RS0522-252622S – Schakelzone OU
In deze samenvatting worden alle leerdoelen benoemd en daar antwoord op
geven. De antwoorden komen uit:
- Kennisclips Brightspace
- R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat
(druk 3)
- M.C. Burkens e.a, Beginselen van de democratische rechtsstaat
- Verplichte jurisprudentie (kort)
Alle leerdoelen worden ook benoemd.
Inhoudsopgave
Leereenheid 1: Staatsrecht en de rechtsstaat................................................................2
Stof: M.C. Burkens e.a, Beginselen van de democratische rechtsstaat. H2, par. 2.3
t/m 2.3.4, H3, par. 3.2 t/m 3.2.3 en 3.3 t/m 3.6, H5, par. 5.1 t/m 5.4.4 +
jurisprudentie.............................................................................................................. 2
Leereenheid 2: Het Nederlandse parlementair stelsel....................................................5
Stof: M.C. Burkens e.a, Beginselen van de democratische rechtsstaat. H9, par. 9.3,
H10, par. 10.1 t/m 10.3 en 10.5 t/m 10.6 + reader tekst 10: De controlerende taak
van de Staten-Generaal + jurisprudentie....................................................................5
Leereenheid 3: Inleiding bestuursrecht...........................................................................8
Stof: R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1. H1,
H2, H7, par. 7.1-7.3 en ‘over rechtspolitieke vloedgolven, maatwerk en verbouwingen
aan de Algemene wet bestuursrecht’ + jurisprudentie................................................8
Leereenheid 4: Bestuursorgaan, belanghebbende en bestuursbevoegdheden.............13
Stof: R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1. H3,
par. 3.1-3.3, H4, H11, par. 11.1-11.2 + jurisprudentie...............................................13
Leereenheid 5: Handelingen van bestuursorganen: algemeen.....................................19
Stof: R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1. H5,
par. 5.1 en 5.2 + jurisprudentie.................................................................................19
Leereenheid 6: Soorten en Awb-besluiten....................................................................24
Stof: R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1. H5,
par. 5.3 en 5.4, H13, par. 13.4 + jurisprudentie.........................................................24
Leereenheid 7: Normering van het bestuurshandelen..................................................27
Stof: R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1. H3,
par. 3.4, H5, par. 5.4.2 en 5.4.3., H8 + jurisprudentie...............................................27
Leereenheid 8: Normen voor het verkeer tussen burgers en overheid.........................34
Stof: R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1. H7,
H8, par. 8.1, 8.2, 8.3.1, 8.3.2 en 8.3.3 + jurisprudentie.............................................34
Leereenheid 9: Algemene regels voor de uitoefening van besluitbevoegdheid (deel 2)
en algemene regels voor bijzondere besluiten..............................................................43
Stof: R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1. H7,
par 7.5.6, H8, par. 8.3.4 t/m 8.3.7.............................................................................43
Leereenheid 9: Algemene regels voor de uitoefening van besluitbevoegdheid (deel 2)
en algemene regels voor bijzondere besluiten..............................................................51
Stof: R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1. H10,
H5, par. 15.1.............................................................................................................. 51
1
,Leereenheid 1: Staatsrecht en de rechtsstaat
Stof: M.C. Burkens e.a, Beginselen van de democratische rechtsstaat. H2, par. 2.3
t/m 2.3.4, H3, par. 3.2 t/m 3.2.3 en 3.3 t/m 3.6, H5, par. 5.1 t/m 5.4.4 +
jurisprudentie
Leerdoel 1: De voornaamste kenmerken van de klassiek-liberale
rechtsstaat kunt benoemen;
Hoofddoel: Beschermen van de individuele vrijheid tegen willekeur van de
overheid.
De vier fundamenten:
1. Legaliteitsbeginsel
- Vrijheid is de regel → beperking is uitzondering.
- Overheid mag alleen ingrijpen mét wettelijke grondslag.
- Wet moet duidelijk, algemeen en kenbaar zijn.
- Ongeschreven recht biedt te veel ruimte voor willekeur → daarom positief
recht.
2. Machtsverdeling
- Macht mag niet geconcentreerd zijn → scheiding van wetgeving, bestuur,
rechtspraak.
- Bedoeling: overheid mag nooit “rechter, uitvoerder en wetgever in eigen
zaak” zijn.
- Ook: checks and balances & decentralisatie.
3. Grondrechten
- Uitgangspunt: individu staat centraal (niet de staat of de collectiviteit).
- Staat moet neutraal blijven (geen staatsreligie, geen dwingend
mensbeeld).
- Vrijheid hoeft niet te worden uitgelegd; beperking moet worden
gerechtvaardigd.
- Grondrechten regelen precies wanneer beperkingen mogen.
4. Rechterlijke controle
- Onafhankelijke rechter is noodzakelijk.
- “Niemand mag rechter in eigen zaak zijn.”
- Rechter toetst:
o wettelijke grondslag,
o grondrechten,
o algemene beginselen van behoorlijk bestuur,
o soms ongeschreven rechtsbeginselen.
Kort: De klassiek-liberale rechtsstaat = vrijheid + wet + spreiding van macht +
grondrechten + onafhankelijke rechter.
Leerdoel 2: Kunt uitleggen hoe de betekenis van het begrip recht
veranderde in de achttiende eeuw;
Middeleeuwen → Recht = traditie
- Recht ontstaat uit gewoonte, oude gebruiken, privileges.
- De vorst moet dit vooral respecteren, maar is zelf bron van willekeur.
Absolutisme → mix van traditie + vorstelijk recht
- Vorst maakt ook nieuw recht, maar traditie blijft belangrijk.
Eind 18e eeuw → grote omslag. Recht wordt positief recht:
Recht is wat de wetgever vaststelt.
2
,Dit betekent:
- Macht wordt bevoegdheid:
overheid mag alleen iets doen als er een regel is die die bevoegdheid
geeft.
- Traditioneel gewoonterecht geldt alleen nog als de wetgever dit toelaat.
Belang van deze verandering
- De legitimiteit van macht verschuift van “traditie / God / vorst” → naar
wetgeving.
- Basisvoorwaarde voor de rechtsstaat.
Kort: De betekenis van recht verschuift van traditie → naar bewust gemaakt recht
(positieve wetgeving). Dit maakt de moderne rechtsstaat mogelijk.
Leerdoel 3: Kunt uitleggen wat de betekenis van de constitutie is voor
de rechtsstaat;
Constitutionalisme: Niet alleen bestuur, maar ook de wetgever moet worden
gebonden door hoger recht.
De constitutie heeft twee betekenissen:
1. Formele constitutie = Grondwet:
o Moeilijk te wijzigen (rigide).
o Hogere status dan gewone wetten.
2. Materiële constitutie = alle basisnormen van het staatsbestel:
o Grondwet
o Statuut
o Kieswet
o Ongeschreven regels (vertrouwensregel)
Functies van de constitutie:
1. Begrenst macht:
o Wie mag wat doen?
o Grenzen van bevoegdheden tussen organen (machtsverdeling).
2. Beschermt burgers
o Legt grondrechten vast, ook als grens voor de wetgever.
3. Waarborgt rechtszekerheid & rechtsgelijkheid
o Wetten moeten algemeen, kenbaar en niet willekeurig zijn.
4. Verankert de rechtsstaat
o Basisregels die zorgen dat macht niet ontspoort (historisch:
Jacobijnen, nazi-wetgeving).
5. Zorgt voor checks & balances
o Rechterlijke onafhankelijkheid
o Verdeling van taken
Kort: De constitutie beschermt tegen willekeur door ook de wetgever te
begrenzen. Zij is de hoogste norm van de rechtsstaat en regelt macht, rechten en
controle.
Leerdoel 4: Kunt beschrijven hoe het model van de trias politica van
Montesquieu in de loop van de negentiende eeuw veranderde.
Montesquieu zag drie machten:
1. Wetgevend
2. Uitvoerend
3. Rechterlijk
Maar in de 19e eeuw veranderde dit begrip sterk door de
rechtsstaatgedachte:
1. Wetgeving kreeg nieuwe betekenis
- Bij Montesquieu: “wetgeving” was alleen het maken van belangrijk recht.
3
, - Moderne betekenis: alle burgers bindende regelgeving.
Gevolg: Wetgever = orgaan dat algemene regels maakt → formele wetgever +
afgeleide regelgevers.
2. Uitvoering kreeg nieuwe betekenis
- Bij Montesquieu: uitvoering = uitvoeren van het recht, breed opgevat.
- Moderne betekenis: toepassing van regelgeving +
bestuurshandelingen.
3. Machtsverdeling werd geen strikte scheiding maar checks & balances
- De Nederlandse werkelijkheid past niet in Montesquieu’s strikte scheiding.
- Voorbeeld: regering heeft zowel uitvoeringstaken als wetgevende taken
(medewetgever).
- Modern systeem = gedeelde bevoegdheden + onderlinge controle.
4. Verticale machtsverdeling kwam erbij
- Rijk – provincie – gemeente.
- Niet bij Montesquieu, maar essentieel voor moderne rechtsstaat.
5. Rechter werd veel belangrijker
- Toezicht op bestuur via algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- Toetsing aan verdragen (en EU-recht).
- Maar: in NL geen toetsing van wetten aan de Grondwet (art. 120).
Kort: De moderne trias politica is geen scheiding van machten, maar een
systeem van samenwerkende én elkaar controlerende organen (checks &
balances). Het model van Montesquieu is aangepast aan legaliteit, democratie en
moderne bestuurstaak.
4