6 Farmacotherapie: Gastro intestinaal/recept - Voorbereiding/theorie
dinsdag 25 november 2025 13:24
➢ Boek: Toegepaste geneesmiddelenkennis
Hoofdstuk 9 Middelen bij aandoeningen aan het spijsverteringsstelsel
9.1 Middelen bij aandoeningen van de maag
9.1.1 Inleiding
- Maagsap: wordt geproduceerd door verschillende onderdelen van de maagsapklieren.
Belangrijkste bestanddelen van maagsap:
• Slijm.
• Bicarbonaat.
• Zoutzuur.
• Pepsinogeen.
• Intrinsic factor.
- Halscellen (slijmcellen):
• Produceren slijm: beschermende gel die het maagslijmvlies bedekt en beschermt tegen
zuur en enzymen.
• Produceren bicarbonaat: stof die maagzuur neutraliseert.
• Productie van slijm en bicarbonaat wordt gestimuleerd door prostaglandinen: stoffen die
de slijmvliesbescherming en doorbloeding regelen.
- Pariëtale cellen (wandcellen):
• Produceren zoutzuur: sterk zuur dat eiwitten afbreekt en micro-organismen doodt.
• Ouderen en gebruikers van antacida (zuurbinders) hebben meer risico op infecties door
lagere zuurgraad.
• Beschikken over receptoren voor gastrine, acetylcholine en histamine-2 (plaatsen waar
deze stoffen zich binden en maagzuurproductie stimuleren).
• Histamine: versterkt het effect van gastrine en acetylcholine op de zuurproductie.
• Produceren intrinsic factor (stof die nodig is voor opname van vitamine B12 uit het ileum).
- Hoofdcellen:
• Produceren pepsinogeen (voorloper van het enzym pepsine).
• Pepsinogeen wordt in de maag omgezet in pepsine: eiwitsplitsend enzym.
- Regulatie van maagsapsecretie:
1 Maagsapproductie wordt gestimuleerd door het parasympathisch zenuwstelsel (deel van
het zenuwstelsel dat rust en vertering bevordert).
Farmacotherapie AGZ Pagina 1
, het zenuwstelsel dat rust en vertering bevordert).
2 Zien, ruiken en proeven van voedsel activeert de nervus vagus (belangrijke zenuw die
organen in de buik aanstuurt) waardoor acetylcholine (neurotransmitter die
maagzuurproductie stimuleert) vrijkomt.
3 Anticholinergica (zoals atropine) blokkeren de werking van acetylcholine en remmen zo de
maagsapsecretie.
4 Stress en pijn remmen de maagsapproductie via het sympathisch zenuwstelsel (deel dat
actief wordt bij stress).
- Gastrine:
• Sterke stimulator van de maagsapafscheiding.
• Wordt geproduceerd door G-cellen: cellen in het antrum en duodenum die gastrine
afgeven.
• Secretie van gastrine vindt plaats bij:
○ Uitzetting van de maag.
○ Aanwezigheid van eiwitbevattend voedsel.
• Gastrine bereikt via de bloedbaan de pariëtale cellen.
- pH en maagzuurafwijkingen:
• Normale pH in de maag ligt tussen 1 en 2.
• Hyperaciditeit: overproductie van maagzuur waarbij de pH onder 1 daalt. Kan leiden tot
reflux, beschadiging van het maagslijmvlies en ulceratie.
• Helicobacter pylori: speelt een belangrijke rol bij beschadiging van het maagslijmvlies.
Behandeling bestaat uit een combinatie van een protonpompremmer, amoxicilline en
claritromycine.
• Achloorhydrie: tekort aan maagzuur, wat leidt tot een verhoogde gastrinespiegel.
9.1.2 Anti-emetica
- Het optreden van misselijkheid en braken wordt geregeld door het braakcentrum: gebied in de
hersenstam dat buiten de bloed-hersenbarrière ligt. Het ontvangt signalen vanuit verschillende
delen van het lichaam:
• Maag-darmkanaal.
• Evenwichtsorgaan: orgaan in het oor dat beweging en balans registreert.
• Cortex: hersenbuitenschors die prikkels zoals zien, ruiken en emoties verwerkt.
• Chemoreceptortriggerzone: gebied in de bodem van het vierde ventrikel dat gevoelig is
voor chemische prikkels.
- Verschillende neurotransmitters spelen een rol bij het activeren of remmen van het
braakcentrum. Bijvoorbeeld histamine, acetylcholine, serotonine, dopamine, neurokinine.
- Factoren die braken beïnvloeden:
• Jongere patiënten zijn gevoeliger voor braken dan oudere.
• Vrouwen zijn gevoeliger dan mannen.
• Verhoogd risico bij:
○ Gevoeligheid voor bewegingsziekte.
○ Eerdere behandeling met cytostatica (kankermedicijnen die snel delende cellen
remmen).
• Chronisch overmatig alcoholgebruik vermindert de neiging tot braken.
- Oorzaken stimulatie braakcentrum:
• Prikkeling van chemo- en mechanoreceptoren in maag, darm, lever en peritoneum kan via
de nervus vagus het braakcentrum activeren.
• Medicijnen zoals cytostatica en opioïden, en metabole afwijkingen zoals:
○ Hypercalciëmie: verhoogde calciumwaarde.
○ Uremie: ophoping van afvalstoffen bij nierfalen.
○ Endogene toxinen: gifstoffen die in het lichaam worden gevormd.
○ Zuur-base-stoornissen: kunnen het braakcentrum stimuleren via de
chemoreceptortriggerzone (CTZ).
• Vestibulaire (evenwicht) en psychogene (emotionele) factoren beïnvloeden het
braakcentrum via verbindingen met het evenwichtsorgaan en de hersenschors.
• Hormonale veranderingen zoals verhoogde hCG-spiegel (humaan choriongonadotrofine)
bij hyperemesis gravidarum kunnen braken uitlokken.
Farmacotherapie AGZ Pagina 2
, bij hyperemesis gravidarum kunnen braken uitlokken.
- Effecten van het braakcentrum:
• Activeert:
○ Diafragma.
○ Spieren van buikwand en borstkas.
○ Spieren van maag, slokdarm, larynx en farynx.
• Deze activatie veroorzaakt misselijkheid, kokhalzen en braken.
- Voordat anti-emetica worden gebruikt, moet de onderliggende oorzaak worden opgespoord en
behandeld, bijvoorbeeld hypercalciëmie, ketoacidose.
- Groepen anti-emetica:
• Muscarinereceptorantagonisten: blokkeren acetylcholine op muscarinereceptoren.
○ Scopolamine (Scopoderm): middel uit de bladeren van planten uit de
nachtschadefamilie.
○ Werking: blokkeert muscarinereceptoren (M1) voor acetylcholine in het nervus
vagus-systeem (zenuwstelsel dat organen in de buik aanstuurt).
○ Toediening: transdermaal (via pleisters).
○ Werkt drie dagen tegen alle vormen van reisziekte.
○ Bijwerkingen (door anticholinerge werking):
▪ Sedatie/slaperigheid.
▪ Visusstoornissen.
▪ Urineretentie/moeilijk kunnen plassen.
▪ Verminderde speekselproductie
• Antihistaminica: blokkeren histaminereceptoren.
○ Blokkeren de centrale H1-receptoren voor histamine (stof die betrokken is bij
allergische reacties en braken).
○ Hebben ook effect op muscarinereceptoren voor acetylcholine.
○ Toepassing: vooral bij reisziekte.
○ Voorbeelden: cinnarizine, cyclizine (ook als zetpil), meclozine (Suprimal).
○ Combinatiepreparaten:
▪ Primatour: combinatie van twee middelen.
▪ Emesafene: bevat vitamine U.
▪ Volgens het CVZ is meerwaarde van combinaties niet aangetoond.
○ Bij onvoldoende effect of lange reizen kan een scopolaminepleister (Scopoderm
TTS) worden voorgeschreven. De werkingsduur is dan drie dagen.
○ Bijwerkingen:
▪ Sederend effect (slaperigheid), versterkt door alcohol.
▪ Verminderd reactievermogen. Deelname aan verkeer of bedienen van
machines kan gevaarlijk zijn.
▪ Scopolamine: slaperigheid, duizeligheid, accommodatiestoornissen
(problemen met scherpstellen van de ogen).
• Dopamineantagonisten: blokkeren dopaminereceptoren in de CTZ.
○ Werking:
▪ Versterken de peristaltiek (golfachtige spierbewegingen die voedsel door het
spijsverteringskanaal voortbewegen) van het proximale deel van het maag-
darmkanaal.
▪ Verhogen de tonus (spanning van de spier) van de onderste sluitspier (spier
die de afsluiting regelt ussen slokdarm en maag) van de oesofagus.
▪ Ontspannen de pylorus (sluitspier aan het einde van de maag).
▪ Beïnvloeden maagsapsecretie niet.
▪ Werkingsmechanisme: combinatie van perifeer antidopamine-effect en
stimulatie van serotoninereceptoren (5-HT4) in het maag-darmkanaal.
▪ Middelen die maagontlediging bevorderen worden ook propulsiva of
prokinetica genoemd.
○ Worden voorgeschreven bij vertraagde maagontlediging, misselijkheid en braken.
○ Specifieke toepassingen:
▪ Domperidon: perifeer werkend, gebruikt bij migraine, zonder recept
verkrijgbaar.
▪ Metoclopramide: ook centraal werkend (komt in de hersenen), niet geschikt
Farmacotherapie AGZ Pagina 3
, ▪ Metoclopramide: ook centraal werkend (komt in de hersenen), niet geschikt
voor Parkinsonpatiënten.
▪ Droperidol: postoperatieve misselijkheid, preventie van misselijkheid door
morfine.
▪ Haloperidol: voornamelijk antipsychoticum, ook bij misselijkheid bij
neurologische aandoeningen.
○ Bijwerkingen:
▪ Centrale extrapiramidale antidopamine-effecten: akinesie
(bewegingsarmoede) en spierstijfheid, vooral bij kinderen en hoge doseringen.
▪ Metoclopramide veroorzaakt vaker extrapiramidale stoornissen, vooral bij
<20 jaar, ouderen en vrouwen.
▪ Domperidon passeert de bloed-hersenbarrière niet. Hierdoor zijn er geen
centrale bijwerkingen, maar kan wel hyperprolactinemie (verhoogd
prolactinegehalte) veroorzaken.
○ Overige bijwerkingen: slaperigheid, obstipatie (verstopping), diarree.
○ Er is een mogelijk verband tussen domperidon en acute hartdood door verlenging
van de QT-tijd.
○ Interacties: parkinsonmiddelen en anticholinergica verminderen de werking van
dopamineantagonisten.
• Serotoninereceptorantagonisten: blokkeren serotonine (5-HT3)-receptoren.
○ Alleen geregistreerd voor preventie en behandeling van misselijkheid en braken
door therapie met cytostatica (kankermedicijnen die snel delende cellen remmen).
○ Effectief vooral in de eerste 24 uur (vroege fase) bij kuren met sterk emetogene
cytostatica (middelen die veel braken veroorzaken).
○ Wordt ook gebruikt bij braken door radiotherapie.
○ Na vier dagen wordt meestal overgegaan op metoclopramide.
○ Werkingsmechanisme: blokkering van 5-HT3-receptoren in het maag-darmkanaal en
centrale zenuwstelsel waardoor de braakreflex, veroorzaakt door serotonine, wordt
tegengegaan.
○ Bijwerkingen: hoofdpijn, obstipatie (verstopping), slaperigheid, diarree; bij Zofran
ook warmtesensatie of opvliegers.
• Neurokinineantagonisten: blokkeren NK1-receptoren (betrokken bij braken).
○ Aprepitant (Emend): geregistreerd voor misselijkheid en braken door sterk
emetogene cytostatica zoals cisplatine.
○ Bestrijdt vooral acute en vertraagde misselijkheid.
○ Wordt gecombineerd met een serotoninereceptorantagonist en zo nodig met
dexamethason (corticosteroïd dat ontstekingen remt).
○ Selectieve NK-1-receptorantagonist die de werking van een serotonineantagonist
versterkt.
○ Bijwerkingen: hik, vermoeidheid, verhoogd ASAT en ALAT (leverenzymen),
obstipatie, diarree, dyspepsie (indigestie), oprispingen, hoofdpijn, duizeligheid,
anorexie (verlies van eetlust).
9.1.3 Middelen bij peptische aandoeningen
- Peptische aandoeningen: ontstaan wanneer het slijmvlies in aanraking komt met maagzuur en
pepsine (enzym dat eiwitten afbreekt).
- Plaatsen: distale deel van de oesofagus (reflux), maag, duodenum en soms jejunum.
- Middelen bij peptische aandoeningen worden onderverdeeld in:
• Middelen die de pH van de maaginhoud verhogen:
○ Antacidia: basische stoffen die maagzuur neutraliseren, waardoor de activiteit van
pepsine afneemt.
□ Werkingsduur: kort (meestal <1 uur), waardoor frequente toediening nodig is.
□ Indicaties: kortdurende klachten zoals pyrosis (zuurbranden) en dyspepsie
(maagklachten).
□ Toedieningsvormen: poeder of suspensie heeft voorkeur boven kauwtablet,
vanwege snellere werking en vermenging met maaginhoud.
□ Soorten:
▪ Zuiveringszout (natriumwaterstofcarbonaat): neutraliseert zuur, maar
Farmacotherapie AGZ Pagina 4
dinsdag 25 november 2025 13:24
➢ Boek: Toegepaste geneesmiddelenkennis
Hoofdstuk 9 Middelen bij aandoeningen aan het spijsverteringsstelsel
9.1 Middelen bij aandoeningen van de maag
9.1.1 Inleiding
- Maagsap: wordt geproduceerd door verschillende onderdelen van de maagsapklieren.
Belangrijkste bestanddelen van maagsap:
• Slijm.
• Bicarbonaat.
• Zoutzuur.
• Pepsinogeen.
• Intrinsic factor.
- Halscellen (slijmcellen):
• Produceren slijm: beschermende gel die het maagslijmvlies bedekt en beschermt tegen
zuur en enzymen.
• Produceren bicarbonaat: stof die maagzuur neutraliseert.
• Productie van slijm en bicarbonaat wordt gestimuleerd door prostaglandinen: stoffen die
de slijmvliesbescherming en doorbloeding regelen.
- Pariëtale cellen (wandcellen):
• Produceren zoutzuur: sterk zuur dat eiwitten afbreekt en micro-organismen doodt.
• Ouderen en gebruikers van antacida (zuurbinders) hebben meer risico op infecties door
lagere zuurgraad.
• Beschikken over receptoren voor gastrine, acetylcholine en histamine-2 (plaatsen waar
deze stoffen zich binden en maagzuurproductie stimuleren).
• Histamine: versterkt het effect van gastrine en acetylcholine op de zuurproductie.
• Produceren intrinsic factor (stof die nodig is voor opname van vitamine B12 uit het ileum).
- Hoofdcellen:
• Produceren pepsinogeen (voorloper van het enzym pepsine).
• Pepsinogeen wordt in de maag omgezet in pepsine: eiwitsplitsend enzym.
- Regulatie van maagsapsecretie:
1 Maagsapproductie wordt gestimuleerd door het parasympathisch zenuwstelsel (deel van
het zenuwstelsel dat rust en vertering bevordert).
Farmacotherapie AGZ Pagina 1
, het zenuwstelsel dat rust en vertering bevordert).
2 Zien, ruiken en proeven van voedsel activeert de nervus vagus (belangrijke zenuw die
organen in de buik aanstuurt) waardoor acetylcholine (neurotransmitter die
maagzuurproductie stimuleert) vrijkomt.
3 Anticholinergica (zoals atropine) blokkeren de werking van acetylcholine en remmen zo de
maagsapsecretie.
4 Stress en pijn remmen de maagsapproductie via het sympathisch zenuwstelsel (deel dat
actief wordt bij stress).
- Gastrine:
• Sterke stimulator van de maagsapafscheiding.
• Wordt geproduceerd door G-cellen: cellen in het antrum en duodenum die gastrine
afgeven.
• Secretie van gastrine vindt plaats bij:
○ Uitzetting van de maag.
○ Aanwezigheid van eiwitbevattend voedsel.
• Gastrine bereikt via de bloedbaan de pariëtale cellen.
- pH en maagzuurafwijkingen:
• Normale pH in de maag ligt tussen 1 en 2.
• Hyperaciditeit: overproductie van maagzuur waarbij de pH onder 1 daalt. Kan leiden tot
reflux, beschadiging van het maagslijmvlies en ulceratie.
• Helicobacter pylori: speelt een belangrijke rol bij beschadiging van het maagslijmvlies.
Behandeling bestaat uit een combinatie van een protonpompremmer, amoxicilline en
claritromycine.
• Achloorhydrie: tekort aan maagzuur, wat leidt tot een verhoogde gastrinespiegel.
9.1.2 Anti-emetica
- Het optreden van misselijkheid en braken wordt geregeld door het braakcentrum: gebied in de
hersenstam dat buiten de bloed-hersenbarrière ligt. Het ontvangt signalen vanuit verschillende
delen van het lichaam:
• Maag-darmkanaal.
• Evenwichtsorgaan: orgaan in het oor dat beweging en balans registreert.
• Cortex: hersenbuitenschors die prikkels zoals zien, ruiken en emoties verwerkt.
• Chemoreceptortriggerzone: gebied in de bodem van het vierde ventrikel dat gevoelig is
voor chemische prikkels.
- Verschillende neurotransmitters spelen een rol bij het activeren of remmen van het
braakcentrum. Bijvoorbeeld histamine, acetylcholine, serotonine, dopamine, neurokinine.
- Factoren die braken beïnvloeden:
• Jongere patiënten zijn gevoeliger voor braken dan oudere.
• Vrouwen zijn gevoeliger dan mannen.
• Verhoogd risico bij:
○ Gevoeligheid voor bewegingsziekte.
○ Eerdere behandeling met cytostatica (kankermedicijnen die snel delende cellen
remmen).
• Chronisch overmatig alcoholgebruik vermindert de neiging tot braken.
- Oorzaken stimulatie braakcentrum:
• Prikkeling van chemo- en mechanoreceptoren in maag, darm, lever en peritoneum kan via
de nervus vagus het braakcentrum activeren.
• Medicijnen zoals cytostatica en opioïden, en metabole afwijkingen zoals:
○ Hypercalciëmie: verhoogde calciumwaarde.
○ Uremie: ophoping van afvalstoffen bij nierfalen.
○ Endogene toxinen: gifstoffen die in het lichaam worden gevormd.
○ Zuur-base-stoornissen: kunnen het braakcentrum stimuleren via de
chemoreceptortriggerzone (CTZ).
• Vestibulaire (evenwicht) en psychogene (emotionele) factoren beïnvloeden het
braakcentrum via verbindingen met het evenwichtsorgaan en de hersenschors.
• Hormonale veranderingen zoals verhoogde hCG-spiegel (humaan choriongonadotrofine)
bij hyperemesis gravidarum kunnen braken uitlokken.
Farmacotherapie AGZ Pagina 2
, bij hyperemesis gravidarum kunnen braken uitlokken.
- Effecten van het braakcentrum:
• Activeert:
○ Diafragma.
○ Spieren van buikwand en borstkas.
○ Spieren van maag, slokdarm, larynx en farynx.
• Deze activatie veroorzaakt misselijkheid, kokhalzen en braken.
- Voordat anti-emetica worden gebruikt, moet de onderliggende oorzaak worden opgespoord en
behandeld, bijvoorbeeld hypercalciëmie, ketoacidose.
- Groepen anti-emetica:
• Muscarinereceptorantagonisten: blokkeren acetylcholine op muscarinereceptoren.
○ Scopolamine (Scopoderm): middel uit de bladeren van planten uit de
nachtschadefamilie.
○ Werking: blokkeert muscarinereceptoren (M1) voor acetylcholine in het nervus
vagus-systeem (zenuwstelsel dat organen in de buik aanstuurt).
○ Toediening: transdermaal (via pleisters).
○ Werkt drie dagen tegen alle vormen van reisziekte.
○ Bijwerkingen (door anticholinerge werking):
▪ Sedatie/slaperigheid.
▪ Visusstoornissen.
▪ Urineretentie/moeilijk kunnen plassen.
▪ Verminderde speekselproductie
• Antihistaminica: blokkeren histaminereceptoren.
○ Blokkeren de centrale H1-receptoren voor histamine (stof die betrokken is bij
allergische reacties en braken).
○ Hebben ook effect op muscarinereceptoren voor acetylcholine.
○ Toepassing: vooral bij reisziekte.
○ Voorbeelden: cinnarizine, cyclizine (ook als zetpil), meclozine (Suprimal).
○ Combinatiepreparaten:
▪ Primatour: combinatie van twee middelen.
▪ Emesafene: bevat vitamine U.
▪ Volgens het CVZ is meerwaarde van combinaties niet aangetoond.
○ Bij onvoldoende effect of lange reizen kan een scopolaminepleister (Scopoderm
TTS) worden voorgeschreven. De werkingsduur is dan drie dagen.
○ Bijwerkingen:
▪ Sederend effect (slaperigheid), versterkt door alcohol.
▪ Verminderd reactievermogen. Deelname aan verkeer of bedienen van
machines kan gevaarlijk zijn.
▪ Scopolamine: slaperigheid, duizeligheid, accommodatiestoornissen
(problemen met scherpstellen van de ogen).
• Dopamineantagonisten: blokkeren dopaminereceptoren in de CTZ.
○ Werking:
▪ Versterken de peristaltiek (golfachtige spierbewegingen die voedsel door het
spijsverteringskanaal voortbewegen) van het proximale deel van het maag-
darmkanaal.
▪ Verhogen de tonus (spanning van de spier) van de onderste sluitspier (spier
die de afsluiting regelt ussen slokdarm en maag) van de oesofagus.
▪ Ontspannen de pylorus (sluitspier aan het einde van de maag).
▪ Beïnvloeden maagsapsecretie niet.
▪ Werkingsmechanisme: combinatie van perifeer antidopamine-effect en
stimulatie van serotoninereceptoren (5-HT4) in het maag-darmkanaal.
▪ Middelen die maagontlediging bevorderen worden ook propulsiva of
prokinetica genoemd.
○ Worden voorgeschreven bij vertraagde maagontlediging, misselijkheid en braken.
○ Specifieke toepassingen:
▪ Domperidon: perifeer werkend, gebruikt bij migraine, zonder recept
verkrijgbaar.
▪ Metoclopramide: ook centraal werkend (komt in de hersenen), niet geschikt
Farmacotherapie AGZ Pagina 3
, ▪ Metoclopramide: ook centraal werkend (komt in de hersenen), niet geschikt
voor Parkinsonpatiënten.
▪ Droperidol: postoperatieve misselijkheid, preventie van misselijkheid door
morfine.
▪ Haloperidol: voornamelijk antipsychoticum, ook bij misselijkheid bij
neurologische aandoeningen.
○ Bijwerkingen:
▪ Centrale extrapiramidale antidopamine-effecten: akinesie
(bewegingsarmoede) en spierstijfheid, vooral bij kinderen en hoge doseringen.
▪ Metoclopramide veroorzaakt vaker extrapiramidale stoornissen, vooral bij
<20 jaar, ouderen en vrouwen.
▪ Domperidon passeert de bloed-hersenbarrière niet. Hierdoor zijn er geen
centrale bijwerkingen, maar kan wel hyperprolactinemie (verhoogd
prolactinegehalte) veroorzaken.
○ Overige bijwerkingen: slaperigheid, obstipatie (verstopping), diarree.
○ Er is een mogelijk verband tussen domperidon en acute hartdood door verlenging
van de QT-tijd.
○ Interacties: parkinsonmiddelen en anticholinergica verminderen de werking van
dopamineantagonisten.
• Serotoninereceptorantagonisten: blokkeren serotonine (5-HT3)-receptoren.
○ Alleen geregistreerd voor preventie en behandeling van misselijkheid en braken
door therapie met cytostatica (kankermedicijnen die snel delende cellen remmen).
○ Effectief vooral in de eerste 24 uur (vroege fase) bij kuren met sterk emetogene
cytostatica (middelen die veel braken veroorzaken).
○ Wordt ook gebruikt bij braken door radiotherapie.
○ Na vier dagen wordt meestal overgegaan op metoclopramide.
○ Werkingsmechanisme: blokkering van 5-HT3-receptoren in het maag-darmkanaal en
centrale zenuwstelsel waardoor de braakreflex, veroorzaakt door serotonine, wordt
tegengegaan.
○ Bijwerkingen: hoofdpijn, obstipatie (verstopping), slaperigheid, diarree; bij Zofran
ook warmtesensatie of opvliegers.
• Neurokinineantagonisten: blokkeren NK1-receptoren (betrokken bij braken).
○ Aprepitant (Emend): geregistreerd voor misselijkheid en braken door sterk
emetogene cytostatica zoals cisplatine.
○ Bestrijdt vooral acute en vertraagde misselijkheid.
○ Wordt gecombineerd met een serotoninereceptorantagonist en zo nodig met
dexamethason (corticosteroïd dat ontstekingen remt).
○ Selectieve NK-1-receptorantagonist die de werking van een serotonineantagonist
versterkt.
○ Bijwerkingen: hik, vermoeidheid, verhoogd ASAT en ALAT (leverenzymen),
obstipatie, diarree, dyspepsie (indigestie), oprispingen, hoofdpijn, duizeligheid,
anorexie (verlies van eetlust).
9.1.3 Middelen bij peptische aandoeningen
- Peptische aandoeningen: ontstaan wanneer het slijmvlies in aanraking komt met maagzuur en
pepsine (enzym dat eiwitten afbreekt).
- Plaatsen: distale deel van de oesofagus (reflux), maag, duodenum en soms jejunum.
- Middelen bij peptische aandoeningen worden onderverdeeld in:
• Middelen die de pH van de maaginhoud verhogen:
○ Antacidia: basische stoffen die maagzuur neutraliseren, waardoor de activiteit van
pepsine afneemt.
□ Werkingsduur: kort (meestal <1 uur), waardoor frequente toediening nodig is.
□ Indicaties: kortdurende klachten zoals pyrosis (zuurbranden) en dyspepsie
(maagklachten).
□ Toedieningsvormen: poeder of suspensie heeft voorkeur boven kauwtablet,
vanwege snellere werking en vermenging met maaginhoud.
□ Soorten:
▪ Zuiveringszout (natriumwaterstofcarbonaat): neutraliseert zuur, maar
Farmacotherapie AGZ Pagina 4