Les 2: het moleculaire organisatieniveau:
Leerdoelen:
2.1 beschrijf een atoom en leg uit welke invloeden de atoomstructuur heeft op de
interactie tussen atomen:
Materie =alles wat ruimte inneemt en massa heeft en komt voor in 3 toestanden; vast,
vloeibaar of gasvormig. De kleinste stabiele eenheid van materie is het atoom.
Atomen bevatten 3 belangrijke typen subatomaire deeltjes: protonen, neutronen en
elektronen. Alle atomen bevatten protonen en elektronen, normaal gesproken in gelijke
aantallen. Het aantal protonen in een atoom wordt het atoomgetal genoemd.
Alle atomen van een element hebben hetzelfde aantal protonen en dus hetzelfde
atoomgetal. Elementen zijn algemeen bekend door hun afkorting of chemisch symbool (bijv.
Na voor Natrium). Atomen van een element met een afwijkend aantal neutronen worden
isotopen genoemd.
Atomen zijn elektrisch neutraal; elke positieve proton wordt geneutraliseerd door een
negatief elektron. Deze elementen bezetten een geordende reeks elektronenschillen rond
de kern. Alleen de elektronen in de buitenste schil kunnen interactie vertonen met andere
atomen (het aantal elektronen in de buitenste schil is bepalend voor de chemische
eigenschappen van het element).
De eerste elektronenschil is gevuld als deze twee elektronen bevat. (een waterstofatoom
heeft één elektron in deze schil en daardoor kunnen waterstofatomen met veel andere
atomen reageren). De tweede elektronenschil kan maximaal 8 elektronen bevatten.
- instabiel: atomen met een niet-gevulde buitenste elektronenschil; ze zullen met andere
atomen reageren om een volledig bezette buitenste schil te zullen krijgen
- stabiel: atoom met een volledig bezette buitenste schil; zal geen interactie vertonen met
andere atomen.
- inert: elementen die niet deelnemen aan chemische reacties
, Atoomnummer = het aantal protonen in de kern
Massagetal = het aantal protonon + neutronen
Een atoom is geladen (= ion) of neutraal (= evenveel protonen als elektronen)
Massa lading
Protonen 1u + 1
Neutronen 1u 0
Elektronen 0 - 1
Alle materie bestaat uit atomen in verschillende combinaties. De chemische regels die de
interacties bepalen tussen afzonderlijke atomen en tussen atomen in verbindingen vormen
de grondslag van de fysiologie op celniveau.
Leerdoelen:
2.1 beschrijf een atoom en leg uit welke invloeden de atoomstructuur heeft op de
interactie tussen atomen:
Materie =alles wat ruimte inneemt en massa heeft en komt voor in 3 toestanden; vast,
vloeibaar of gasvormig. De kleinste stabiele eenheid van materie is het atoom.
Atomen bevatten 3 belangrijke typen subatomaire deeltjes: protonen, neutronen en
elektronen. Alle atomen bevatten protonen en elektronen, normaal gesproken in gelijke
aantallen. Het aantal protonen in een atoom wordt het atoomgetal genoemd.
Alle atomen van een element hebben hetzelfde aantal protonen en dus hetzelfde
atoomgetal. Elementen zijn algemeen bekend door hun afkorting of chemisch symbool (bijv.
Na voor Natrium). Atomen van een element met een afwijkend aantal neutronen worden
isotopen genoemd.
Atomen zijn elektrisch neutraal; elke positieve proton wordt geneutraliseerd door een
negatief elektron. Deze elementen bezetten een geordende reeks elektronenschillen rond
de kern. Alleen de elektronen in de buitenste schil kunnen interactie vertonen met andere
atomen (het aantal elektronen in de buitenste schil is bepalend voor de chemische
eigenschappen van het element).
De eerste elektronenschil is gevuld als deze twee elektronen bevat. (een waterstofatoom
heeft één elektron in deze schil en daardoor kunnen waterstofatomen met veel andere
atomen reageren). De tweede elektronenschil kan maximaal 8 elektronen bevatten.
- instabiel: atomen met een niet-gevulde buitenste elektronenschil; ze zullen met andere
atomen reageren om een volledig bezette buitenste schil te zullen krijgen
- stabiel: atoom met een volledig bezette buitenste schil; zal geen interactie vertonen met
andere atomen.
- inert: elementen die niet deelnemen aan chemische reacties
, Atoomnummer = het aantal protonen in de kern
Massagetal = het aantal protonon + neutronen
Een atoom is geladen (= ion) of neutraal (= evenveel protonen als elektronen)
Massa lading
Protonen 1u + 1
Neutronen 1u 0
Elektronen 0 - 1
Alle materie bestaat uit atomen in verschillende combinaties. De chemische regels die de
interacties bepalen tussen afzonderlijke atomen en tussen atomen in verbindingen vormen
de grondslag van de fysiologie op celniveau.