
het andere kamp dacht dat de omgeving (waaronder ook opvoeding verstaan wordt) bepalend was:
de nature-nurturetegenstelling.
> De ‘nurture’-theorie: deze vindt de omstandigheden waaronder iemand opgroeit het meest
belangrijk. De mens als een persoon die wordt geboren is een onbeschreven blad, zonder
kennis, vaardigheden of persoonlijkheid. Alles wat een persoon leert en wie hij uiteindelijk
wordt, hangt van de omgeving en de opvoeders af.
> Behaviorisme: wie je bent en wat je wordt, is volgens deze theorie volledig afhankelijk van
de omstandigheden en aangeleerd. Bekende vertegenwoordigers zijn:
o Skinner en Pavlov. Zij onderzochten beloning en straf als belangrijke methodes voor
leren. Beloning leidt tot gewenst gedrag, en met straf leer je ongewenst gedrag af.
Dit is conditionering.
4