Hoofdstuk 1: Het menselijk lichaam
Anatomie en fysiologie
Anatomie
- Anatomie: een studie van de structuur en vorm van het lichaam, de verschillende
lichaamsdelen en hun onderlinge relaties. Je kijk hoe het lichaam is opgebouwd
- Grove- en microscopische anatomie:
➢ Grove anatomie : kijken we naar de grotere structuren, zoals het hart en de
botten, met het blote oog te zien
➢ Microscopische anatomie: structuren die niet met het blote oog te zien zijn,
microscoop nodig, bijv. cellen en weefsels
Fysiologie
- Studie van de werking en het functioneren van het lichaam en de verschillende
lichaamsonderdelen, verschillende specialismen zoals:
➢ neurofysiologie (werking van het zenuwstelsel)
➢ cardiofysiologie (functie van het hart)
relatie tussen anatomie en fysiologie
- onlosmakelijk met elkaar verbonden. De verschillende lichaamsdelen vormen een goed
georganiseerd geheel, en elk van die delen draag bij aan de werking van het lichaam als
geheel.
Opbouw van het menselijk lichaam
Van atomen tot organismen
- van klein naar groot heb je in je lichaam,
➢ moleculen, zoals water suiker en eiwitten. Verschillende moleculen -> cellen
➢ cellen, (kleinste eenheden wat leven op deze aarde) alle cellen hebben wat
gemeen maar hebben een specifieke rol. Een groep cellen -> weefsel
➢ weefsels, 4 basisweefseltypes, elk speelt een eigen rol. 2 of meer
weefselstructuren -> orgaan
➢ organen, vervult specifieke functie in het lichaam. Groep organen die
samenwerken om gemeenschappelijk doel -> orgaanstelsel.
➢ Orgaanstelsel, alle orgaanstelsel vormen bij elkaar -> organisme
➢ Organisme (een levend wezen)
Overzicht orgaanstelsels
- De huid: is de uitwendige bedekking van het lichaam, incl. het haar en nagels. Ze maakt
het lichaam waterdicht en beschermt de diepere weefsels tegen verwondingen als een
stootkussen, met behulp van zonlicht, produceert ze vitamine D en scheidt de huid zout
uit, in het zweet en helpt bij het reguleren van de lichaamstemperatuur. Receptoren
waarschuwen wat er aan het lichaamsopp gebeurt.
- Beenderstelsel: bestaat uit botten, kraakbeen en gewrichten. Ondersteunen het lichaam
en de skeletspieren gebruiken het beenderstelsel om te bewegen. Een beschermende
functie om zo bijv. de hersenen te beschermen doormiddel van een schedel. Binnenste
, van de beenderen bevinden zich mergholtes, hier worden bloedcellen gemaakt, ook
opslagplaats voor mineralen en vetcellen.
- Spierstelsel: 3 verschillende spierweefsels (dwarsgestreepte spieren) , skeletspieren,
gladde spieren en hartspierweefsel. Spieren van het hart (hartspierweefsel) en van
andere holle organen (gladde spieren) zorgen voor verplaatsing vloeistoffen en andere
stoffen langs een specifieke weg in het lichaam. Skeletspieren zorgen ervoor dat we
kunnen bewegen, handhaven ook de lichaamshouding, stabiliseren ze gewrichten en
genereren warmte.
- Zenuwstelsel: is het snelwerkende controlesysteem van het lichaam, bestaat uit
ruggenmerg, zenuwen en zintuiglijke receptoren, hierdoor reageert het lichaam op
prikkels die vanaf binnen en buiten het lichaam komen. Zintuiglijke receptoren vangen
veranderingen op en sturen berichten naar het CZS (hersenen en ruggenmerg) dit zijn
elektrische signalen, oftewel zenuwimpulsen, constant op de hoogte wat er speelt. Zo
sturen zij weer seintjes naar de bepaalde delen van het lichaam die actie moeten gaan
uitvoeren.
- Hormoonstelsel: regelt lichaamsactiviteiten, werkt wel veel langzamer, hormoonklieren
produceren boodschapperstoffen die hormonen worden genoemd en geven deze aan
het bloed, reist vervolgens naar organen waar functies kunnen worden uitgevoerd,
hormoonklieren bestaan uit de hypofyse, schildklier, bijschildklier, bijnieren, zwezerik,
alvleesklier, pijnappelklier, eierstokken (bij vrouwen) en testikels (bij mannen). Zijn niet
op dezelfde manier verbonden als onderdelen van andere orgaansystemen. Wat ze
gemeen hebben ze kunnen allemaal hormonen afscheiden die andere structuren
reguleren. Groei, voortplanting en gebruik van voedingsstoffen door cellen worden
gecontroleerd door hormonen.
- Circulatiestelsel: de primaire organen zijn het hart en de bloedvaten, door middel van
bloed levert het circulatiestelsel zuurstof, voedingsstoffen, hormonen en andere stoffen
aan cellen in het lichaam en neemt daar afvalstoffen (CO2) weer op. Witte bloedcellen
en chemicaliën in het bloed helpen het lichaam te beschermen (bacteriën, virussen en
tumorcellen). Hart stuwt bloed zodat het vervolgens naar alle lichaamsweefsels wordt
getransporteerd.
- Lymfestelsel: aanvulling op circulatiestelsel. Bestaat uit lymfevaten, lymfeklieren en
andere lymfoïde organen, zoals milt en amandelen. Wanneer vloeistof uit weefsels lekt,
brengen lymfevaten het weer terug naar de bloedbaan. De lymfeklieren en andere
lymfoïde organen helpen het bloed te zuiveren en bevatten witte bloedcellen, zijn
betrokken bij afweersysteem.
- Ademhalingsstelsel : om lichaam van zuurstof te voorzien en CO2 af te voeren. Bestaat
uit neusholtes, mondholte, keelholte, het strottenhoofd, de luchtpijp, de
luchtpijpvertakking en de longblaasjes, via de dunne wand longblaasjes worden o2 en
CO2 met elkaar uitgewisseld.
- Spijsverteringsstelsel: een buis die door het lichaam loopt, van mond tot anus. Bestaat
uit, de mondholte, de slokdarm, de maag, de dunne en dikke darm en het rectum. Aantal
hulporganen, lever, de galblaas en de alvleesklier. Voedsel af te breken en
voedingsstoffen aan het bloed te leveren, zo komen de voedingsstoffen bij het gehele
lichaam terecht. Afbreken van voedsel begint in de mond en wordt voltooid bij de dunne
darm, vanaf dat moment is het opnemen van voedingsstoffen en het opnieuw opnemen
van het water belangrijk. Onverteerd voedsel verlaat via de anus als ontlasting.
- Urinewegstelsel: normaal onderdeel van gezonde lichaamsfunctie is productie van
afvalstoffen die vervolgens moeten worden verwijderd. Afvalstoffen zijn: ureum en
, urinezuur, ontstaan wanneer lichaamscellen eiwitten en nucleïnezuur afbreken.
Urinewegstelsel verwijdert deze afvalstoffen uit het bloed en spoelt ze met de urine uit
het lichaam. Bestaat uit de nieren, de urineleiders, de blaas en de urinebuis. Andere
belangrijke functies, in stand houden van water- en zoutbalans, reguleren van het zuur-
base-evenwicht van het bloed, reguleren van normale bloeddruk.
- Voortplantingsstelsel: is voortbrengen van nakomelingen. Mannelijke zaadballen
produceren zaadcellen, daar horen ook nog de bijballen, de zaadleiders, de
zaadblaasjes en de prostaat bij. Vrouwelijke eierstokken produceren eicellen, daar
horen ook nog bij eileiders, de baarmoeder(vormt de plaats voor de ontwikkeling van de
foetus) en de vagina.
Homeostase
- Het vermogen van het lichaam om alle inwendige omstandigheden in evenwicht te
houden ondanks een voortdurend veranderende buitenwereld. Lichaamstemp is niet het
zelfde als de temp buiten. Vrijwel elk orgaanstelsel speelt een rol bij het handhaven van
de homeostase. De bloedwaarde van belangrijke voedingsstoffen moeten continu van
voldoende niveau zijn, de hartactiviteit en bloeddruk moeten constant worden
gemonitord en aangepast, zodat het bloed met voldoende kracht wordt voortgestuwd
om alle lichaamsweefsels te bereiken. Afvalstoffen mogen niet worden opgehoopt en
lichaamstemp nauwkeurig worden gecontroleerd. Communicatie is essentieel ->
voornamelijk zenuwstelsel en hormoonstelsel verantwoordelijk. De meeste
homeostatische controlemechanismen maken gebruik van negatieve feedback.
Waardes te laag, lichaam zal ze verhogen tot de juiste waarde is bereikt. Zo probeert het
lichaam zichzelf in evenwicht te houden.
De taal van anatomie
Anatomische positie
- Anatomische positie: het lichaam bevindt zich in een standaard positie -> met gezicht
naar voren, armen iets van het lichaam af met de handpalmen naar voren gericht, voeten
parallel.
Lichaamsvlakken
- Lichaam is driedimensionaal, kun je het lichaam op 3 verschillende manieren
doorsnijden om de binnenkant te bekijken.
- Het sagittale vlak: verdeelt het lichaam in linker- en rechterhelft. Over de gehele lengte -
> het mediane vlak
- Het frontale vlak/coronale vlak : verdeelt het lichaam in voor- (anterieur) en achterkant (
posterieur)
- Het transversale vlak: verdeelt het lichaam in boven- en onderkant, ook wel
dwarsdoorsnede genoemd.
Oriëntatie en richtingstermen
- Superior -> richting de bovenzijde van het lichaam
- Inferior -> richting de onderzijde van het lichaam
- Craniaal -> richting de schedel
- Caudaal -> richting het staartbeen
- Ventraal -> richting de buikzijde
, - Dorsaal -> richting de rugzijde
- Anterieur -> richting de voorzijde
- Posterieur -> richting de achterzijde
- Mediaal -> op de middenlijn van het lichaam
- Lateraal -> weg van de middenlijn van het lichaam
- Intermediaal -> tussen een meer mediale en een meer laterale structuur.
- Proximaal -> dicht bij de oorsprong van het lichaamsdeel of het aanhechtingspunt van
een ledemaat aan de lichaamsromp
- Distaal -> verder weg van de oorsprong van het lichaamsdeel of het aanhechtingspunt
van een ledemaat aan de lichaamsromp
- Superficieel (extern) -> richting of aan het lichaamsoppervlak
- Diep (intern of profundus) -> verder weg van het lichaamsoppervlak / meer intern
- Sinistra -> aan de linkerzijde.
- Dextra -> aan de rechterzijde.
Lichaamsholtes
- Dorsale lichaamsholte: 2 holtes die met elkaar verboden zijn. De schedelholte is de
ruimte in de schedel, hersenen zijn goed beschermd omdat ze zich in de schedelholte
bevinden. De ruggenmergholte strekt zich uit van de schedelholte tot het einde van het
ruggenmerg, een voortzetting van de hersenen dat beschermd wordt door de wervels,
die de ruggenmergholte omringen en samen de wervelkolom vormen.
- Ventrale lichaamsholte: bevat alle structuren in de borst en de buik, is onderverdeeld.
De borstholte wordt van de rest gescheiden door een koepelvormige spier, het middenrif
(diafragma). De organen in de borst worden beschermd door de ribbenkast. In het
midden van de borstholte ligt het mediastinum. Ruimte tussen de longen waar onder
andere het hart ligt. Aan de onderzijde van de middenrif bevinden zich de buikholte en de
bekkenholte. In de maag bevinden zich onder andere de maag, de lever en de darmen. In
de bekkenholte de blaas en de voortplantingsorganen.
- Andere lichaamsholtes: er bestaan nog verschillende kleinere lichaamsholtes, de
meeste hiervan het een opening naar buiten het lichaam, zoals de neusholte, de
bijholtes, de oogholtes, de middenoorholtes en de vagina.
Anatomie en fysiologie
Anatomie
- Anatomie: een studie van de structuur en vorm van het lichaam, de verschillende
lichaamsdelen en hun onderlinge relaties. Je kijk hoe het lichaam is opgebouwd
- Grove- en microscopische anatomie:
➢ Grove anatomie : kijken we naar de grotere structuren, zoals het hart en de
botten, met het blote oog te zien
➢ Microscopische anatomie: structuren die niet met het blote oog te zien zijn,
microscoop nodig, bijv. cellen en weefsels
Fysiologie
- Studie van de werking en het functioneren van het lichaam en de verschillende
lichaamsonderdelen, verschillende specialismen zoals:
➢ neurofysiologie (werking van het zenuwstelsel)
➢ cardiofysiologie (functie van het hart)
relatie tussen anatomie en fysiologie
- onlosmakelijk met elkaar verbonden. De verschillende lichaamsdelen vormen een goed
georganiseerd geheel, en elk van die delen draag bij aan de werking van het lichaam als
geheel.
Opbouw van het menselijk lichaam
Van atomen tot organismen
- van klein naar groot heb je in je lichaam,
➢ moleculen, zoals water suiker en eiwitten. Verschillende moleculen -> cellen
➢ cellen, (kleinste eenheden wat leven op deze aarde) alle cellen hebben wat
gemeen maar hebben een specifieke rol. Een groep cellen -> weefsel
➢ weefsels, 4 basisweefseltypes, elk speelt een eigen rol. 2 of meer
weefselstructuren -> orgaan
➢ organen, vervult specifieke functie in het lichaam. Groep organen die
samenwerken om gemeenschappelijk doel -> orgaanstelsel.
➢ Orgaanstelsel, alle orgaanstelsel vormen bij elkaar -> organisme
➢ Organisme (een levend wezen)
Overzicht orgaanstelsels
- De huid: is de uitwendige bedekking van het lichaam, incl. het haar en nagels. Ze maakt
het lichaam waterdicht en beschermt de diepere weefsels tegen verwondingen als een
stootkussen, met behulp van zonlicht, produceert ze vitamine D en scheidt de huid zout
uit, in het zweet en helpt bij het reguleren van de lichaamstemperatuur. Receptoren
waarschuwen wat er aan het lichaamsopp gebeurt.
- Beenderstelsel: bestaat uit botten, kraakbeen en gewrichten. Ondersteunen het lichaam
en de skeletspieren gebruiken het beenderstelsel om te bewegen. Een beschermende
functie om zo bijv. de hersenen te beschermen doormiddel van een schedel. Binnenste
, van de beenderen bevinden zich mergholtes, hier worden bloedcellen gemaakt, ook
opslagplaats voor mineralen en vetcellen.
- Spierstelsel: 3 verschillende spierweefsels (dwarsgestreepte spieren) , skeletspieren,
gladde spieren en hartspierweefsel. Spieren van het hart (hartspierweefsel) en van
andere holle organen (gladde spieren) zorgen voor verplaatsing vloeistoffen en andere
stoffen langs een specifieke weg in het lichaam. Skeletspieren zorgen ervoor dat we
kunnen bewegen, handhaven ook de lichaamshouding, stabiliseren ze gewrichten en
genereren warmte.
- Zenuwstelsel: is het snelwerkende controlesysteem van het lichaam, bestaat uit
ruggenmerg, zenuwen en zintuiglijke receptoren, hierdoor reageert het lichaam op
prikkels die vanaf binnen en buiten het lichaam komen. Zintuiglijke receptoren vangen
veranderingen op en sturen berichten naar het CZS (hersenen en ruggenmerg) dit zijn
elektrische signalen, oftewel zenuwimpulsen, constant op de hoogte wat er speelt. Zo
sturen zij weer seintjes naar de bepaalde delen van het lichaam die actie moeten gaan
uitvoeren.
- Hormoonstelsel: regelt lichaamsactiviteiten, werkt wel veel langzamer, hormoonklieren
produceren boodschapperstoffen die hormonen worden genoemd en geven deze aan
het bloed, reist vervolgens naar organen waar functies kunnen worden uitgevoerd,
hormoonklieren bestaan uit de hypofyse, schildklier, bijschildklier, bijnieren, zwezerik,
alvleesklier, pijnappelklier, eierstokken (bij vrouwen) en testikels (bij mannen). Zijn niet
op dezelfde manier verbonden als onderdelen van andere orgaansystemen. Wat ze
gemeen hebben ze kunnen allemaal hormonen afscheiden die andere structuren
reguleren. Groei, voortplanting en gebruik van voedingsstoffen door cellen worden
gecontroleerd door hormonen.
- Circulatiestelsel: de primaire organen zijn het hart en de bloedvaten, door middel van
bloed levert het circulatiestelsel zuurstof, voedingsstoffen, hormonen en andere stoffen
aan cellen in het lichaam en neemt daar afvalstoffen (CO2) weer op. Witte bloedcellen
en chemicaliën in het bloed helpen het lichaam te beschermen (bacteriën, virussen en
tumorcellen). Hart stuwt bloed zodat het vervolgens naar alle lichaamsweefsels wordt
getransporteerd.
- Lymfestelsel: aanvulling op circulatiestelsel. Bestaat uit lymfevaten, lymfeklieren en
andere lymfoïde organen, zoals milt en amandelen. Wanneer vloeistof uit weefsels lekt,
brengen lymfevaten het weer terug naar de bloedbaan. De lymfeklieren en andere
lymfoïde organen helpen het bloed te zuiveren en bevatten witte bloedcellen, zijn
betrokken bij afweersysteem.
- Ademhalingsstelsel : om lichaam van zuurstof te voorzien en CO2 af te voeren. Bestaat
uit neusholtes, mondholte, keelholte, het strottenhoofd, de luchtpijp, de
luchtpijpvertakking en de longblaasjes, via de dunne wand longblaasjes worden o2 en
CO2 met elkaar uitgewisseld.
- Spijsverteringsstelsel: een buis die door het lichaam loopt, van mond tot anus. Bestaat
uit, de mondholte, de slokdarm, de maag, de dunne en dikke darm en het rectum. Aantal
hulporganen, lever, de galblaas en de alvleesklier. Voedsel af te breken en
voedingsstoffen aan het bloed te leveren, zo komen de voedingsstoffen bij het gehele
lichaam terecht. Afbreken van voedsel begint in de mond en wordt voltooid bij de dunne
darm, vanaf dat moment is het opnemen van voedingsstoffen en het opnieuw opnemen
van het water belangrijk. Onverteerd voedsel verlaat via de anus als ontlasting.
- Urinewegstelsel: normaal onderdeel van gezonde lichaamsfunctie is productie van
afvalstoffen die vervolgens moeten worden verwijderd. Afvalstoffen zijn: ureum en
, urinezuur, ontstaan wanneer lichaamscellen eiwitten en nucleïnezuur afbreken.
Urinewegstelsel verwijdert deze afvalstoffen uit het bloed en spoelt ze met de urine uit
het lichaam. Bestaat uit de nieren, de urineleiders, de blaas en de urinebuis. Andere
belangrijke functies, in stand houden van water- en zoutbalans, reguleren van het zuur-
base-evenwicht van het bloed, reguleren van normale bloeddruk.
- Voortplantingsstelsel: is voortbrengen van nakomelingen. Mannelijke zaadballen
produceren zaadcellen, daar horen ook nog de bijballen, de zaadleiders, de
zaadblaasjes en de prostaat bij. Vrouwelijke eierstokken produceren eicellen, daar
horen ook nog bij eileiders, de baarmoeder(vormt de plaats voor de ontwikkeling van de
foetus) en de vagina.
Homeostase
- Het vermogen van het lichaam om alle inwendige omstandigheden in evenwicht te
houden ondanks een voortdurend veranderende buitenwereld. Lichaamstemp is niet het
zelfde als de temp buiten. Vrijwel elk orgaanstelsel speelt een rol bij het handhaven van
de homeostase. De bloedwaarde van belangrijke voedingsstoffen moeten continu van
voldoende niveau zijn, de hartactiviteit en bloeddruk moeten constant worden
gemonitord en aangepast, zodat het bloed met voldoende kracht wordt voortgestuwd
om alle lichaamsweefsels te bereiken. Afvalstoffen mogen niet worden opgehoopt en
lichaamstemp nauwkeurig worden gecontroleerd. Communicatie is essentieel ->
voornamelijk zenuwstelsel en hormoonstelsel verantwoordelijk. De meeste
homeostatische controlemechanismen maken gebruik van negatieve feedback.
Waardes te laag, lichaam zal ze verhogen tot de juiste waarde is bereikt. Zo probeert het
lichaam zichzelf in evenwicht te houden.
De taal van anatomie
Anatomische positie
- Anatomische positie: het lichaam bevindt zich in een standaard positie -> met gezicht
naar voren, armen iets van het lichaam af met de handpalmen naar voren gericht, voeten
parallel.
Lichaamsvlakken
- Lichaam is driedimensionaal, kun je het lichaam op 3 verschillende manieren
doorsnijden om de binnenkant te bekijken.
- Het sagittale vlak: verdeelt het lichaam in linker- en rechterhelft. Over de gehele lengte -
> het mediane vlak
- Het frontale vlak/coronale vlak : verdeelt het lichaam in voor- (anterieur) en achterkant (
posterieur)
- Het transversale vlak: verdeelt het lichaam in boven- en onderkant, ook wel
dwarsdoorsnede genoemd.
Oriëntatie en richtingstermen
- Superior -> richting de bovenzijde van het lichaam
- Inferior -> richting de onderzijde van het lichaam
- Craniaal -> richting de schedel
- Caudaal -> richting het staartbeen
- Ventraal -> richting de buikzijde
, - Dorsaal -> richting de rugzijde
- Anterieur -> richting de voorzijde
- Posterieur -> richting de achterzijde
- Mediaal -> op de middenlijn van het lichaam
- Lateraal -> weg van de middenlijn van het lichaam
- Intermediaal -> tussen een meer mediale en een meer laterale structuur.
- Proximaal -> dicht bij de oorsprong van het lichaamsdeel of het aanhechtingspunt van
een ledemaat aan de lichaamsromp
- Distaal -> verder weg van de oorsprong van het lichaamsdeel of het aanhechtingspunt
van een ledemaat aan de lichaamsromp
- Superficieel (extern) -> richting of aan het lichaamsoppervlak
- Diep (intern of profundus) -> verder weg van het lichaamsoppervlak / meer intern
- Sinistra -> aan de linkerzijde.
- Dextra -> aan de rechterzijde.
Lichaamsholtes
- Dorsale lichaamsholte: 2 holtes die met elkaar verboden zijn. De schedelholte is de
ruimte in de schedel, hersenen zijn goed beschermd omdat ze zich in de schedelholte
bevinden. De ruggenmergholte strekt zich uit van de schedelholte tot het einde van het
ruggenmerg, een voortzetting van de hersenen dat beschermd wordt door de wervels,
die de ruggenmergholte omringen en samen de wervelkolom vormen.
- Ventrale lichaamsholte: bevat alle structuren in de borst en de buik, is onderverdeeld.
De borstholte wordt van de rest gescheiden door een koepelvormige spier, het middenrif
(diafragma). De organen in de borst worden beschermd door de ribbenkast. In het
midden van de borstholte ligt het mediastinum. Ruimte tussen de longen waar onder
andere het hart ligt. Aan de onderzijde van de middenrif bevinden zich de buikholte en de
bekkenholte. In de maag bevinden zich onder andere de maag, de lever en de darmen. In
de bekkenholte de blaas en de voortplantingsorganen.
- Andere lichaamsholtes: er bestaan nog verschillende kleinere lichaamsholtes, de
meeste hiervan het een opening naar buiten het lichaam, zoals de neusholte, de
bijholtes, de oogholtes, de middenoorholtes en de vagina.