5 Farmacotherapie: Pulmonaal - Voorbereiding/theorie
vrijdag 14 november 2025 15:00
➢ Boek: Toegepaste geneesmiddelenleer
Hoofdstuk 6 Middelen bij afwijkingen aan het bloed
6.3.2 Coagulatie
- Bloedstolling: vorming van een stolsel. Treedt alleen op bij beschadiging van de vaatwand. In
gezonde bloedvaten is er een evenwicht tussen stolling en antistolling (het voorkomen van
stolselvorming).
- Wanneer stolling overheerst, ontstaat trombose (vorming van een bloedstolsel in een
bloedvat).
- Wanneer stolling te traag verloopt, kunnen spontane bloedingen optreden.
- Trombusvorming:
• Zodra bloed het bloedvat verlaat, vormt zich een trombus (bloedstolsel): een netwerk
van fibrinedraden (eiwitdraden die het stolsel stevigheid geven) waarin trombocyten
(bloedplaatjes) en erytrocyten (rode bloedcellen) worden ingesloten.
• De vloeistof die hierbij wordt afgescheiden, heet serum (bloed zonder stollingsfactoren)
- Stollingsfactoren:
• Voor een goed verlopende bloedstolling zijn verschillende stollingsfactoren (stoffen die
de stolling in gang zetten) nodig.
• Factor VI bestaat niet.
• Er zijn verschillende soorten factoren:
○ Door de lever aangemaakte enzymen (eiwitten die reacties versnellen), zoals
factor II, VII, IX en X.
○ Voor de aanmaak van deze enzymen is vitamine K nodig.
○ Pasgeborenen krijgen vitamine K toegediend omdat ze dit nog niet zelf kunnen
aanmaken.
○ Stoffen uit beschadigd weefsel en trombocyten activeren ook de stolling.
○ Calciumionen (Ca²⁺): zijn onmisbaar voor het stollingsproces.
- Onstolbaar maken van het bloed:
• Bloed kan onstolbaar (niet meer stollen) gemaakt worden door de calciumionen te
binden.
• Dit gebeurt bijvoorbeeld met natriumcitraat (toegevoegd aan donorbloed) of EDTA (stof
die in laboratoriumtesten wordt gebruikt).
- Verloop van het stollingsproces gaat via een cascade (kettingreactie waarin stoffen elkaar
activeren):
1 Eerste stadium: vorming van protrombinase (enzymcomplex dat stolling start).
2 Protrombinase zet protrombine (factor II) om in trombine (factor IIa).
3 Trombine zet vervolgens fibrinogeen (factor I) om in fibrinemonomeren (factor Ia).
4 Deze fibrinemonomeren verbinden zich tot fibrinepolymeren (lange ketens van fibrine),
die samen een fibrinenetwerk vormen: de eigenlijke trombus (stolsel).
5 Als één of meerdere stollingsfactoren ontbreken, ontstaat een verlengde stollingstijd of
hemofilie (erfelijke stollingsstoornis met bloedingsneiging).
- Regulatie van de stolling:
1 Trombine wordt grotendeels ingesloten in de trombus, zodat de stolling niet onbeperkt
doorgaat.
2 In het bloed circuleren anticoagulantia (stollingsremmende factoren) die te sterke
stolling voorkomen, zoals heparine (lichaamseigen stof die de stolling remt).
3 Heparine wordt gemaakt in mestcellen (immuuncellen in bindweefsel) en basofiele
granulocyten (witte bloedcellen) en inactiveert trombine via stimulatie van
antitrombine III (stof die stollingsenzymen uitschakelt).
4 Proteïne C (door trombine geactiveerd) breekt geactiveerde stollingsfactoren V en VIII
af. Proteïne S ondersteunt proteïne C in dit proces.
5 Een tekort aan stollingsremmende factoren kan aangeboren of verworven zijn en leidt
tot spontane trombose (bloedstolselvorming zonder duidelijke oorzaak).
Farmacotherapie AGZ Pagina 1
,6.3.3 Trombolyse
- Het intrinsieke stollingsproces komt meerdere keren per dag op gang in het lichaam,
bijvoorbeeld bij kleine beschadigingen van de vaatwand of bij atherosclerotische plaques
(vetafzettingen in de bloedvaten).
- Om te voorkomen dat deze kleine stolsels blijven bestaan of groter worden, wordt het
plasma-eiwit plasminogeen in het stolsel opgenomen.
- Door verschillende factoren (onder andere stoffen uit intacte endotheelcellen) wordt
plasminogeen omgezet in plasmine (een enzym dat bloedstolsels afbreekt).
6.3.4 Hemostasetests
- De meest gebruikte test is de protrombinetijd (PT), een maat voor de stollingstijd in
aanwezigheid van weefseltromboplastine (factor III).
• De PT is gevoelig voor de stollingsfactoren II, V, VII en X.
• De PT meet de extrinsieke stolling, bijvoorbeeld bij wafarine.
- Omdat de resultaten kunnen verschillen per laboratorium, is de test tegenwoordig
gestandaardiseerd met de INR (international normalized ratio).
• De INR wordt gebruikt om patiënten te volgen die orale cumarinederivaten
(bloedverdunners) gebruiken.
• De INR meet de stolling bij gebruik van cumarinederivaten, bijvoorbeeld bij
acenocoumarol.
- De APTT-test (activated partial thromboplastin time) wordt vooral gebruikt om de
hoeveelheid factor VIII in het bloed te bepalen. Hierbij wordt een contactactivator aan het
bloed toegevoegd.
• Een verlengde APTT kan wijzen op een tekort aan de stollingsfactoren II, V, VIII t/m XII
of aan fibrinogeen.
• De APTT wordt aangevraagd bij patiënten die heparine krijgen toegediend.
• De APTT meet de intrinsieke stolling, bijvoorbeeld bij heparine.
6.3.5 Antitrombotica
- Indicatie: behandeling van trombose (vorming van bloedstolsels).
- Soorten trombose:
• Arteriële trombose: in slagaders, bijvoorbeeld cerebraal (hersenen), coronair
Farmacotherapie AGZ Pagina 2
, • Arteriële trombose: in slagaders, bijvoorbeeld cerebraal (hersenen), coronair
(hartkransslagaders), cardiaal (hart) of perifeer (ledematen).
• Veneuze trombo-embolie: in aders, bijvoorbeeld diepveneuze trombose en
longembolie.
6.3.7 Anticoagulantia
- Cumarinederivaten:
• Werking: blokkeren het vitamine K-recyclesysteem in de lever. Hierdoor kunnen
stollingsfactoren II, VII, IX en X (afhankelijk van vitamine K) maar één keer gebruikt
worden, waardoor abnormale stollingsfactoren ontstaan en antistolling optreedt.
• Voorbeelden van medicatie:
○ Acenocoumarol: kortwerkend, halfwaardetijd 8-11 uur, effect na 3–5 dagen,
houdt aan tot 48 uur na laatste dosis.
○ Fenprocoumon (Marcoumar): langwerkend, halfwaardetijd 160 uur, effect na 5-7
dagen, houdt aan tot 2 weken na laatste dosis.
• Indicaties: diepveneuze trombose, preventie van trombose bij atriumfibrilleren,
hartklepgebreken, implantatie van hartklepprothesen.
• Controle: vanwege smalle therapeutische breedte wordt regelmatige INR-bepaling
gedaan; streef-INR meestal 2,5–4. INR hoger dan 7,5 verhoogt kans op spontane
bloedingen.
• Invloed van voeding en andere factoren: vitamine K-inname (groene groenten), vetarm
dieet, alcohol, antibiotica, infecties en diarree kunnen INR beïnvloeden.
• Behandeling bij overdosis of bloedingen:
○ Vitamine K (fytomenadion, Konakion): oraal 24 uur, intraveneus enkele uren.
○ Stollingsfactorenconcentraat (factor II, VII, IX, X, PPSB, Cofact, Beriplex): werkt
onmiddellijk maar kortdurend, alleen bij strikte indicatie vanwege hoge kosten.
• Complicaties: dosisafhankelijke stimulatie van stolling mogelijk in beginfase door
snellere daling van stollingsremmende eiwitten (proteïne C en proteïne S), soms
huidnecrose.
• Contra-indicaties:
○ Zwangerschap (teratogeen in eerste trimester, bloedingen later).
○ Gelijktijdig gebruik van directe orale anticoagulantia (dabigatran, rivaroxaban,
apixaban) behalve kortdurend tijdens overstap.
○ Ernstige hypertensie, recente ernstige bloedingen (bijvoorbeeld CVA), diabetische
retinopathie, ernstige lever- of nierinsufficiëntie.
○ Abnormale bloedingsneiging.
• Interacties:
○ Leverziekte: minder productie van stollingsfactoren, waardoor het effect van
cumarinederivaten versterkt wordt.
○ Oestrogenen: verhogen de aanmaak van stollingsfactoren, waardoor de werking
van cumarinederivaten afneemt.
○ Acetylsalicylzuur: verdringt cumarinederivaten uit plasma-eiwitbinding, wat het
antistollingseffect verhoogt.
○ Antibiotica zoals cotrimoxazol, doxycycline en claritromycine: versterken het
antistollingseffect.
○ Andere medicijnen kunnen de biotransformatie van cumarinederivaten
beïnvloeden, daarom is extra INR-controle nodig bij combinatiegebruik.
- Heparine:
• Werking:
○ Heparine werkt als anticoagulans (bloedverdunner) door activering van
antitrombine III, waardoor de hoeveelheid trombine (stollingsfactor IIa) afneemt.
○ Hierdoor wordt de omzetting van fibrinogeen (factor I) naar fibrine geremd.
○ Antitrombine neutraliseert ook stollingsfactor Xa.
○ Het antistollingseffect van heparine treedt onmiddellijk op.
○ Toediening kan intraveneus of subcutaan. Intramusculair mag niet vanwege
verhoogd risico op bloedingen.
• Bewaking:
Monitoring gebeurt via de APPT.
Farmacotherapie AGZ Pagina 3
, ○ Monitoring gebeurt via de APPT.
○ Streefwaarde: 1,5-2 keer de normaalwaarde (25–40 sec).
• Bijwerkingen:
○ Verhoogd risico op bloedingen.
○ Heparine-geïnduceerde trombocytopenie type I (HIT type I): afname van
trombocyten door activatie en verbruik, meestal in de eerste dagen van gebruik.
○ Heparine-geïnduceerde trombocytopenie type II (HIT type II): immunologische
reactie tegen heparine-PF4-complexen, latent 5-10 dagen, kan leiden tot trombo-
embolische processen.
• Behandeling van bijwerkingen: ernstige bloedingen kunnen worden behandeld met
protamine, dat heparine bindt en neutraliseert.
• Laagmoleculaire heparine (LMWH):
○ Fragmenten van heparine met laag molecuulgewicht, actiever tegen Xa dan
trombine.
○ Worden gebruikt als profylaxe tegen trombose bij chirurgische ingrepen.
○ Voordeel: langere halfwaardetijd, eenmaal per dag toediening, geen
laboratoriumcontrole nodig.
○ Omdat ze minder effect hebben op IIa, is APTT-test niet zinvol.
• Interacties:
○ Werking kan worden versterkt door geneesmiddelen zoals allopurinol,
amoxicilline/clavulaanzuur, cimetidine, erytromycine.
○ Werking kan worden verzwakt door rifampicine of chronisch alcoholgebruik.
- Xa-remmer (Fondaparinux, Arixtra):
• Synthetisch middel, versterkt de neutralisatie van factor Xa via selectieve binding aan
antitrombine III.
• Breekt de stollingscascade af zonder trombine te inactiveren en zonder effect op
trombocyten.
• Nadeel: bloedingen kunnen niet gecoupeerd worden; voorzichtigheid bij ouderen.
• Heeft geen effect op APTT of INR.
• Toepassing: profylaxe bij orthopedische operaties van onderste extremiteit (bijv.
collumfractuur). Eerste dosis 6 uur na wondsluiting, mits hemostase is verkregen.
• Contra-indicaties: ernstige nierinsufficiëntie, acute bacteriële endocarditis.
• Niet gelijktijdig gebruiken met middelen die bloedingsrisico verhogen (bijvoorbeeld
heparine). Voorzichtigheid bij trombocytenaggregatieremmers en NSAID’s.
• Belangrijkste bijwerkingen: postoperatieve bloedingen, anemie.
- Antitrombine III (Atenativ):
• Verkregen uit humaan vers plasma.
• Toediening: intraveneus.
• Toepassing: behandeling of preventie van trombo-embolische complicaties bij patiënten
met antitrombine III-deficiëntie.
• Mogelijke bijwerkingen: allergische of overgevoeligheidsreacties.
- Danaparoïde (Orgaran):
• Antitrombotische werking berust deels op versterking van de remming van trombine
door antitrombine, sterker effect op factor Xa dan op IIa.
• Nadeel: moet tweemaal daags worden toegediend.
- NOAC/Directe Orale Anticoagulantia (DOACs)
• Algemeen:
○ NOACs worden ook wel nieuwe of directe orale anticoagulantia genoemd.
Worden voorgeschreven bij atriumfibrilleren en veneuze trombo-embolie.
Farmacotherapie AGZ Pagina 4
vrijdag 14 november 2025 15:00
➢ Boek: Toegepaste geneesmiddelenleer
Hoofdstuk 6 Middelen bij afwijkingen aan het bloed
6.3.2 Coagulatie
- Bloedstolling: vorming van een stolsel. Treedt alleen op bij beschadiging van de vaatwand. In
gezonde bloedvaten is er een evenwicht tussen stolling en antistolling (het voorkomen van
stolselvorming).
- Wanneer stolling overheerst, ontstaat trombose (vorming van een bloedstolsel in een
bloedvat).
- Wanneer stolling te traag verloopt, kunnen spontane bloedingen optreden.
- Trombusvorming:
• Zodra bloed het bloedvat verlaat, vormt zich een trombus (bloedstolsel): een netwerk
van fibrinedraden (eiwitdraden die het stolsel stevigheid geven) waarin trombocyten
(bloedplaatjes) en erytrocyten (rode bloedcellen) worden ingesloten.
• De vloeistof die hierbij wordt afgescheiden, heet serum (bloed zonder stollingsfactoren)
- Stollingsfactoren:
• Voor een goed verlopende bloedstolling zijn verschillende stollingsfactoren (stoffen die
de stolling in gang zetten) nodig.
• Factor VI bestaat niet.
• Er zijn verschillende soorten factoren:
○ Door de lever aangemaakte enzymen (eiwitten die reacties versnellen), zoals
factor II, VII, IX en X.
○ Voor de aanmaak van deze enzymen is vitamine K nodig.
○ Pasgeborenen krijgen vitamine K toegediend omdat ze dit nog niet zelf kunnen
aanmaken.
○ Stoffen uit beschadigd weefsel en trombocyten activeren ook de stolling.
○ Calciumionen (Ca²⁺): zijn onmisbaar voor het stollingsproces.
- Onstolbaar maken van het bloed:
• Bloed kan onstolbaar (niet meer stollen) gemaakt worden door de calciumionen te
binden.
• Dit gebeurt bijvoorbeeld met natriumcitraat (toegevoegd aan donorbloed) of EDTA (stof
die in laboratoriumtesten wordt gebruikt).
- Verloop van het stollingsproces gaat via een cascade (kettingreactie waarin stoffen elkaar
activeren):
1 Eerste stadium: vorming van protrombinase (enzymcomplex dat stolling start).
2 Protrombinase zet protrombine (factor II) om in trombine (factor IIa).
3 Trombine zet vervolgens fibrinogeen (factor I) om in fibrinemonomeren (factor Ia).
4 Deze fibrinemonomeren verbinden zich tot fibrinepolymeren (lange ketens van fibrine),
die samen een fibrinenetwerk vormen: de eigenlijke trombus (stolsel).
5 Als één of meerdere stollingsfactoren ontbreken, ontstaat een verlengde stollingstijd of
hemofilie (erfelijke stollingsstoornis met bloedingsneiging).
- Regulatie van de stolling:
1 Trombine wordt grotendeels ingesloten in de trombus, zodat de stolling niet onbeperkt
doorgaat.
2 In het bloed circuleren anticoagulantia (stollingsremmende factoren) die te sterke
stolling voorkomen, zoals heparine (lichaamseigen stof die de stolling remt).
3 Heparine wordt gemaakt in mestcellen (immuuncellen in bindweefsel) en basofiele
granulocyten (witte bloedcellen) en inactiveert trombine via stimulatie van
antitrombine III (stof die stollingsenzymen uitschakelt).
4 Proteïne C (door trombine geactiveerd) breekt geactiveerde stollingsfactoren V en VIII
af. Proteïne S ondersteunt proteïne C in dit proces.
5 Een tekort aan stollingsremmende factoren kan aangeboren of verworven zijn en leidt
tot spontane trombose (bloedstolselvorming zonder duidelijke oorzaak).
Farmacotherapie AGZ Pagina 1
,6.3.3 Trombolyse
- Het intrinsieke stollingsproces komt meerdere keren per dag op gang in het lichaam,
bijvoorbeeld bij kleine beschadigingen van de vaatwand of bij atherosclerotische plaques
(vetafzettingen in de bloedvaten).
- Om te voorkomen dat deze kleine stolsels blijven bestaan of groter worden, wordt het
plasma-eiwit plasminogeen in het stolsel opgenomen.
- Door verschillende factoren (onder andere stoffen uit intacte endotheelcellen) wordt
plasminogeen omgezet in plasmine (een enzym dat bloedstolsels afbreekt).
6.3.4 Hemostasetests
- De meest gebruikte test is de protrombinetijd (PT), een maat voor de stollingstijd in
aanwezigheid van weefseltromboplastine (factor III).
• De PT is gevoelig voor de stollingsfactoren II, V, VII en X.
• De PT meet de extrinsieke stolling, bijvoorbeeld bij wafarine.
- Omdat de resultaten kunnen verschillen per laboratorium, is de test tegenwoordig
gestandaardiseerd met de INR (international normalized ratio).
• De INR wordt gebruikt om patiënten te volgen die orale cumarinederivaten
(bloedverdunners) gebruiken.
• De INR meet de stolling bij gebruik van cumarinederivaten, bijvoorbeeld bij
acenocoumarol.
- De APTT-test (activated partial thromboplastin time) wordt vooral gebruikt om de
hoeveelheid factor VIII in het bloed te bepalen. Hierbij wordt een contactactivator aan het
bloed toegevoegd.
• Een verlengde APTT kan wijzen op een tekort aan de stollingsfactoren II, V, VIII t/m XII
of aan fibrinogeen.
• De APTT wordt aangevraagd bij patiënten die heparine krijgen toegediend.
• De APTT meet de intrinsieke stolling, bijvoorbeeld bij heparine.
6.3.5 Antitrombotica
- Indicatie: behandeling van trombose (vorming van bloedstolsels).
- Soorten trombose:
• Arteriële trombose: in slagaders, bijvoorbeeld cerebraal (hersenen), coronair
Farmacotherapie AGZ Pagina 2
, • Arteriële trombose: in slagaders, bijvoorbeeld cerebraal (hersenen), coronair
(hartkransslagaders), cardiaal (hart) of perifeer (ledematen).
• Veneuze trombo-embolie: in aders, bijvoorbeeld diepveneuze trombose en
longembolie.
6.3.7 Anticoagulantia
- Cumarinederivaten:
• Werking: blokkeren het vitamine K-recyclesysteem in de lever. Hierdoor kunnen
stollingsfactoren II, VII, IX en X (afhankelijk van vitamine K) maar één keer gebruikt
worden, waardoor abnormale stollingsfactoren ontstaan en antistolling optreedt.
• Voorbeelden van medicatie:
○ Acenocoumarol: kortwerkend, halfwaardetijd 8-11 uur, effect na 3–5 dagen,
houdt aan tot 48 uur na laatste dosis.
○ Fenprocoumon (Marcoumar): langwerkend, halfwaardetijd 160 uur, effect na 5-7
dagen, houdt aan tot 2 weken na laatste dosis.
• Indicaties: diepveneuze trombose, preventie van trombose bij atriumfibrilleren,
hartklepgebreken, implantatie van hartklepprothesen.
• Controle: vanwege smalle therapeutische breedte wordt regelmatige INR-bepaling
gedaan; streef-INR meestal 2,5–4. INR hoger dan 7,5 verhoogt kans op spontane
bloedingen.
• Invloed van voeding en andere factoren: vitamine K-inname (groene groenten), vetarm
dieet, alcohol, antibiotica, infecties en diarree kunnen INR beïnvloeden.
• Behandeling bij overdosis of bloedingen:
○ Vitamine K (fytomenadion, Konakion): oraal 24 uur, intraveneus enkele uren.
○ Stollingsfactorenconcentraat (factor II, VII, IX, X, PPSB, Cofact, Beriplex): werkt
onmiddellijk maar kortdurend, alleen bij strikte indicatie vanwege hoge kosten.
• Complicaties: dosisafhankelijke stimulatie van stolling mogelijk in beginfase door
snellere daling van stollingsremmende eiwitten (proteïne C en proteïne S), soms
huidnecrose.
• Contra-indicaties:
○ Zwangerschap (teratogeen in eerste trimester, bloedingen later).
○ Gelijktijdig gebruik van directe orale anticoagulantia (dabigatran, rivaroxaban,
apixaban) behalve kortdurend tijdens overstap.
○ Ernstige hypertensie, recente ernstige bloedingen (bijvoorbeeld CVA), diabetische
retinopathie, ernstige lever- of nierinsufficiëntie.
○ Abnormale bloedingsneiging.
• Interacties:
○ Leverziekte: minder productie van stollingsfactoren, waardoor het effect van
cumarinederivaten versterkt wordt.
○ Oestrogenen: verhogen de aanmaak van stollingsfactoren, waardoor de werking
van cumarinederivaten afneemt.
○ Acetylsalicylzuur: verdringt cumarinederivaten uit plasma-eiwitbinding, wat het
antistollingseffect verhoogt.
○ Antibiotica zoals cotrimoxazol, doxycycline en claritromycine: versterken het
antistollingseffect.
○ Andere medicijnen kunnen de biotransformatie van cumarinederivaten
beïnvloeden, daarom is extra INR-controle nodig bij combinatiegebruik.
- Heparine:
• Werking:
○ Heparine werkt als anticoagulans (bloedverdunner) door activering van
antitrombine III, waardoor de hoeveelheid trombine (stollingsfactor IIa) afneemt.
○ Hierdoor wordt de omzetting van fibrinogeen (factor I) naar fibrine geremd.
○ Antitrombine neutraliseert ook stollingsfactor Xa.
○ Het antistollingseffect van heparine treedt onmiddellijk op.
○ Toediening kan intraveneus of subcutaan. Intramusculair mag niet vanwege
verhoogd risico op bloedingen.
• Bewaking:
Monitoring gebeurt via de APPT.
Farmacotherapie AGZ Pagina 3
, ○ Monitoring gebeurt via de APPT.
○ Streefwaarde: 1,5-2 keer de normaalwaarde (25–40 sec).
• Bijwerkingen:
○ Verhoogd risico op bloedingen.
○ Heparine-geïnduceerde trombocytopenie type I (HIT type I): afname van
trombocyten door activatie en verbruik, meestal in de eerste dagen van gebruik.
○ Heparine-geïnduceerde trombocytopenie type II (HIT type II): immunologische
reactie tegen heparine-PF4-complexen, latent 5-10 dagen, kan leiden tot trombo-
embolische processen.
• Behandeling van bijwerkingen: ernstige bloedingen kunnen worden behandeld met
protamine, dat heparine bindt en neutraliseert.
• Laagmoleculaire heparine (LMWH):
○ Fragmenten van heparine met laag molecuulgewicht, actiever tegen Xa dan
trombine.
○ Worden gebruikt als profylaxe tegen trombose bij chirurgische ingrepen.
○ Voordeel: langere halfwaardetijd, eenmaal per dag toediening, geen
laboratoriumcontrole nodig.
○ Omdat ze minder effect hebben op IIa, is APTT-test niet zinvol.
• Interacties:
○ Werking kan worden versterkt door geneesmiddelen zoals allopurinol,
amoxicilline/clavulaanzuur, cimetidine, erytromycine.
○ Werking kan worden verzwakt door rifampicine of chronisch alcoholgebruik.
- Xa-remmer (Fondaparinux, Arixtra):
• Synthetisch middel, versterkt de neutralisatie van factor Xa via selectieve binding aan
antitrombine III.
• Breekt de stollingscascade af zonder trombine te inactiveren en zonder effect op
trombocyten.
• Nadeel: bloedingen kunnen niet gecoupeerd worden; voorzichtigheid bij ouderen.
• Heeft geen effect op APTT of INR.
• Toepassing: profylaxe bij orthopedische operaties van onderste extremiteit (bijv.
collumfractuur). Eerste dosis 6 uur na wondsluiting, mits hemostase is verkregen.
• Contra-indicaties: ernstige nierinsufficiëntie, acute bacteriële endocarditis.
• Niet gelijktijdig gebruiken met middelen die bloedingsrisico verhogen (bijvoorbeeld
heparine). Voorzichtigheid bij trombocytenaggregatieremmers en NSAID’s.
• Belangrijkste bijwerkingen: postoperatieve bloedingen, anemie.
- Antitrombine III (Atenativ):
• Verkregen uit humaan vers plasma.
• Toediening: intraveneus.
• Toepassing: behandeling of preventie van trombo-embolische complicaties bij patiënten
met antitrombine III-deficiëntie.
• Mogelijke bijwerkingen: allergische of overgevoeligheidsreacties.
- Danaparoïde (Orgaran):
• Antitrombotische werking berust deels op versterking van de remming van trombine
door antitrombine, sterker effect op factor Xa dan op IIa.
• Nadeel: moet tweemaal daags worden toegediend.
- NOAC/Directe Orale Anticoagulantia (DOACs)
• Algemeen:
○ NOACs worden ook wel nieuwe of directe orale anticoagulantia genoemd.
Worden voorgeschreven bij atriumfibrilleren en veneuze trombo-embolie.
Farmacotherapie AGZ Pagina 4