Samenvatting van Scott (2014), Institutions and Organizations
Geselecteerde pagina’s: 10–18, 56–70, 143–151**
---
1. Pagina’s 10–18 — Wat zijn instituties? (Basisconcepten)
In dit deel legt Scott uit wat instituties zijn en waarom ze zo belangrijk zijn in het begrijpen van
organisaties en menselijk gedrag.
Kernideeën
● Instituties zijn stabiele patronen van regels, normen en overtuigingen die gedrag sturen.
● Ze bestaan niet alleen uit formele regels (zoals wetten), maar ook uit informele
verwachtingen, gewoontes en gedeelde ideeën.
● Instituties zorgen voor voorspelbaarheid en orde in de samenleving.
● Mensen volgen instituties vaak automatisch, omdat ze:
○ als vanzelfsprekend worden gezien
○ sociaal worden verwacht
○ of formeel worden afgedwongen
Drie pijlers van instituties (Scott’s beroemde model)
1. Regulatieve pijler
○ Gaat over wetten, regels, sancties.
○ Gedrag wordt gestuurd door straffen en beloningen.
2. Normatieve pijler
○ Gaat over waarden en normen: wat hoort, wat is goed gedrag?
○ Gedrag wordt gestuurd door sociale verwachtingen.
3. Cultureel-cognitieve pijler
○ Gaat over gedeelde overtuigingen en vanzelfsprekendheden.
○ Gedrag wordt gestuurd door wat “normaal” of “logisch” voelt.
Waarom dit belangrijk is
Organisaties bestaan niet in een vacuüm. Ze worden gevormd door deze drie pijlers en moeten zich
eraan aanpassen om legitiem te blijven.
---
2. Pagina’s 56–70 — Institutionele orde en omgeving
Dit deel gaat dieper in op hoe instituties samen een omgeving vormen waarin organisaties opereren.
Kernideeën
● Organisaties worden beïnvloed door verschillende “institutionele ordes”, zoals:
, ○ de staat
○ de markt
○ de familie
○ religie
○ de gemeenschap
● Elke orde heeft zijn eigen logica: een set van waarden, regels en verwachtingen.
Institutionele logica’s
● Een institutionele logica bepaalt wat als juist, logisch of wenselijk wordt gezien binnen een
bepaald domein.
● Bijvoorbeeld:
○ De marktlogica draait om competitie, winst en efficiëntie.
○ De staatslogica draait om regels, gelijkheid en controle.
○ De familielogica draait om zorg, loyaliteit en relaties.
Organisaties moeten balanceren
Veel organisaties bevinden zich tussen meerdere logica’s.
Bijvoorbeeld een ziekenhuis moet rekening houden met:
● medische normen (professionele logica)
● overheidsregels (staatslogica)
● financiële eisen (marktlogica)
Dit kan spanning veroorzaken, maar ook ruimte bieden voor innovatie.
---
3. Pagina’s 143–151 — Institutionele verandering
Dit deel gaat over hoe instituties veranderen, ondanks dat ze vaak stabiel en hardnekkig lijken.
Kernideeën
● Instituties zijn stabiel, maar niet statisch. Ze veranderen door:
○ nieuwe ideeën
○ maatschappelijke druk
○ technologische ontwikkelingen
○ conflicten tussen logica’s
○ acties van individuen of organisaties
Mechanismen van institutionele verandering
Scott beschrijft verschillende manieren waarop instituties veranderen:
, 1. Drift
○ Regels blijven hetzelfde, maar de context verandert.
○ Hierdoor passen mensen de regels anders toe.
2. Layering
○ Nieuwe regels worden toegevoegd bovenop oude regels.
○ De oude instituties blijven bestaan, maar worden minder dominant.
3. Displacement
○ Oude instituties worden vervangen door nieuwe.
4. Conversion
○ Bestaande instituties krijgen een nieuwe betekenis of functie.
Rol van actoren
● Individuen en organisaties kunnen actief bijdragen aan verandering door:
○ nieuwe praktijken te introduceren
○ bestaande regels anders te interpreteren
○ coalities te vormen
○ druk uit te oefenen op beleidsmakers
Waarom dit belangrijk is
Het laat zien dat instituties niet alleen structuren zijn die ons beperken, maar ook velden waarin
mensen kunnen handelen, beïnvloeden en vernieuwen.
---
✨ Korte samenvatting in één alinea
Scott beschrijft instituties als stabiele, gedeelde regels, normen en overtuigingen die gedrag sturen via
drie pijlers: regulatief, normatief en cultureel-cognitief. Organisaties opereren binnen meerdere
institutionele ordes, elk met hun eigen logica’s, wat spanning maar ook mogelijkheden oplevert.
Hoewel instituties vaak stabiel lijken, veranderen ze voortdurend door maatschappelijke
ontwikkelingen, conflicten tussen logica’s en acties van individuen en organisaties. Deze
veranderingen kunnen plaatsvinden via drift, layering, displacement of conversion.
**📘 Samenvatting Bromley & Powell (2012)
From Smoke and Mirrors to Walking the Talk
(PDF p. 1–27, tot “Alternatives…”)**
---
1. Waar gaat het artikel over?
, Bromley & Powell onderzoeken waarom organisaties vaak iets anders doen dan ze zeggen. Ze noemen
dit decoupling: het loskoppelen van beleid, regels of beloften van wat er in de praktijk gebeurt.
Het artikel laat zien dat decoupling tegenwoordig veel voorkomt in allerlei sectoren: onderwijs, zorg,
bedrijven, non-profits, overheid. Organisaties presenteren zich graag als modern, transparant en
verantwoord, maar hun dagelijkse praktijk sluit daar niet altijd op aan.
---
2. Twee soorten decoupling
De auteurs onderscheiden twee belangrijke vormen:
1. Policy–practice decoupling
Dit is de klassieke vorm:
Organisaties hebben mooie regels, beleid of doelen, maar voeren ze niet echt uit.
Voorbeelden:
● Scholen die beleid hebben voor gelijke kansen, maar in praktijk ongelijkheid laten bestaan.
● Bedrijven die duurzaamheid beloven, maar vervuilende praktijken voortzetten.
● Overheden die transparantie beloven, maar informatie achterhouden.
Waarom gebeurt dit?
● Externe druk (bijv. overheid, media, stakeholders).
● Beperkte middelen.
● Symbolisch gedrag om er goed uit te zien.
● Complexiteit van implementatie.
2. Means–ends decoupling
Dit is een nieuwere vorm:
Organisaties voeren wel allerlei activiteiten uit, maar die leiden niet tot de beloofde resultaten.
Voorbeelden:
● Een organisatie meet van alles, maar de metingen verbeteren niets.
● Een bedrijf voert trainingen uit zonder dat gedrag verandert.
● Een school voert kwaliteitscontroles uit die geen effect hebben op onderwijs.
Waarom gebeurt dit?
● Te veel nadruk op procedures en meetbaarheid.
● Onrealistische doelen.
● Complexe problemen die niet makkelijk meetbaar zijn.
Geselecteerde pagina’s: 10–18, 56–70, 143–151**
---
1. Pagina’s 10–18 — Wat zijn instituties? (Basisconcepten)
In dit deel legt Scott uit wat instituties zijn en waarom ze zo belangrijk zijn in het begrijpen van
organisaties en menselijk gedrag.
Kernideeën
● Instituties zijn stabiele patronen van regels, normen en overtuigingen die gedrag sturen.
● Ze bestaan niet alleen uit formele regels (zoals wetten), maar ook uit informele
verwachtingen, gewoontes en gedeelde ideeën.
● Instituties zorgen voor voorspelbaarheid en orde in de samenleving.
● Mensen volgen instituties vaak automatisch, omdat ze:
○ als vanzelfsprekend worden gezien
○ sociaal worden verwacht
○ of formeel worden afgedwongen
Drie pijlers van instituties (Scott’s beroemde model)
1. Regulatieve pijler
○ Gaat over wetten, regels, sancties.
○ Gedrag wordt gestuurd door straffen en beloningen.
2. Normatieve pijler
○ Gaat over waarden en normen: wat hoort, wat is goed gedrag?
○ Gedrag wordt gestuurd door sociale verwachtingen.
3. Cultureel-cognitieve pijler
○ Gaat over gedeelde overtuigingen en vanzelfsprekendheden.
○ Gedrag wordt gestuurd door wat “normaal” of “logisch” voelt.
Waarom dit belangrijk is
Organisaties bestaan niet in een vacuüm. Ze worden gevormd door deze drie pijlers en moeten zich
eraan aanpassen om legitiem te blijven.
---
2. Pagina’s 56–70 — Institutionele orde en omgeving
Dit deel gaat dieper in op hoe instituties samen een omgeving vormen waarin organisaties opereren.
Kernideeën
● Organisaties worden beïnvloed door verschillende “institutionele ordes”, zoals:
, ○ de staat
○ de markt
○ de familie
○ religie
○ de gemeenschap
● Elke orde heeft zijn eigen logica: een set van waarden, regels en verwachtingen.
Institutionele logica’s
● Een institutionele logica bepaalt wat als juist, logisch of wenselijk wordt gezien binnen een
bepaald domein.
● Bijvoorbeeld:
○ De marktlogica draait om competitie, winst en efficiëntie.
○ De staatslogica draait om regels, gelijkheid en controle.
○ De familielogica draait om zorg, loyaliteit en relaties.
Organisaties moeten balanceren
Veel organisaties bevinden zich tussen meerdere logica’s.
Bijvoorbeeld een ziekenhuis moet rekening houden met:
● medische normen (professionele logica)
● overheidsregels (staatslogica)
● financiële eisen (marktlogica)
Dit kan spanning veroorzaken, maar ook ruimte bieden voor innovatie.
---
3. Pagina’s 143–151 — Institutionele verandering
Dit deel gaat over hoe instituties veranderen, ondanks dat ze vaak stabiel en hardnekkig lijken.
Kernideeën
● Instituties zijn stabiel, maar niet statisch. Ze veranderen door:
○ nieuwe ideeën
○ maatschappelijke druk
○ technologische ontwikkelingen
○ conflicten tussen logica’s
○ acties van individuen of organisaties
Mechanismen van institutionele verandering
Scott beschrijft verschillende manieren waarop instituties veranderen:
, 1. Drift
○ Regels blijven hetzelfde, maar de context verandert.
○ Hierdoor passen mensen de regels anders toe.
2. Layering
○ Nieuwe regels worden toegevoegd bovenop oude regels.
○ De oude instituties blijven bestaan, maar worden minder dominant.
3. Displacement
○ Oude instituties worden vervangen door nieuwe.
4. Conversion
○ Bestaande instituties krijgen een nieuwe betekenis of functie.
Rol van actoren
● Individuen en organisaties kunnen actief bijdragen aan verandering door:
○ nieuwe praktijken te introduceren
○ bestaande regels anders te interpreteren
○ coalities te vormen
○ druk uit te oefenen op beleidsmakers
Waarom dit belangrijk is
Het laat zien dat instituties niet alleen structuren zijn die ons beperken, maar ook velden waarin
mensen kunnen handelen, beïnvloeden en vernieuwen.
---
✨ Korte samenvatting in één alinea
Scott beschrijft instituties als stabiele, gedeelde regels, normen en overtuigingen die gedrag sturen via
drie pijlers: regulatief, normatief en cultureel-cognitief. Organisaties opereren binnen meerdere
institutionele ordes, elk met hun eigen logica’s, wat spanning maar ook mogelijkheden oplevert.
Hoewel instituties vaak stabiel lijken, veranderen ze voortdurend door maatschappelijke
ontwikkelingen, conflicten tussen logica’s en acties van individuen en organisaties. Deze
veranderingen kunnen plaatsvinden via drift, layering, displacement of conversion.
**📘 Samenvatting Bromley & Powell (2012)
From Smoke and Mirrors to Walking the Talk
(PDF p. 1–27, tot “Alternatives…”)**
---
1. Waar gaat het artikel over?
, Bromley & Powell onderzoeken waarom organisaties vaak iets anders doen dan ze zeggen. Ze noemen
dit decoupling: het loskoppelen van beleid, regels of beloften van wat er in de praktijk gebeurt.
Het artikel laat zien dat decoupling tegenwoordig veel voorkomt in allerlei sectoren: onderwijs, zorg,
bedrijven, non-profits, overheid. Organisaties presenteren zich graag als modern, transparant en
verantwoord, maar hun dagelijkse praktijk sluit daar niet altijd op aan.
---
2. Twee soorten decoupling
De auteurs onderscheiden twee belangrijke vormen:
1. Policy–practice decoupling
Dit is de klassieke vorm:
Organisaties hebben mooie regels, beleid of doelen, maar voeren ze niet echt uit.
Voorbeelden:
● Scholen die beleid hebben voor gelijke kansen, maar in praktijk ongelijkheid laten bestaan.
● Bedrijven die duurzaamheid beloven, maar vervuilende praktijken voortzetten.
● Overheden die transparantie beloven, maar informatie achterhouden.
Waarom gebeurt dit?
● Externe druk (bijv. overheid, media, stakeholders).
● Beperkte middelen.
● Symbolisch gedrag om er goed uit te zien.
● Complexiteit van implementatie.
2. Means–ends decoupling
Dit is een nieuwere vorm:
Organisaties voeren wel allerlei activiteiten uit, maar die leiden niet tot de beloofde resultaten.
Voorbeelden:
● Een organisatie meet van alles, maar de metingen verbeteren niets.
● Een bedrijf voert trainingen uit zonder dat gedrag verandert.
● Een school voert kwaliteitscontroles uit die geen effect hebben op onderwijs.
Waarom gebeurt dit?
● Te veel nadruk op procedures en meetbaarheid.
● Onrealistische doelen.
● Complexe problemen die niet makkelijk meetbaar zijn.