4 Farmacotherapie: Cardiologie/antitrombotica - Voorbereiding/theorie
vrijdag 7 november 2025 10:00
➢ Boek: Toegepaste geneesmiddelenleer
Hoofdstuk 6 Middelen bij afwijkingen aan het bloed
6.2 Lipide verlagende middelen
- Hyperlipidemie: een te hoge concentratie van cholesterol en/of triglyceriden in het bloed.
• Triglyceriden: zijn het belangrijkste bestanddeel van vet in voeding. Ze worden ook door
de lever gemaakt uit koolhydraten, alcohol of cholesterol.
○ Ze spelen een rol bij de energievoorziening, opbouw van vetweefsel en
cholesterolsynthese.
○ Streefwaarde voor triglyceriden: nuchter ongeveer < 2,0 mmol/l, waarden boven
2,0–2,5 mmol/l worden als verhoogd beschouwd.
○ Hoge triglyceriden verhogen het risico op atherosclerose (slagaderverkalking) en
pancreatitis (alvleesklierontsteking).
• Cholesterol: een bouwsteen voor sterolen (zoals galzouten, geslachtshormonen en
bijnierschorshormonen) en celmembranen.
○ Het grootste deel van het cholesterol wordt door het lichaam zelf aangemaakt
(vooral in lever en darm).
○ Als de cholesterolinname via voeding daalt, verhoogt het lichaam de eigen
productie.
○ Ongeveer 50% van het cholesterol in voeding wordt opgenomen; de rest verlaat
het lichaam via de ontlasting.
○ Cholesterol kan zich afzetten in de bloedvatwand, vooral in de intima, wat leidt
tot atherosclerotische plaques.
• Atherosclerose: raakt de vaatwand verdikt en verkalkt door cholesterolafzetting en
ontstekingsreacties.
○ Risicofactoren: hypertensie, overgewicht, roken, diabetes mellitus, weinig
beweging, stress en erfelijke aanleg.
○ Het verlagen van het plasmacholesterol vermindert het risico op hart- en
vaatziekten, vooral bij risicogroepen.
○ Medicamenteuze behandeling is vooral belangrijk bij familiaire hyperlipidemie of
familiaire hypercholesterolemie (erfelijke vormen).
- Liporoteïnen:
• Cholesterol en vetten worden in het bloed vervoerd via lipoproteïnen.
• Ze bestaan uit een vetkern met aan de buitenzijde eiwitten (zoals apolipoproteïnen A, B
en E).
• Er zijn verschillende soorten lipoproteïnen:
○ Chylomicronen: transporteren voedingsvet (triglyceriden) vanuit de darm naar de
weefsels.
○ VLDL (Very Low Density Lipoproteïne): transporteert triglyceriden van de lever
naar de weefsels.
○ IDL (Intermediate Density Lipoproteïne): tussenvorm die ontstaat na afgifte van
triglyceriden uit VLDL.
○ LDL (Low Density Lipoproteïne): bevat vooral cholesterol en transporteert dit
naar de weefsels.
○ HDL (High Density Lipoproteïne): brengt overtollig cholesterol terug naar de
lever.
- Balans tussen LDL en HDL:
• Ongeveer 75% van het plasma-cholesterol bevindt zich in LDL.
• LDL wordt uit het bloed verwijderd via LDL-receptoren in de lever.
• HDL verwijdert overtollig cholesterol uit de bloedvaten en voert dit af via de lever en
gal.
• Er is een negatief verband tussen HDL-niveau en het ontstaan van atherosclerose (hoger
HDL = minder risico).
• De hoeveelheid HDL wordt mede beïnvloed door de verhouding tussen verzadigd vet en
Farmacotherapie AGZ Pagina 1
, • De hoeveelheid HDL wordt mede beïnvloed door de verhouding tussen verzadigd vet en
onverzadigd vet in de voeding.
6.2.1 Fibraten: hebben een sterk triglyceridenverlagend effect en een gering cholesterolverlagend
effect.
- Ze worden vooral gebruikt bij hypertriglyceridemie (te hoog triglyceridengehalte in het
bloed).
- Wanneer het LDL-cholesterol met een statine voldoende is verlaagd, maar het HDL-
cholesterol nog te laag is en de triglyceridenspiegel te hoog blijft, kan een fibraat of
nicotinezuur worden toegevoegd om pancreatitis te voorkomen.
- Het werkingsmechanisme van fibraten is nog niet volledig bekend.
- Bijwerkingen:
• Maagklachten, vooral in het begin van de behandeling.
• Myopathie (spierpijn, spierzwakte, stijfheid).
• Zeldzaam: rabdomyolyse (ernstige spierschade).
• Daarom wordt het afgeraden om fibraten te combineren met
cholesterolsynthetaseremmers (statines).
• Uitzondering: het combinatiepreparaat fenofibraat/pravastatine is relatief veilig.
- Interacties:
• Kunnen de werking van antidiabetica (zoals sulfonylureumderivaten en insuline)
versterken.
• Ze kunnen ook de werking van orale anticoagulantia versterken, doordat ze deze
middelen verdringen uit hun eiwitbinding.
6.2.2 Galzuurbinedende harsen: binden galzure zouten in de darm, waardoor deze niet opnieuw
worden geresorbeerd maar via de feces worden uitgescheiden.
- Normaal wordt ongeveer 90% van de galzuren in het ileum heropgenomen via de
enterohepatische kringloop.
- Door het verlies van galzuren moet de lever nieuwe galzuren aanmaken uit cholesterol, wat
leidt tot een verlaging van het cholesterolgehalte in het bloed.
- Toepassing:
• Worden gebruikt bij hypercholesterolemie:
○ Als monotherapie wanneer statines niet verdragen worden.
○ Als combinatietherapie met een statine bij onvoldoende effect.
• Soms ook voorgeschreven bij:
○ Jeuk veroorzaakt door obstructie-icterus (verstopping van de galwegen).
○ Galzoutendiarree, bijvoorbeeld bij ziekte van Crohn of ileumresectie.
- Bijwerkingen: obstipatie en misselijkheid.
- Interacties:
• Galzuurbindende harsen kunnen ook andere geneesmiddelen binden, waardoor de
opname daarvan vermindert.
• Andere geneesmiddelen moeten 1 uur vóór of 4 tot 6 uur na het gebruik van
colestyramine worden ingenomen.
6.2.3 Nicotinezuur- en analogen
- Acipimox (Nedios, Olbetam) is een analoog van nicotinezuur. Het remt de synthese van
Farmacotherapie AGZ Pagina 2
, - Acipimox (Nedios, Olbetam) is een analoog van nicotinezuur. Het remt de synthese van
triglyceriden en de afgifte van VLDL door de lever.
- Bijwerkingen:
• Flushing: vaatverwijding in het gezicht.
• Hoofdpijn en maagklachten.
• Bij langdurig gebruik kunnen leverfunctiestoornissen optreden.
• Ook kan het urinezuurgehalte in het bloed stijgen.
6.2.4 Cholesterolsyntheseremmers
- Statinen: remmen het enzym HMG-CoA-reductase, dat verantwoordelijk is voor de
cholesterolaanmaak in de lever.
- Door deze remming worden LDL-receptoren in de lever gestimuleerd. Hierdoor wordt meer
LDL uit het bloed verwijderd, wat leidt tot een daling van het cholesterolgehalte met
ongeveer 25 tot 45%.
- Het effect is merkbaar binnen een week en maximaal na vier tot zeven weken.
- Statinen kunnen het triglyceridengehalte met 10 tot 30% verlagen.
- Ze zijn middel van eerste keuze bij hypercholesterolemie, vanwege de goede balans tussen
effectiviteit en bijwerkingen.
- Extra gunstige effecten;
• Stabiliseren van atherosclerotische plaques door vermindering van de instroom van
macrofagen.
• Beschermen van de bindweefsellaag van de plaque.
• Verminderen van trombusvorming door een grotere fibrinolytische activiteit.
• Draag mogelijk direct bij aan een lager risico op hart- en vaatziekten.
- Inname en contra-indicaties
• Statinen moeten voor de nacht ingenomen worden, omdat HMG-CoA-reductase dan
het meest actief is.
• Leverfunctiestoornissen zijn een contra-indicatie, omdat statinen in de lever worden
omgezet en uitgescheiden.
• Voorzichtigheid bij overmatig alcoholgebruik, vanwege een verhoogde kans op
myopathie en leverbeschadiging.
- Interacties:
• Versterking van orale anticoagulantia zoals acenocoumarol.
• Verhoogde kans op spierklachten (myopathie) bij combinatie met:
○ Immuunsuppressiva zoals ciclosporine en methotrexaat.
○ Fibraten.
○ Nicotinezuur.
○ Antimycotica (zoals itraconazol).
○ Macrolide-antibiotica (zoals erytromycine en claritromycine).
○ HIV-proteaseremmers (zoals indinavir).
○ Grapefruitsap.
• Galzuurbindende harsen verminderen de opname van statinen uit de darm.
- Bijwerkingen:
• Over het algemeen goed verdragen.
• Vaak voorkomende bijwerkingen: buikpijn, misselijkheid, obstipatie, flatulentie,
asthenie (verminderde kracht), en hoofdpijn.
• Leverfunctiestoornissen: stijging van ALAT en ASAT komt voor, leverfalen is zeer
zeldzaam.
• Bij een stijging van de leverenzymen tot meer dan drie keer de normale waarde moet
Farmacotherapie AGZ Pagina 3
, • Bij een stijging van de leverenzymen tot meer dan drie keer de normale waarde moet
het middel worden gestopt en later in lagere dosering hervat of vervangen.
• Spierpijn komt voor bij 5-18% van de patiënten.
• Ernstige spierschade (myopathie) of rabdomyolyse is zeldzaam, maar bij
creatinekinase >10 mmol/L moet de behandeling onmiddellijk worden gestaakt.
• Andere mogelijke bijwerkingen: geheugenverlies, nachtmerries, en een verhoogd risico
op diabetes mellitus type 2.
• Voor een grote operatie moet de behandeling tijdelijk worden stopgezet.
6.2.5 Cholesterolresorptieremmers
- Ezetimib (Ezetrol) wordt opgenomen in de wand van de dunne darm en remt de opname van
cholesterol uit de voeding.
- Wordt gebruikt als aanvulling op dieetmaatregelen bij familiaire hypercholesterolemie, vooral
wanneer statinen onvoldoende effect hebben of niet verdragen worden.
- Belangrijkste bijwerkingen: hoofdpijn, buikpijn en diarree.
- Bij combinatie van ezetimib met simvastatine (Inegy) neemt de kans toe op maag-
darmklachten, myopathie en stijging van leverenzymen.
- Er bestaat ook een combinatiepreparaat van ezetimib met atorvastatine (Atozet).
6.2.6 Omega-3-vetzuren
- Omega-3-vetzuren (Omacor) zijn meervoudig onverzadigde vetzuren, afkomstig uit visolie.
- Ze hebben mogelijk een gunstig effect op het endotheel van de bloedvaten.
- Ze remmen in de lever de aanmaak van triglyceriden, wat leidt tot een daling van het
triglyceridengehalte in het bloed.
- Belangrijkste bijwerking: maag-darmstoornissen, vooral bij langdurig gebruik.
6.3 Antitrombotica en trombolytica
- Hemostase bestaat uit twee hoofdfasen: coagulatie (stolling) en trombolyse (afbraak van
stolsels).
6.3.1 Trombocytenaggregatie
- Bij beschadiging van het endotheel (de binnenbekleding van een bloedvat) hechten
trombocyten zich aan de vaatwand:
1 Deze adhesie vindt plaats aan het bindweefsel van het basaalmembraan, dat onder het
endotheel ligt.
2 De von Willebrand-factor (vWF) is noodzakelijk voor deze hechting.
3 Na hechting veranderen trombocyten van vorm en vormen ze een fijnmazig netwerk.
4 De geactiveerde trombocyten scheiden vaatactieve stoffen uit, waaronder serotonine,
dat zorgt voor vasoconstrictie. Ook wordt tromboxaan A₂ gevorm (een prostaglandine
afkomstig uit trombocyten) gevormd, dat:
○ Basoconstrictie veroorzaakt;
○ aggregatie van andere trombocyten stimuleert.
5 Samen met fibrine (dat tijdens het stollingsproces wordt gevormd) ontstaat zo een
bloedprop (trombus) die kleine bloedvaten effectief kan afsluiten.
6.3.6 Trombocytenaggregatieremmers
- Acetylsalicylzuur en Carbasalaatcalcium (Ascal) remmen de trombocytenaggregatie door
remming van de aanmaak van tromboxaan A₂.
• Carbasalaatcalcium: een oplosbaar calciumzout van acetylsalicylzuur.
• Deze middelen moeten op de nuchtere maag worden ingenomen, omdat voedsel de
opname van acetylsalicylzuur vertraagt.
• Ze worden toegepast bij de secundaire preventie van het ontstaan van arteriële
trombose (bijvoorbeeld na een hartinfarct of TIA).
- Contra-indicaties
• Overgevoeligheid, zoals een astma-aanval of collaps na gebruik.
• Bloedig CVA (hersenbloeding).
• Ernstige maagklachten.
• Ernstige nier- of leverinsufficiëntie.
Farmacotherapie AGZ Pagina 4
vrijdag 7 november 2025 10:00
➢ Boek: Toegepaste geneesmiddelenleer
Hoofdstuk 6 Middelen bij afwijkingen aan het bloed
6.2 Lipide verlagende middelen
- Hyperlipidemie: een te hoge concentratie van cholesterol en/of triglyceriden in het bloed.
• Triglyceriden: zijn het belangrijkste bestanddeel van vet in voeding. Ze worden ook door
de lever gemaakt uit koolhydraten, alcohol of cholesterol.
○ Ze spelen een rol bij de energievoorziening, opbouw van vetweefsel en
cholesterolsynthese.
○ Streefwaarde voor triglyceriden: nuchter ongeveer < 2,0 mmol/l, waarden boven
2,0–2,5 mmol/l worden als verhoogd beschouwd.
○ Hoge triglyceriden verhogen het risico op atherosclerose (slagaderverkalking) en
pancreatitis (alvleesklierontsteking).
• Cholesterol: een bouwsteen voor sterolen (zoals galzouten, geslachtshormonen en
bijnierschorshormonen) en celmembranen.
○ Het grootste deel van het cholesterol wordt door het lichaam zelf aangemaakt
(vooral in lever en darm).
○ Als de cholesterolinname via voeding daalt, verhoogt het lichaam de eigen
productie.
○ Ongeveer 50% van het cholesterol in voeding wordt opgenomen; de rest verlaat
het lichaam via de ontlasting.
○ Cholesterol kan zich afzetten in de bloedvatwand, vooral in de intima, wat leidt
tot atherosclerotische plaques.
• Atherosclerose: raakt de vaatwand verdikt en verkalkt door cholesterolafzetting en
ontstekingsreacties.
○ Risicofactoren: hypertensie, overgewicht, roken, diabetes mellitus, weinig
beweging, stress en erfelijke aanleg.
○ Het verlagen van het plasmacholesterol vermindert het risico op hart- en
vaatziekten, vooral bij risicogroepen.
○ Medicamenteuze behandeling is vooral belangrijk bij familiaire hyperlipidemie of
familiaire hypercholesterolemie (erfelijke vormen).
- Liporoteïnen:
• Cholesterol en vetten worden in het bloed vervoerd via lipoproteïnen.
• Ze bestaan uit een vetkern met aan de buitenzijde eiwitten (zoals apolipoproteïnen A, B
en E).
• Er zijn verschillende soorten lipoproteïnen:
○ Chylomicronen: transporteren voedingsvet (triglyceriden) vanuit de darm naar de
weefsels.
○ VLDL (Very Low Density Lipoproteïne): transporteert triglyceriden van de lever
naar de weefsels.
○ IDL (Intermediate Density Lipoproteïne): tussenvorm die ontstaat na afgifte van
triglyceriden uit VLDL.
○ LDL (Low Density Lipoproteïne): bevat vooral cholesterol en transporteert dit
naar de weefsels.
○ HDL (High Density Lipoproteïne): brengt overtollig cholesterol terug naar de
lever.
- Balans tussen LDL en HDL:
• Ongeveer 75% van het plasma-cholesterol bevindt zich in LDL.
• LDL wordt uit het bloed verwijderd via LDL-receptoren in de lever.
• HDL verwijdert overtollig cholesterol uit de bloedvaten en voert dit af via de lever en
gal.
• Er is een negatief verband tussen HDL-niveau en het ontstaan van atherosclerose (hoger
HDL = minder risico).
• De hoeveelheid HDL wordt mede beïnvloed door de verhouding tussen verzadigd vet en
Farmacotherapie AGZ Pagina 1
, • De hoeveelheid HDL wordt mede beïnvloed door de verhouding tussen verzadigd vet en
onverzadigd vet in de voeding.
6.2.1 Fibraten: hebben een sterk triglyceridenverlagend effect en een gering cholesterolverlagend
effect.
- Ze worden vooral gebruikt bij hypertriglyceridemie (te hoog triglyceridengehalte in het
bloed).
- Wanneer het LDL-cholesterol met een statine voldoende is verlaagd, maar het HDL-
cholesterol nog te laag is en de triglyceridenspiegel te hoog blijft, kan een fibraat of
nicotinezuur worden toegevoegd om pancreatitis te voorkomen.
- Het werkingsmechanisme van fibraten is nog niet volledig bekend.
- Bijwerkingen:
• Maagklachten, vooral in het begin van de behandeling.
• Myopathie (spierpijn, spierzwakte, stijfheid).
• Zeldzaam: rabdomyolyse (ernstige spierschade).
• Daarom wordt het afgeraden om fibraten te combineren met
cholesterolsynthetaseremmers (statines).
• Uitzondering: het combinatiepreparaat fenofibraat/pravastatine is relatief veilig.
- Interacties:
• Kunnen de werking van antidiabetica (zoals sulfonylureumderivaten en insuline)
versterken.
• Ze kunnen ook de werking van orale anticoagulantia versterken, doordat ze deze
middelen verdringen uit hun eiwitbinding.
6.2.2 Galzuurbinedende harsen: binden galzure zouten in de darm, waardoor deze niet opnieuw
worden geresorbeerd maar via de feces worden uitgescheiden.
- Normaal wordt ongeveer 90% van de galzuren in het ileum heropgenomen via de
enterohepatische kringloop.
- Door het verlies van galzuren moet de lever nieuwe galzuren aanmaken uit cholesterol, wat
leidt tot een verlaging van het cholesterolgehalte in het bloed.
- Toepassing:
• Worden gebruikt bij hypercholesterolemie:
○ Als monotherapie wanneer statines niet verdragen worden.
○ Als combinatietherapie met een statine bij onvoldoende effect.
• Soms ook voorgeschreven bij:
○ Jeuk veroorzaakt door obstructie-icterus (verstopping van de galwegen).
○ Galzoutendiarree, bijvoorbeeld bij ziekte van Crohn of ileumresectie.
- Bijwerkingen: obstipatie en misselijkheid.
- Interacties:
• Galzuurbindende harsen kunnen ook andere geneesmiddelen binden, waardoor de
opname daarvan vermindert.
• Andere geneesmiddelen moeten 1 uur vóór of 4 tot 6 uur na het gebruik van
colestyramine worden ingenomen.
6.2.3 Nicotinezuur- en analogen
- Acipimox (Nedios, Olbetam) is een analoog van nicotinezuur. Het remt de synthese van
Farmacotherapie AGZ Pagina 2
, - Acipimox (Nedios, Olbetam) is een analoog van nicotinezuur. Het remt de synthese van
triglyceriden en de afgifte van VLDL door de lever.
- Bijwerkingen:
• Flushing: vaatverwijding in het gezicht.
• Hoofdpijn en maagklachten.
• Bij langdurig gebruik kunnen leverfunctiestoornissen optreden.
• Ook kan het urinezuurgehalte in het bloed stijgen.
6.2.4 Cholesterolsyntheseremmers
- Statinen: remmen het enzym HMG-CoA-reductase, dat verantwoordelijk is voor de
cholesterolaanmaak in de lever.
- Door deze remming worden LDL-receptoren in de lever gestimuleerd. Hierdoor wordt meer
LDL uit het bloed verwijderd, wat leidt tot een daling van het cholesterolgehalte met
ongeveer 25 tot 45%.
- Het effect is merkbaar binnen een week en maximaal na vier tot zeven weken.
- Statinen kunnen het triglyceridengehalte met 10 tot 30% verlagen.
- Ze zijn middel van eerste keuze bij hypercholesterolemie, vanwege de goede balans tussen
effectiviteit en bijwerkingen.
- Extra gunstige effecten;
• Stabiliseren van atherosclerotische plaques door vermindering van de instroom van
macrofagen.
• Beschermen van de bindweefsellaag van de plaque.
• Verminderen van trombusvorming door een grotere fibrinolytische activiteit.
• Draag mogelijk direct bij aan een lager risico op hart- en vaatziekten.
- Inname en contra-indicaties
• Statinen moeten voor de nacht ingenomen worden, omdat HMG-CoA-reductase dan
het meest actief is.
• Leverfunctiestoornissen zijn een contra-indicatie, omdat statinen in de lever worden
omgezet en uitgescheiden.
• Voorzichtigheid bij overmatig alcoholgebruik, vanwege een verhoogde kans op
myopathie en leverbeschadiging.
- Interacties:
• Versterking van orale anticoagulantia zoals acenocoumarol.
• Verhoogde kans op spierklachten (myopathie) bij combinatie met:
○ Immuunsuppressiva zoals ciclosporine en methotrexaat.
○ Fibraten.
○ Nicotinezuur.
○ Antimycotica (zoals itraconazol).
○ Macrolide-antibiotica (zoals erytromycine en claritromycine).
○ HIV-proteaseremmers (zoals indinavir).
○ Grapefruitsap.
• Galzuurbindende harsen verminderen de opname van statinen uit de darm.
- Bijwerkingen:
• Over het algemeen goed verdragen.
• Vaak voorkomende bijwerkingen: buikpijn, misselijkheid, obstipatie, flatulentie,
asthenie (verminderde kracht), en hoofdpijn.
• Leverfunctiestoornissen: stijging van ALAT en ASAT komt voor, leverfalen is zeer
zeldzaam.
• Bij een stijging van de leverenzymen tot meer dan drie keer de normale waarde moet
Farmacotherapie AGZ Pagina 3
, • Bij een stijging van de leverenzymen tot meer dan drie keer de normale waarde moet
het middel worden gestopt en later in lagere dosering hervat of vervangen.
• Spierpijn komt voor bij 5-18% van de patiënten.
• Ernstige spierschade (myopathie) of rabdomyolyse is zeldzaam, maar bij
creatinekinase >10 mmol/L moet de behandeling onmiddellijk worden gestaakt.
• Andere mogelijke bijwerkingen: geheugenverlies, nachtmerries, en een verhoogd risico
op diabetes mellitus type 2.
• Voor een grote operatie moet de behandeling tijdelijk worden stopgezet.
6.2.5 Cholesterolresorptieremmers
- Ezetimib (Ezetrol) wordt opgenomen in de wand van de dunne darm en remt de opname van
cholesterol uit de voeding.
- Wordt gebruikt als aanvulling op dieetmaatregelen bij familiaire hypercholesterolemie, vooral
wanneer statinen onvoldoende effect hebben of niet verdragen worden.
- Belangrijkste bijwerkingen: hoofdpijn, buikpijn en diarree.
- Bij combinatie van ezetimib met simvastatine (Inegy) neemt de kans toe op maag-
darmklachten, myopathie en stijging van leverenzymen.
- Er bestaat ook een combinatiepreparaat van ezetimib met atorvastatine (Atozet).
6.2.6 Omega-3-vetzuren
- Omega-3-vetzuren (Omacor) zijn meervoudig onverzadigde vetzuren, afkomstig uit visolie.
- Ze hebben mogelijk een gunstig effect op het endotheel van de bloedvaten.
- Ze remmen in de lever de aanmaak van triglyceriden, wat leidt tot een daling van het
triglyceridengehalte in het bloed.
- Belangrijkste bijwerking: maag-darmstoornissen, vooral bij langdurig gebruik.
6.3 Antitrombotica en trombolytica
- Hemostase bestaat uit twee hoofdfasen: coagulatie (stolling) en trombolyse (afbraak van
stolsels).
6.3.1 Trombocytenaggregatie
- Bij beschadiging van het endotheel (de binnenbekleding van een bloedvat) hechten
trombocyten zich aan de vaatwand:
1 Deze adhesie vindt plaats aan het bindweefsel van het basaalmembraan, dat onder het
endotheel ligt.
2 De von Willebrand-factor (vWF) is noodzakelijk voor deze hechting.
3 Na hechting veranderen trombocyten van vorm en vormen ze een fijnmazig netwerk.
4 De geactiveerde trombocyten scheiden vaatactieve stoffen uit, waaronder serotonine,
dat zorgt voor vasoconstrictie. Ook wordt tromboxaan A₂ gevorm (een prostaglandine
afkomstig uit trombocyten) gevormd, dat:
○ Basoconstrictie veroorzaakt;
○ aggregatie van andere trombocyten stimuleert.
5 Samen met fibrine (dat tijdens het stollingsproces wordt gevormd) ontstaat zo een
bloedprop (trombus) die kleine bloedvaten effectief kan afsluiten.
6.3.6 Trombocytenaggregatieremmers
- Acetylsalicylzuur en Carbasalaatcalcium (Ascal) remmen de trombocytenaggregatie door
remming van de aanmaak van tromboxaan A₂.
• Carbasalaatcalcium: een oplosbaar calciumzout van acetylsalicylzuur.
• Deze middelen moeten op de nuchtere maag worden ingenomen, omdat voedsel de
opname van acetylsalicylzuur vertraagt.
• Ze worden toegepast bij de secundaire preventie van het ontstaan van arteriële
trombose (bijvoorbeeld na een hartinfarct of TIA).
- Contra-indicaties
• Overgevoeligheid, zoals een astma-aanval of collaps na gebruik.
• Bloedig CVA (hersenbloeding).
• Ernstige maagklachten.
• Ernstige nier- of leverinsufficiëntie.
Farmacotherapie AGZ Pagina 4