Hoofdstuk 1
wetenschappelijk onderzoek: is systematisch, controlled empirical, amoral, public and critical
investigation of natural phenomena. its guided by theory and hypothesis about the presumed relations
among such penomena.
empirisch onderzoek: de conclusies moeten gebasseerd zijn op (systematisch en gecontroleerde)
waarnemingen of observaties van een verschijnsel in de werkelijkheid.
paradigmata
1. paradigma: de anier waarop de onderzoeker tegen de werkelijkheid aankijkt.
2. empirisch-analitische paradigma:
a. positivisme: verschijnsels kunnen beschreven en verklaard worden in abstracte termen
en op basis van observteis kunnen we generaliseren naar algemeen geldende regels,
door middel van inductie - ik zi vogels, die fluiten hoor ik, dus alle vogels fluiten.
b. kritisch-rationalisme: tegen bovengenoemde inducties, maken gebruik van deductie -
als alle vogels fluiten, moeten vogels in mijn steekproef ook fluiten ookwel
falsificatie-principe genoemd. als de theorie en observteis niet overeen komen dan aalt
de theorie in werkelijkheid weinig theorien die iets uitsluiten.
3. kritische paradigma: de werkelijkheid bestaat niet, ons beeld ervan is een voorlopige, door
maatschappelijke oorzaken bepaalde werkelijkheid - onderzoeksprocessen kunnen niet los
worden gezien van de maatschappelijke context waarin het onderzoek wordt verricht.
instrumenten
- het meetbaar maken van verschijnselen, van gedrag of constructen noemen we
operationalisatie.
o het constuct moet op de juiste manier geoperationaliseerd zijn om observaties te
krijgen die niet alleen VALIDE zijn, maar ook BETROUWBAAR.
Beschrijvendonderzoek
- gericht op het beschrijven van bepaald natuurlijk verschijnsel in de werkelijkheid
- correlatie tussen mogelijke oorzaken en mogelijke gevolgen - correlationeel onderzoek
- causaal verband tussen oorzaak en gevolg niet goed vastgesteld worden
o betere voeding, langer leven (kan blijken) maar kan aan andere dingen liggen, hoger
inkomen, niet roken etc.
experimenteel onderzoek
- bepaald aspect van de onderzoeksomstandigheden systematisch verieert
o de verandering staat centraal
o gebaseerd op de evaluatie van causale verbanden
- gerandomisserd experiment: aselecte toewijzing proefpersonen
- veld onderzoek: geen controle over sommige aspecten (wind, regen etc)
- laboratioriumondezoek: meer contrle over aspecten (kunstmatige omstandigheden)
Hoofdstuk 2
Empirisch onderzoek richt zich vaak op het vaststellen van verbanden tussen vermeende oorzaken en
gevolgen. De onderzoeker wil nagaan of één variabele invloed heeft op een andere door middel van
hypothese-toetsing. De meest betrouwbare methode hiervoor is het experiment, dat als ‘gouden
standaard’ wordt beschouwd vanwege de sterke validiteit van de conclusies.
In experimenteel onderzoek manipuleert de onderzoeker een variabele om het effect op een andere
variabele te meten. Een voorbeeld hiervan is het testen van een nieuwe lesmethode door leerlingen in
twee groepen te verdelen: één groep volgt de nieuwe methode, de andere het reguliere onderwijs. Het
doel is om te bepalen of de nieuwe methode leidt tot betere prestaties.
Bij hypothese-toetsend onderzoek wordt onderzocht of de variabelen daadwerkelijk in de verwachte
richting samenhangen. Twee kernbegrippen hierbij zijn ‘variabelen’ en ‘op de verwachte wijze’, die
verder worden toegelicht voordat er dieper op experimenteel onderzoek wordt ingegaan.
Variabelen
Een variabele is een eigenschap van objecten of personen die kan variëren en verschillende waarden
kan aannemen. Bijvoorbeeld, het aantal broers en zussen van een persoon is een variabele, terwijl het
geslacht van iemands moeder een constante is en dus geen variabele.
,In vrijwel alles om ons heen zijn variaties te vinden, waardoor veel eigenschappen als variabelen
kunnen worden beschouwd. Voorbeelden hiervan zijn:
Personen: lengte, gewicht, politieke voorkeur, inkomen, populariteit.
Teksten: aantal woorden, spelfouten, leestekens.
Woorden: gebruiksfrequentie, aantal lettergrepen, grammaticale woordsoort.
Objecten: gewicht, energieverbruik, kostprijs.
Organisaties: aantal werknemers, omzet, rechtsvorm.
Variabelen spelen een cruciale rol in onderzoek, omdat ze gemeten en geanalyseerd kunnen worden
om patronen en verbanden te ontdekken.
Onafhankelijke en afhankelijke variabelen
In hypothese-toetsend onderzoek onderscheiden we twee soorten variabelen:
1. Onafhankelijke variabele: Dit is de variabele die door de onderzoeker wordt gemanipuleerd en
waarvan het effect wordt onderzocht. Bijvoorbeeld, in een experiment naar een nieuwe
lesmethode is de lesmethode de onafhankelijke variabele. De waarden van deze variabele,
zoals "nieuw" en "oud", worden door de onderzoeker gekozen en zijn niet afhankelijk van
andere factoren.
2. Afhankelijke variabele: Dit is de variabele waarop de verwachte invloed wordt gemeten.
Bijvoorbeeld, in het onderwijsvoorbeeld zijn de toetsresultaten van leerlingen de afhankelijke
variabele. Deze variabele wordt geobserveerd en gemeten om te bepalen of de onafhankelijke
variabele effect heeft gehad.
Hoewel de onafhankelijke variabele vaak als ‘oorzaak’ en de afhankelijke variabele als ‘gevolg’ wordt
gezien, is het doel van het onderzoek juist om te bewijzen dat er daadwerkelijk een causaal verband
bestaat. De onderzoeker varieert de onafhankelijke variabele en observeert of dit leidt tot
veranderingen in de afhankelijke variabele.
Voorbeeld: Een studie onderzocht of een glimlach of frons invloed heeft op hoe luisteraars woorden
verwerken. De onafhankelijke variabele was de fonetische variant van het gesproken woord (neutraal,
glimlach, frons), en de afhankelijke variabele was de snelheid waarmee luisteraars de woorden als
positief of negatief categoriseerden.
Falsificatie en de nul-hypothese
Wetenschappelijk onderzoek heeft als doel goed onderbouwde en gerechtvaardigde kennis te
ontwikkelen. Dit brengt het inductieprobleem met zich mee, zoals door Hume beschreven: het is
onmogelijk om met absolute zekerheid van specifieke waarnemingen een algemene regel af te leiden.
Een voorbeeld hiervan is de overtuiging dat "alle zwanen wit zijn"; het zien van één zwarte zwaan kan
deze overtuiging direct ontkrachten.
Dit principe wordt in wetenschappelijk onderzoek toegepast via falsificatie, een methode ontwikkeld
door Karl Popper. Hierbij proberen we een hypothese niet te bewijzen, maar juist te weerleggen. In
hypothese-toetsend onderzoek stellen we een nul-hypothese (H₀) op, die stelt dat er geen effect of
verschil is. De alternatieve hypothese (H₁) stelt het tegenovergestelde.
Bijvoorbeeld, in een experiment naar een nieuwe lesmethode is H ₀: de nieuwe methode is niet beter
dan de oude methode. Als de resultaten van de nieuwe methode significant beter zijn, wordt H ₀
onwaarschijnlijk, wat H₁ versterkt. Dit werkt net als de zwarte zwaan: als H ₀ waar zou zijn, zou er
geen verschil moeten zijn, maar als er wél een verschil is, ondermijnt dit H ₀.
Een wetenschappelijke theorie moet falsifieerbaar zijn, wat betekent dat het mogelijk moet zijn om te
bewijzen dat de theorie onjuist is. Hoe vaker een theorie bestand blijft tegen pogingen tot falsificatie,
hoe sterker de wetenschappelijke onderbouwing ervan wordt. Bijvoorbeeld, de bewering “het klimaat
wordt warmer” is herhaaldelijk getest en blijft overeind, wat de wetenschappelijke validiteit vergroot.
Tot slot worden verschillende uitspraken beoordeeld op hun falsifieerbaarheid:
"Alle zwanen zijn wit" en "de gemiddelde temperatuur stijgt sinds 1900" zijn falsifieerbaar en
dus wetenschappelijk bruikbaar.
Subjectieve uitspraken zoals "de muziek van Coldplay is beter dan die van U2" zijn niet
falsifieerbaar en daarmee niet wetenschappelijk toetsbaar.
De Empirische Cyclus
De empirische cyclus, zoals beschreven door De Groot (1961), is een systematische manier om
wetenschappelijk onderzoek te structureren. Dit model bestaat uit vijf fasen:
, 1. Observatiefase – De onderzoeker signaleert een probleem of fenomeen en formuleert
veronderstellingen over mogelijke relaties tussen theoretische concepten. Dit kan voortkomen
uit literatuuronderzoek, case-studies of opmerkelijke verschijnselen.
2. Inductiefase – Op basis van observaties worden algemene hypothesen opgesteld. Dit is een
proces van generalisatie waarbij specifieke waarnemingen leiden tot bredere theoretische
inzichten.
3. Deductiefase – De hypothesen worden vertaald naar concrete, toetsbare voorspellingen. Dit
gebeurt door logische redenering vanuit algemene principes naar specifieke verwachtingen.
4. Toetsingsfase – De voorspellingen worden experimenteel of empirisch getest. Data worden
verzameld en geanalyseerd om te bepalen of de hypothesen standhouden.
5. Evaluatiefase – De resultaten worden geïnterpreteerd, tekortkomingen van het onderzoek
worden besproken en mogelijke alternatieve verklaringen worden overwogen. Dit leidt vaak
tot nieuwe onderzoeksvragen en een herhaling van de cyclus.
Een belangrijk inzicht is dat waarneming nooit volledig objectief is. Observaties zijn altijd beïnvloed
door eerdere kennis en theorieën. Een expliciet theoretisch kader helpt bij het gericht verzamelen en
interpreteren van data. Bovendien is het proces van het formuleren van veronderstellingen grotendeels
creatief en niet strikt methodologisch vastgelegd.
Inductie en Hypothesen
In de inductiefase wordt een specifieke observatie gegeneraliseerd tot een algemene hypothese. Dit
houdt in dat een onderzoeker uit beperkte waarnemingen een bredere regel afleidt. Bijvoorbeeld: als
een onderzoeker merkt dat vrouwen in zijn/haar omgeving meer praten dan mannen, kan hij/zij de
hypothese formuleren: "Vrouwen praten meer dan mannen."
Een goede hypothese moet aan drie criteria voldoen:
1. Empirische inhoud – De hypothese moet duidelijk definiëren welke observaties erbij horen,
bijvoorbeeld of het om alle vrouwen en mannen gaat of alleen Nederlandstalige sprekers.
2. Logische coherentie – De hypothese moet aansluiten bij bestaande theorieën en mag niet
tegenstrijdig zijn.
3. Eenduidigheid – De hypothese moet slechts één duidelijke voorspelling doen.
Drie typen hypothesen volgens De Groot (1961):
1. Universeel-deterministische hypothesen
o Vorm: "Alle A’s zijn B’s."
o Voorbeeld: "Alle zwanen zijn wit."
o Falsifieerbaar: Één zwarte zwaan kan de hypothese ontkrachten.
o Niet verifieerbaar: Je kunt nooit alle zwanen in het universum observeren.
2. Deterministische existentiehypothesen
o Vorm: "Er is ten minste één A die B is."
o Voorbeeld: "Er bestaat ten minste één zwaan die wit is."
o Verifieerbaar: Eén waarneming kan de hypothese bevestigen.
o Niet falsifieerbaar: Je kunt nooit bewijzen dat er nergens een A bestaat die B is.
3. Probabilistische hypothesen
o Vorm: "Er zijn relatief meer A’s die B zijn dan niet-A’s die B zijn."
o Voorbeeld: "Vrouwen praten gemiddeld meer dan mannen."
o Niet absoluut: Geeft alleen een statistische waarschijnlijkheid aan.
o Toepasselijk op gedragswetenschappen: Veel hypothesen in sociale en
gedragswetenschappen zijn probabilistisch.
Kort samengevat: Inductie is een belangrijke, maar risicovolle stap in wetenschappelijk onderzoek.
Het leidt tot hypothesen die vervolgens getoetst moeten worden. De mate waarin een hypothese
toetsbaar en falsifieerbaar is, bepaalt haar wetenschappelijke waarde.
Deductie, Toetsing en Evaluatie
1. Deductie
In deze fase worden specifieke voorspellingen afgeleid uit een algemene hypothese. Bijvoorbeeld, als
de hypothese (H1) is "Vrouwen praten meer dan mannen", dan kan een specifieke voorspelling zijn dat
in een steekproef van 40 vrouwelijke en 40 mannelijke docenten Nederlands, de vrouwen gemiddeld
meer woorden zullen gebruiken.
wetenschappelijk onderzoek: is systematisch, controlled empirical, amoral, public and critical
investigation of natural phenomena. its guided by theory and hypothesis about the presumed relations
among such penomena.
empirisch onderzoek: de conclusies moeten gebasseerd zijn op (systematisch en gecontroleerde)
waarnemingen of observaties van een verschijnsel in de werkelijkheid.
paradigmata
1. paradigma: de anier waarop de onderzoeker tegen de werkelijkheid aankijkt.
2. empirisch-analitische paradigma:
a. positivisme: verschijnsels kunnen beschreven en verklaard worden in abstracte termen
en op basis van observteis kunnen we generaliseren naar algemeen geldende regels,
door middel van inductie - ik zi vogels, die fluiten hoor ik, dus alle vogels fluiten.
b. kritisch-rationalisme: tegen bovengenoemde inducties, maken gebruik van deductie -
als alle vogels fluiten, moeten vogels in mijn steekproef ook fluiten ookwel
falsificatie-principe genoemd. als de theorie en observteis niet overeen komen dan aalt
de theorie in werkelijkheid weinig theorien die iets uitsluiten.
3. kritische paradigma: de werkelijkheid bestaat niet, ons beeld ervan is een voorlopige, door
maatschappelijke oorzaken bepaalde werkelijkheid - onderzoeksprocessen kunnen niet los
worden gezien van de maatschappelijke context waarin het onderzoek wordt verricht.
instrumenten
- het meetbaar maken van verschijnselen, van gedrag of constructen noemen we
operationalisatie.
o het constuct moet op de juiste manier geoperationaliseerd zijn om observaties te
krijgen die niet alleen VALIDE zijn, maar ook BETROUWBAAR.
Beschrijvendonderzoek
- gericht op het beschrijven van bepaald natuurlijk verschijnsel in de werkelijkheid
- correlatie tussen mogelijke oorzaken en mogelijke gevolgen - correlationeel onderzoek
- causaal verband tussen oorzaak en gevolg niet goed vastgesteld worden
o betere voeding, langer leven (kan blijken) maar kan aan andere dingen liggen, hoger
inkomen, niet roken etc.
experimenteel onderzoek
- bepaald aspect van de onderzoeksomstandigheden systematisch verieert
o de verandering staat centraal
o gebaseerd op de evaluatie van causale verbanden
- gerandomisserd experiment: aselecte toewijzing proefpersonen
- veld onderzoek: geen controle over sommige aspecten (wind, regen etc)
- laboratioriumondezoek: meer contrle over aspecten (kunstmatige omstandigheden)
Hoofdstuk 2
Empirisch onderzoek richt zich vaak op het vaststellen van verbanden tussen vermeende oorzaken en
gevolgen. De onderzoeker wil nagaan of één variabele invloed heeft op een andere door middel van
hypothese-toetsing. De meest betrouwbare methode hiervoor is het experiment, dat als ‘gouden
standaard’ wordt beschouwd vanwege de sterke validiteit van de conclusies.
In experimenteel onderzoek manipuleert de onderzoeker een variabele om het effect op een andere
variabele te meten. Een voorbeeld hiervan is het testen van een nieuwe lesmethode door leerlingen in
twee groepen te verdelen: één groep volgt de nieuwe methode, de andere het reguliere onderwijs. Het
doel is om te bepalen of de nieuwe methode leidt tot betere prestaties.
Bij hypothese-toetsend onderzoek wordt onderzocht of de variabelen daadwerkelijk in de verwachte
richting samenhangen. Twee kernbegrippen hierbij zijn ‘variabelen’ en ‘op de verwachte wijze’, die
verder worden toegelicht voordat er dieper op experimenteel onderzoek wordt ingegaan.
Variabelen
Een variabele is een eigenschap van objecten of personen die kan variëren en verschillende waarden
kan aannemen. Bijvoorbeeld, het aantal broers en zussen van een persoon is een variabele, terwijl het
geslacht van iemands moeder een constante is en dus geen variabele.
,In vrijwel alles om ons heen zijn variaties te vinden, waardoor veel eigenschappen als variabelen
kunnen worden beschouwd. Voorbeelden hiervan zijn:
Personen: lengte, gewicht, politieke voorkeur, inkomen, populariteit.
Teksten: aantal woorden, spelfouten, leestekens.
Woorden: gebruiksfrequentie, aantal lettergrepen, grammaticale woordsoort.
Objecten: gewicht, energieverbruik, kostprijs.
Organisaties: aantal werknemers, omzet, rechtsvorm.
Variabelen spelen een cruciale rol in onderzoek, omdat ze gemeten en geanalyseerd kunnen worden
om patronen en verbanden te ontdekken.
Onafhankelijke en afhankelijke variabelen
In hypothese-toetsend onderzoek onderscheiden we twee soorten variabelen:
1. Onafhankelijke variabele: Dit is de variabele die door de onderzoeker wordt gemanipuleerd en
waarvan het effect wordt onderzocht. Bijvoorbeeld, in een experiment naar een nieuwe
lesmethode is de lesmethode de onafhankelijke variabele. De waarden van deze variabele,
zoals "nieuw" en "oud", worden door de onderzoeker gekozen en zijn niet afhankelijk van
andere factoren.
2. Afhankelijke variabele: Dit is de variabele waarop de verwachte invloed wordt gemeten.
Bijvoorbeeld, in het onderwijsvoorbeeld zijn de toetsresultaten van leerlingen de afhankelijke
variabele. Deze variabele wordt geobserveerd en gemeten om te bepalen of de onafhankelijke
variabele effect heeft gehad.
Hoewel de onafhankelijke variabele vaak als ‘oorzaak’ en de afhankelijke variabele als ‘gevolg’ wordt
gezien, is het doel van het onderzoek juist om te bewijzen dat er daadwerkelijk een causaal verband
bestaat. De onderzoeker varieert de onafhankelijke variabele en observeert of dit leidt tot
veranderingen in de afhankelijke variabele.
Voorbeeld: Een studie onderzocht of een glimlach of frons invloed heeft op hoe luisteraars woorden
verwerken. De onafhankelijke variabele was de fonetische variant van het gesproken woord (neutraal,
glimlach, frons), en de afhankelijke variabele was de snelheid waarmee luisteraars de woorden als
positief of negatief categoriseerden.
Falsificatie en de nul-hypothese
Wetenschappelijk onderzoek heeft als doel goed onderbouwde en gerechtvaardigde kennis te
ontwikkelen. Dit brengt het inductieprobleem met zich mee, zoals door Hume beschreven: het is
onmogelijk om met absolute zekerheid van specifieke waarnemingen een algemene regel af te leiden.
Een voorbeeld hiervan is de overtuiging dat "alle zwanen wit zijn"; het zien van één zwarte zwaan kan
deze overtuiging direct ontkrachten.
Dit principe wordt in wetenschappelijk onderzoek toegepast via falsificatie, een methode ontwikkeld
door Karl Popper. Hierbij proberen we een hypothese niet te bewijzen, maar juist te weerleggen. In
hypothese-toetsend onderzoek stellen we een nul-hypothese (H₀) op, die stelt dat er geen effect of
verschil is. De alternatieve hypothese (H₁) stelt het tegenovergestelde.
Bijvoorbeeld, in een experiment naar een nieuwe lesmethode is H ₀: de nieuwe methode is niet beter
dan de oude methode. Als de resultaten van de nieuwe methode significant beter zijn, wordt H ₀
onwaarschijnlijk, wat H₁ versterkt. Dit werkt net als de zwarte zwaan: als H ₀ waar zou zijn, zou er
geen verschil moeten zijn, maar als er wél een verschil is, ondermijnt dit H ₀.
Een wetenschappelijke theorie moet falsifieerbaar zijn, wat betekent dat het mogelijk moet zijn om te
bewijzen dat de theorie onjuist is. Hoe vaker een theorie bestand blijft tegen pogingen tot falsificatie,
hoe sterker de wetenschappelijke onderbouwing ervan wordt. Bijvoorbeeld, de bewering “het klimaat
wordt warmer” is herhaaldelijk getest en blijft overeind, wat de wetenschappelijke validiteit vergroot.
Tot slot worden verschillende uitspraken beoordeeld op hun falsifieerbaarheid:
"Alle zwanen zijn wit" en "de gemiddelde temperatuur stijgt sinds 1900" zijn falsifieerbaar en
dus wetenschappelijk bruikbaar.
Subjectieve uitspraken zoals "de muziek van Coldplay is beter dan die van U2" zijn niet
falsifieerbaar en daarmee niet wetenschappelijk toetsbaar.
De Empirische Cyclus
De empirische cyclus, zoals beschreven door De Groot (1961), is een systematische manier om
wetenschappelijk onderzoek te structureren. Dit model bestaat uit vijf fasen:
, 1. Observatiefase – De onderzoeker signaleert een probleem of fenomeen en formuleert
veronderstellingen over mogelijke relaties tussen theoretische concepten. Dit kan voortkomen
uit literatuuronderzoek, case-studies of opmerkelijke verschijnselen.
2. Inductiefase – Op basis van observaties worden algemene hypothesen opgesteld. Dit is een
proces van generalisatie waarbij specifieke waarnemingen leiden tot bredere theoretische
inzichten.
3. Deductiefase – De hypothesen worden vertaald naar concrete, toetsbare voorspellingen. Dit
gebeurt door logische redenering vanuit algemene principes naar specifieke verwachtingen.
4. Toetsingsfase – De voorspellingen worden experimenteel of empirisch getest. Data worden
verzameld en geanalyseerd om te bepalen of de hypothesen standhouden.
5. Evaluatiefase – De resultaten worden geïnterpreteerd, tekortkomingen van het onderzoek
worden besproken en mogelijke alternatieve verklaringen worden overwogen. Dit leidt vaak
tot nieuwe onderzoeksvragen en een herhaling van de cyclus.
Een belangrijk inzicht is dat waarneming nooit volledig objectief is. Observaties zijn altijd beïnvloed
door eerdere kennis en theorieën. Een expliciet theoretisch kader helpt bij het gericht verzamelen en
interpreteren van data. Bovendien is het proces van het formuleren van veronderstellingen grotendeels
creatief en niet strikt methodologisch vastgelegd.
Inductie en Hypothesen
In de inductiefase wordt een specifieke observatie gegeneraliseerd tot een algemene hypothese. Dit
houdt in dat een onderzoeker uit beperkte waarnemingen een bredere regel afleidt. Bijvoorbeeld: als
een onderzoeker merkt dat vrouwen in zijn/haar omgeving meer praten dan mannen, kan hij/zij de
hypothese formuleren: "Vrouwen praten meer dan mannen."
Een goede hypothese moet aan drie criteria voldoen:
1. Empirische inhoud – De hypothese moet duidelijk definiëren welke observaties erbij horen,
bijvoorbeeld of het om alle vrouwen en mannen gaat of alleen Nederlandstalige sprekers.
2. Logische coherentie – De hypothese moet aansluiten bij bestaande theorieën en mag niet
tegenstrijdig zijn.
3. Eenduidigheid – De hypothese moet slechts één duidelijke voorspelling doen.
Drie typen hypothesen volgens De Groot (1961):
1. Universeel-deterministische hypothesen
o Vorm: "Alle A’s zijn B’s."
o Voorbeeld: "Alle zwanen zijn wit."
o Falsifieerbaar: Één zwarte zwaan kan de hypothese ontkrachten.
o Niet verifieerbaar: Je kunt nooit alle zwanen in het universum observeren.
2. Deterministische existentiehypothesen
o Vorm: "Er is ten minste één A die B is."
o Voorbeeld: "Er bestaat ten minste één zwaan die wit is."
o Verifieerbaar: Eén waarneming kan de hypothese bevestigen.
o Niet falsifieerbaar: Je kunt nooit bewijzen dat er nergens een A bestaat die B is.
3. Probabilistische hypothesen
o Vorm: "Er zijn relatief meer A’s die B zijn dan niet-A’s die B zijn."
o Voorbeeld: "Vrouwen praten gemiddeld meer dan mannen."
o Niet absoluut: Geeft alleen een statistische waarschijnlijkheid aan.
o Toepasselijk op gedragswetenschappen: Veel hypothesen in sociale en
gedragswetenschappen zijn probabilistisch.
Kort samengevat: Inductie is een belangrijke, maar risicovolle stap in wetenschappelijk onderzoek.
Het leidt tot hypothesen die vervolgens getoetst moeten worden. De mate waarin een hypothese
toetsbaar en falsifieerbaar is, bepaalt haar wetenschappelijke waarde.
Deductie, Toetsing en Evaluatie
1. Deductie
In deze fase worden specifieke voorspellingen afgeleid uit een algemene hypothese. Bijvoorbeeld, als
de hypothese (H1) is "Vrouwen praten meer dan mannen", dan kan een specifieke voorspelling zijn dat
in een steekproef van 40 vrouwelijke en 40 mannelijke docenten Nederlands, de vrouwen gemiddeld
meer woorden zullen gebruiken.