Week 1; Tumoren van de borst
Hoorcollege 1; Introductie GZC II
- Practica/microscopie ook belangrijk, neem de plaatjes van de colleges/practica door. Het zijn
allemaal al behandelde beelden. Voornamelijk de organen herkennen, geen patholoog opleiding!
- TNM classificatie niet uit je hoofd leren. Wel mee kunnen werken.
- Leer voor de behandelingen voornamelijk de standaard behandelingen!
5 tekenen van ontsteking:
- Rubor= roodheid
- Calor= warmte
- Dolor= pijn
- Tumor= zwelling
- Functio laesa= functieverlies
Vormen van groei:
- Normale groei
- Groeistoornissen:
• Aangepaste groei: adaptatie van cellen door omgevingsverandering van de cel
• Grootte
• Aantal
• Fenotype
• Metabole activiteit
• Functie
• Autonome groei: tumorgroei
Kwantitatieve adaptatie:
Hypertrofie: orgaan wordt groter doordat de cellen groter worden
- Fysiologisch (spiergroei, toename uterus bij zwangerschap) of pathologisch (hypertrofie hart)
Hyperplasie: orgaan wordt groter door toename van aantal cellen
- Fysiologisch (bv borstvoeding) en pathologisch (BPH, endometriumhyperplasie)
!Ook een combinatie van hyperplasie en hypertrofie in een orgaan kan voorkomen.
Atrofie is afname van weefsel.
Kwalitatieve adaptatie
Metaplasie: verandering van het ene celtype (epitheliaal en mesenchymaal) naar het andere celtype op
ene plaats waar die normaal niet voorkomt
- Compensatiemechanisme (bv bij chronische irritatie) waarbij een uitgerijpt (gedifferentieerd)
weefsel overgaat in een ander uitgerijpt weefsel.
- Voordeel: reversibel, cilinderepitheel <> meerlagig plaveiselepitheel en zo beter bestand tegen
stress-situatie
- Nadeel: functieverlies en verhoogde kans dysplasie (pre-maligne) en/of maligniteit
BV: Normaal cilinderepitheel met trilharen, bv door roken of vit a gebrek (retinol) ontstaat meerlagig
plaveiselepitheel, welke geen trilaren heeft en geen mucus produceert, dus functieverlies.
BV: door refluxziekte zal plaveiselepitheel van de slokdarm overgaan in cilindrisch epitheel (net als maag)
Dysplasie
- Ongeorganiseerde groei: abnormale rijping
- Het weefsel wordt ordeloos (architectureel)
- Cellen zelf zien er afwijkend uit (cellulaire atypie, grote kernen, weinig cytoplasma)
,Dysplastisch epitheel
- Verstoring architectuur
- Afwijkende cel- kernmorfologie (atypie)
- Verstoorde uitrijping
- Mitosen in het gehele epitheel
- Gradering: geringe dysplasie, ernstige dysplasie, ernstige dysplasie (=carcinoma in situ (CIS))
- Ontstaat vanuit metaplastisch epitheel
- Reversibel, niet altijd progressie naar kanker.
Invasieve groei (door basaalmembraan): carcinoom maligne
Neoplasma: nieuwvorming
- Abnormale weefselmassa, waarvan de groei ongecontroleerd is en uitstijgt boven die van normaal
weefsel, ook na stoppen van de stimulus die de verandering heeft veroorzaak
- Niet elke neoplasie wordt een tumor
- Oncos= tumor, oncologie= leer van neoplasma ’s
Naamgeving benigne tumoren
Epitheliaal: ontstaat uit parenchym (functionele cellen van orgaan), met hieromheen stroma (vet, vaten
en bindweefsel)
- Tumoren kunnen ook zelf stroma maken, zodat ze kunnen groeien: desmoplastisch stroma. Dit
stroma maakt de tumor palpabel of zichtbaar bij radiologisch onderzoek. Het speelt een cruciale rol
bij de ontwikkeling van kanker, progressie en metastase.
- Vernoemd naar de cel van origine met de onderlinge samenhang van tumorcellen: macroscopisch
en microscopisch patroon
• Adenoom: buisdifferentiatie/buisvormend
• Papilloom: vingervormige uitstulpingen, ontstaat uit meerlagig plaveiselepitheel
• Cystadenoom: holtevormig en buisvormig, bekleed met epitheel
• Papillair cystadenoom: vingervormige uitstulpingen, holtevorming
• Poliep: tumor (bloemkoolachtig) met of zonder steel, uitstekend boven het slijmvlies
• Fibroadenoom: fibreuze component
Mesenchymaal:
- Cel van origine + achtervoegsel -oom/-oma
- Uitzonderingen die wel maligne zijn: lymfoom,
mesothelioom, melanoom, seminoom,
neuroblastoom, teratoom.
,Naamgeving maligne tumoren
Epitheliaal:
- Groeiwijze/epitheeltype + carcinoom
• Plaveiselcarcinoom: vormt velden +/- verhoorning
• Adenocarcinoom: vormt buizen (glandulair)
• Basaalcelcarcinoom: vormt velden
• Overgangsepitheelcarcinoom: vormt velden
Mesenchymaal
- Cel van origine + sarcoom
Differentiatie
- In hoeverre lijkt de tumor nog morfologisch en functioneel op originele weefsel
• Benigne: goed gedifferentieerd
• Maligne: goed, matig of slecht gedifferentieerd
Ongedifferentieerd: anaplastisch
Criteria differentiatie:
- Polymorfie/pleomorfie/anismorfie: variatie in vorm en grootte van cellen en/of kernen
- Hyperchromasie/grofkorrelig chromatine: donkere kernen door DNA
- Verstoring kern-cytoplasma ratio (grotere kern)
- Grote nucleoli
- Toename aantal mitosen
- Atypische mitosen (mercedes logo)
- Tumorreuscellen
- Verstoring oriëntatie cellen (polariteitsverlies)
- Necrose
Metastasering
- Tumorimplantatie los van primaire tumor
- Zeker kenmerk van maligniteit
- Vrijwel alle kankers kunnen metastaserem
- Vermogen tot metastaseren niet af te lezen aan histologie
- Ten tijde van diagnose hebben 30% vd solide tumoren al metastasen
- Direct via doorgroei of lymfogeen, hematogeen of direct via lichaamsholten/oppervlakten.
Belangrijke bepalende factoren voor de prognose zijn het soort tumor, welke soort cellen en de leeftijd
van de patiënt.
, Hoorcollege 2; Pathologie van de mamma
Anatomie en histopathologie van de mamma
- Bestaat voornamelijk uit vet- bind- en klierweefsel
- Liggen op de diepe fascie van de m. pectoralis major meet de
tepel ter hoogte van rib 5
- Op te delen in 4 kwadranten: linksonder, linksboven,
rechtsonder, rechtsboven
- Klieren bestaan uit lobuli (melkproductie) en ducti (afvoer naar
tepel)
- Mannen hebben over het algemeen geen lobuli
- Acinus: myoepitheel aan de buitenkant en 1 laag luminaal epitheel aan binnenkant
- Ligamenten van Cooper bieden stevigheid in de borst: van clavicula en de clavipectorale fascia naar
de dermis van de borst (→ vormbehoud)
- Areola= gepigmenteerde gebied rondom de tepel
- Vascularisatie: A. thoracica lateralis, a. thoracica interna, a. axillaris en aa. Intercostales
- Innervatie: nn. Intercostobrachialis (sensoriek binnenkant bovenarm, oksel), n. thoracodorsalis (m.
lattisimus dorsi) en n. thoracicus longus (m. serratus anterior)
Proces bij pathologie
Aangeleverd materiaal → macroscopisch → microscopisch → aanvullend onderzoek → verslag, MDO
Pre-operatief
Cytologie (punctie)
Biopten (histologie)
Bij een vacuüm biopt krijg je meer materiaal, dus ook minder last van sampling error.
Postoperatief
Lumpectomie (borstsparende operatie) of ablatio (borst verwijderen):
- Noodzakelijke informatie: oriëntatie, voorbehandeling, eerdere operatie, hoeveel tumoren, waar
zitten tumoren, waar zijn biopten genomen, marker aanwezig, calcificaties of gebied van non-mass
enhancement, radiologische afmeting, klinisch of radiologische verdenking bedreigd resectievlak
(waar?), extra excisie (waar?)
Hoorcollege 1; Introductie GZC II
- Practica/microscopie ook belangrijk, neem de plaatjes van de colleges/practica door. Het zijn
allemaal al behandelde beelden. Voornamelijk de organen herkennen, geen patholoog opleiding!
- TNM classificatie niet uit je hoofd leren. Wel mee kunnen werken.
- Leer voor de behandelingen voornamelijk de standaard behandelingen!
5 tekenen van ontsteking:
- Rubor= roodheid
- Calor= warmte
- Dolor= pijn
- Tumor= zwelling
- Functio laesa= functieverlies
Vormen van groei:
- Normale groei
- Groeistoornissen:
• Aangepaste groei: adaptatie van cellen door omgevingsverandering van de cel
• Grootte
• Aantal
• Fenotype
• Metabole activiteit
• Functie
• Autonome groei: tumorgroei
Kwantitatieve adaptatie:
Hypertrofie: orgaan wordt groter doordat de cellen groter worden
- Fysiologisch (spiergroei, toename uterus bij zwangerschap) of pathologisch (hypertrofie hart)
Hyperplasie: orgaan wordt groter door toename van aantal cellen
- Fysiologisch (bv borstvoeding) en pathologisch (BPH, endometriumhyperplasie)
!Ook een combinatie van hyperplasie en hypertrofie in een orgaan kan voorkomen.
Atrofie is afname van weefsel.
Kwalitatieve adaptatie
Metaplasie: verandering van het ene celtype (epitheliaal en mesenchymaal) naar het andere celtype op
ene plaats waar die normaal niet voorkomt
- Compensatiemechanisme (bv bij chronische irritatie) waarbij een uitgerijpt (gedifferentieerd)
weefsel overgaat in een ander uitgerijpt weefsel.
- Voordeel: reversibel, cilinderepitheel <> meerlagig plaveiselepitheel en zo beter bestand tegen
stress-situatie
- Nadeel: functieverlies en verhoogde kans dysplasie (pre-maligne) en/of maligniteit
BV: Normaal cilinderepitheel met trilharen, bv door roken of vit a gebrek (retinol) ontstaat meerlagig
plaveiselepitheel, welke geen trilaren heeft en geen mucus produceert, dus functieverlies.
BV: door refluxziekte zal plaveiselepitheel van de slokdarm overgaan in cilindrisch epitheel (net als maag)
Dysplasie
- Ongeorganiseerde groei: abnormale rijping
- Het weefsel wordt ordeloos (architectureel)
- Cellen zelf zien er afwijkend uit (cellulaire atypie, grote kernen, weinig cytoplasma)
,Dysplastisch epitheel
- Verstoring architectuur
- Afwijkende cel- kernmorfologie (atypie)
- Verstoorde uitrijping
- Mitosen in het gehele epitheel
- Gradering: geringe dysplasie, ernstige dysplasie, ernstige dysplasie (=carcinoma in situ (CIS))
- Ontstaat vanuit metaplastisch epitheel
- Reversibel, niet altijd progressie naar kanker.
Invasieve groei (door basaalmembraan): carcinoom maligne
Neoplasma: nieuwvorming
- Abnormale weefselmassa, waarvan de groei ongecontroleerd is en uitstijgt boven die van normaal
weefsel, ook na stoppen van de stimulus die de verandering heeft veroorzaak
- Niet elke neoplasie wordt een tumor
- Oncos= tumor, oncologie= leer van neoplasma ’s
Naamgeving benigne tumoren
Epitheliaal: ontstaat uit parenchym (functionele cellen van orgaan), met hieromheen stroma (vet, vaten
en bindweefsel)
- Tumoren kunnen ook zelf stroma maken, zodat ze kunnen groeien: desmoplastisch stroma. Dit
stroma maakt de tumor palpabel of zichtbaar bij radiologisch onderzoek. Het speelt een cruciale rol
bij de ontwikkeling van kanker, progressie en metastase.
- Vernoemd naar de cel van origine met de onderlinge samenhang van tumorcellen: macroscopisch
en microscopisch patroon
• Adenoom: buisdifferentiatie/buisvormend
• Papilloom: vingervormige uitstulpingen, ontstaat uit meerlagig plaveiselepitheel
• Cystadenoom: holtevormig en buisvormig, bekleed met epitheel
• Papillair cystadenoom: vingervormige uitstulpingen, holtevorming
• Poliep: tumor (bloemkoolachtig) met of zonder steel, uitstekend boven het slijmvlies
• Fibroadenoom: fibreuze component
Mesenchymaal:
- Cel van origine + achtervoegsel -oom/-oma
- Uitzonderingen die wel maligne zijn: lymfoom,
mesothelioom, melanoom, seminoom,
neuroblastoom, teratoom.
,Naamgeving maligne tumoren
Epitheliaal:
- Groeiwijze/epitheeltype + carcinoom
• Plaveiselcarcinoom: vormt velden +/- verhoorning
• Adenocarcinoom: vormt buizen (glandulair)
• Basaalcelcarcinoom: vormt velden
• Overgangsepitheelcarcinoom: vormt velden
Mesenchymaal
- Cel van origine + sarcoom
Differentiatie
- In hoeverre lijkt de tumor nog morfologisch en functioneel op originele weefsel
• Benigne: goed gedifferentieerd
• Maligne: goed, matig of slecht gedifferentieerd
Ongedifferentieerd: anaplastisch
Criteria differentiatie:
- Polymorfie/pleomorfie/anismorfie: variatie in vorm en grootte van cellen en/of kernen
- Hyperchromasie/grofkorrelig chromatine: donkere kernen door DNA
- Verstoring kern-cytoplasma ratio (grotere kern)
- Grote nucleoli
- Toename aantal mitosen
- Atypische mitosen (mercedes logo)
- Tumorreuscellen
- Verstoring oriëntatie cellen (polariteitsverlies)
- Necrose
Metastasering
- Tumorimplantatie los van primaire tumor
- Zeker kenmerk van maligniteit
- Vrijwel alle kankers kunnen metastaserem
- Vermogen tot metastaseren niet af te lezen aan histologie
- Ten tijde van diagnose hebben 30% vd solide tumoren al metastasen
- Direct via doorgroei of lymfogeen, hematogeen of direct via lichaamsholten/oppervlakten.
Belangrijke bepalende factoren voor de prognose zijn het soort tumor, welke soort cellen en de leeftijd
van de patiënt.
, Hoorcollege 2; Pathologie van de mamma
Anatomie en histopathologie van de mamma
- Bestaat voornamelijk uit vet- bind- en klierweefsel
- Liggen op de diepe fascie van de m. pectoralis major meet de
tepel ter hoogte van rib 5
- Op te delen in 4 kwadranten: linksonder, linksboven,
rechtsonder, rechtsboven
- Klieren bestaan uit lobuli (melkproductie) en ducti (afvoer naar
tepel)
- Mannen hebben over het algemeen geen lobuli
- Acinus: myoepitheel aan de buitenkant en 1 laag luminaal epitheel aan binnenkant
- Ligamenten van Cooper bieden stevigheid in de borst: van clavicula en de clavipectorale fascia naar
de dermis van de borst (→ vormbehoud)
- Areola= gepigmenteerde gebied rondom de tepel
- Vascularisatie: A. thoracica lateralis, a. thoracica interna, a. axillaris en aa. Intercostales
- Innervatie: nn. Intercostobrachialis (sensoriek binnenkant bovenarm, oksel), n. thoracodorsalis (m.
lattisimus dorsi) en n. thoracicus longus (m. serratus anterior)
Proces bij pathologie
Aangeleverd materiaal → macroscopisch → microscopisch → aanvullend onderzoek → verslag, MDO
Pre-operatief
Cytologie (punctie)
Biopten (histologie)
Bij een vacuüm biopt krijg je meer materiaal, dus ook minder last van sampling error.
Postoperatief
Lumpectomie (borstsparende operatie) of ablatio (borst verwijderen):
- Noodzakelijke informatie: oriëntatie, voorbehandeling, eerdere operatie, hoeveel tumoren, waar
zitten tumoren, waar zijn biopten genomen, marker aanwezig, calcificaties of gebied van non-mass
enhancement, radiologische afmeting, klinisch of radiologische verdenking bedreigd resectievlak
(waar?), extra excisie (waar?)