deel 1: ruimte
H1: de aardrijkskundige visie
1. Het vak “aardrijkskunde”
2. De onderwijskundige driehoek
Onderwijs is een samenspel van 3 factoren:
- Pedagogiek
- Inhoud
- Didactiek
Wat is aardrijkskunde?
De geografie bestudeert verschijnselen, systemen en processen die gebonden zijn aan het aardoppervlak en voor hun
verwezenlijking ruimte opeisen. Het is een systeemwetenschap, ze egt de nadruk op de verbanden tussen de
verschijnselen
Þ Geografische elementen
o Natuurlijke elementen
§ Bv. Berg, rivier, oceaan
o Menselijke elementen
§ Bv. Stad, kanaal
o Een geograaf is niet alleen blij met de beschrijving van de elementen. Hij wil vooral weten waarom
een verschijnsel hier wel voorkomt en daar niet
Þ Geografische elementen beïnvloeden elkaar
o Verticale relaties: onderlinge betrekkingen tussen feiten/verschijnselen die op éénzelfde plaats of in 1
bepaald gebied voorkomen
o Horizontale relaties: onderlinge betrekkingen tussen feiten/verschijnselen gelegen op verscheidene
plaatsen
Þ Er bestaan ingewikkelde netwerken waarbij de veranderingen en één element invloed op vele andere
uitoefent => ruimtelijk systeem (= ingewikkeld netwerk van elementen die onderling verbonden zijn door
relaties)
, Þ Ruimtelijke processen: evolutie die voorkomt doordat op elkaar inwerkende elementen veranderen
o Bv. Bevolkingsevolutie, productieveranderingen in landbouw en industrie, verstedelijking van
platteland…
Besluit
Þ Geografie is:
o Een systeemwetenschap
o Legt de nadruk op verbanden tussen de verschijnselen
Þ Geografie bestudeert verschijnselen, systemen, processen
o Die gebonden zijn aan het aardoppervlak
o Die voor hun verwezenlijking ruimte opeisen
Þ Microgeografie: relaties van het individu met zijn lokaal milieu
Þ Macrogeografie: de ganse mensheid en haar betrokkenheid met het globale wereldmilieu
Þ Waarnemingen die niets met aardrijkskunde te maken hebben, zijn voor geografie enkel belangrijk om de
verscheidenheid van de fysische, socio-economische, ecologische… verschijnselen te begrijpen en te helpen
verklaren
Þ Aardrijkskunde bestudeert de wereld en de mensen die daar wonen => 2 hoofdrichtingen
o Fysische geografie: natuurkundige aardrijkskunde => gaat om natuur (klimaat, grondsoort…) en
betekenis daarvan voor de mens
o Sociale geografie: bekijkt hoe mensen leven, waarom ze op een bepaalde plaats wonen, wat de
middelen van bestaan zijn => gebeurt vanuit verschillende invalshoeken: economisch, demografisch,
cultureel, politiek…
3. De geografische kubus
Þ Bij het vak aardrijkskunde: inzicht krijgen in ruimtelijke spreiding en ruimtelijke samenhang van relevante
verschijnselen op aardoppervlak op diverse schaalniveaus
Þ Geografische kubus:
Þ inhoud geografische kubus
o microniveau => bv: straat, wijk, dorp…
o mesoniveau => bv: grote stad, regio
o macroniveau => bv: land, wereld
, Þ kubus bestaat uit 3 soorten lijnen
o horizontale lijn: bestaansdimensie
o verticale lijn: bronnengebruikt, bronnenonderzoek, van omgeving tot teksten
o dieptelijn: geografische zienswijze, van waarnemen tot waarderen
3.1. Horizontale lijn: de bestaandimensies
Þ Binnen elk stuk ruimte zijn er veel verschijnselen/aspecten/ bestaansdimensies, die elkaar wederzijds
beïnvloeden => ruimtelijke samenhang (= ruimte om ons heen is ingericht door samenspel van al deze
dimensie
Þ Binnen elke ruimtelijke eenheid onderscheiden we 6 verschillende bestaansdimensies
o Natuurlijke dimensie
§ Daarmee kijk je naar de mens in relatie met natuur en milieu
§ Bv: wat groeit, bloeit, leeft er?, Hoe gaan de mensen om met hun omringende natuur?,
Welke wisselwerkingen zijn er tussen de natuurlijke omstandigheden en de menselijke
activiteiten?...
o Economische dimensie
§ Daarmee kijk je naar aspecten die te maken hebben met mens en levensonderhoud
§ Bv: Waar leven mensen van?, Wat zijn de levensbehoeften van mensen?, In welke sectoren
werken mensen vooral?, Zijn er grote verschillen tussen arm en rijk?...
o Sociale dimensie
§ Daarmee kijk je naar mensen en medemensen, de contacten en relaties tussen de mensen
onderling
§ Bv: Hoe gaan mensen met elkaar om?, Welke klassen, groepen, lagen zijn er?, Is lid zijn van
een groep prettig of wordt dat juist als hinderlijk of zelfs discriminerend ervaren?...
o Culturele dimensie
§ Daarmee kijk je naar mens en zingeving (naar cultuur, uitingsvormen, levensbeschouwing)
§ Bv: Hoe geeft de mens zin aan zijn bestaan?, Welke geestelijke stromingen zijn er?, Wat
vindt men van allerlei actuele gebeurtenissen?, War is er mooi, lelijk, slecht, goed,
waardenvol, waardeloos, positief, negatief?...
o Politieke dimensie
§ Daarmee kijk je naar mens en macht => niet alleen naar de landelijke/plaatselijke politiek
maar naar de verdeling van macht tussen mensen onderling en in hoeverre die een rol speelt
in het dagelijks leven
§ Bv: wie is de baas?, Wie heeft er veel invloed?, Wie zijn de officiële leiders in een land,
provincie?, Welke onderlinge regels en afspraken zijn er gemaakt?...
o Historische dimensie
§ Daarmee kijk je naar mens en verleden, heden, toekomst
§ Bv: welke elementen uit het verleden zijn nog zichtbaar?, Welke zaken in het heden zijn
sterk bepaald door het verleden?, Welke toekomstperspectieven zijn er?...
Þ Ruimtelijke bril overkoepeld al die andere brillen en brengt die met elkaar in verband => ruimtelijke bril heeft
inzicht in de inrichting van de ruimte als samenspel van een aantal krachten (1 aspect overheerst, maar aspect
wordt altijd meebepaald door andere aspecten) à 1 aspect staat nooit alleen:
o Aspecten kunnen gelijkwaardig zijn => bv: sociaal-economisch plan, cultuur-historisch visie…
o Aspecten kunnen tegenstrijdig zijn => bv: ruimte op bepaalde manier ingericht vanuit economische
motieven, maar dat gebied willen mensen beschermen om zijn grote natuurwaarden (à mensen
denken verschillend na over inrichting ruimte)
, 3.2. Verticale lijn: bronnengebruik en- onderzoel van concreet naar abstract
Þ Altijd noodzakelijk eerst informatie te verzamelen (daarbij verschillende bronnen raadplegen)
Þ Instrumentarium gaat van concreet (= driedimensionaal) naar abstract (= eendimensionaal):
o Omgeving (driedimensionaal)
§ Eigen concrete woon- en leefomgeving
§ Omgeving waar de kids veel komen, iets mee hebben
o Beelden (tweedimensionaal)
§ Foto’s en illustraties
§ Multimedia => bv: tv-programma’s, documentaires, educatieve software,
internettoepassingenen
o Kaarten (tweedimensionaal)
§ Losse plattegronden en kaarten
§ Overzichts- en thematische kaarten uit atlas of internet
o Teksten (eendimensionaal)
§ Vakinhoudelijke teksten uit methoden, informatieve boeken, kranten, tijdschriften,
publicaties op internet
Þ Nabije werkelijkheid: concrete werkelijkheid waar je de verschijnselen in het echt kan waarnemen,
beschrijven, verklaren, toepassen, waarderen
Þ Niet-nabije werkelijkheid: we moeten gebruik maken van beelden om niet-nabije werkelijkheid te kunnen
waarnemen, beschrijven, verklaren, toepassen en waarderen
3.3. Dieptelijn/ diagonale lijn: de geografische zienswijze
Þ Geografische zienswijze (= denkkader) gebaseerd op een aantal opeenvolgende geografische vragen:
à dit denkkader wordt ook wel geografische vierslag genoemd
Þ Geografische vierslag
o Er wordt vanuit bijzondere invalshoeken gekeken naar de wereld (oog voor de inrichting van ruimte,
spreiding van verschijnselen, samenhang van verschijnselen)
o Bestaat uit 4 handelingen die op vrijwel elk geografische onderwerp kan worden toegepast =>
4 handelingen
§ Waarnemen en beschrijven
• Wat zie ik? Waar zie ik dat? Hoe ziet het eruit?
• Geografische vaardigheid die je hiervoor nodig hebt: inventarissen
§ Verklaren:
• Hoe komt het? Waarom daar? Waarom daar zo?
§ Herkennen en toepassen
• Heb ik dat ergens anders ook wel eens gezien? Zie ik het wel vaker?
• Geografische vaardigheid die je hiervoor nodig hebt: interpreteren
§ Waarderen
• Wat vind ik ervan? Wat vinden anderen ervan? Kan het ook anders?
Þ Geografische vierslag sluit nauw aan bij geografische zienswijze volgens Hartwig Haubricht (=> heeft model
ontwikkeld om in 10 stappen met in niveau opklimmende vragen geografische objecten en verschijnselen
gericht door leerlingen te laten onderzoeken):
1. Bekijken
2. Benoemen
H1: de aardrijkskundige visie
1. Het vak “aardrijkskunde”
2. De onderwijskundige driehoek
Onderwijs is een samenspel van 3 factoren:
- Pedagogiek
- Inhoud
- Didactiek
Wat is aardrijkskunde?
De geografie bestudeert verschijnselen, systemen en processen die gebonden zijn aan het aardoppervlak en voor hun
verwezenlijking ruimte opeisen. Het is een systeemwetenschap, ze egt de nadruk op de verbanden tussen de
verschijnselen
Þ Geografische elementen
o Natuurlijke elementen
§ Bv. Berg, rivier, oceaan
o Menselijke elementen
§ Bv. Stad, kanaal
o Een geograaf is niet alleen blij met de beschrijving van de elementen. Hij wil vooral weten waarom
een verschijnsel hier wel voorkomt en daar niet
Þ Geografische elementen beïnvloeden elkaar
o Verticale relaties: onderlinge betrekkingen tussen feiten/verschijnselen die op éénzelfde plaats of in 1
bepaald gebied voorkomen
o Horizontale relaties: onderlinge betrekkingen tussen feiten/verschijnselen gelegen op verscheidene
plaatsen
Þ Er bestaan ingewikkelde netwerken waarbij de veranderingen en één element invloed op vele andere
uitoefent => ruimtelijk systeem (= ingewikkeld netwerk van elementen die onderling verbonden zijn door
relaties)
, Þ Ruimtelijke processen: evolutie die voorkomt doordat op elkaar inwerkende elementen veranderen
o Bv. Bevolkingsevolutie, productieveranderingen in landbouw en industrie, verstedelijking van
platteland…
Besluit
Þ Geografie is:
o Een systeemwetenschap
o Legt de nadruk op verbanden tussen de verschijnselen
Þ Geografie bestudeert verschijnselen, systemen, processen
o Die gebonden zijn aan het aardoppervlak
o Die voor hun verwezenlijking ruimte opeisen
Þ Microgeografie: relaties van het individu met zijn lokaal milieu
Þ Macrogeografie: de ganse mensheid en haar betrokkenheid met het globale wereldmilieu
Þ Waarnemingen die niets met aardrijkskunde te maken hebben, zijn voor geografie enkel belangrijk om de
verscheidenheid van de fysische, socio-economische, ecologische… verschijnselen te begrijpen en te helpen
verklaren
Þ Aardrijkskunde bestudeert de wereld en de mensen die daar wonen => 2 hoofdrichtingen
o Fysische geografie: natuurkundige aardrijkskunde => gaat om natuur (klimaat, grondsoort…) en
betekenis daarvan voor de mens
o Sociale geografie: bekijkt hoe mensen leven, waarom ze op een bepaalde plaats wonen, wat de
middelen van bestaan zijn => gebeurt vanuit verschillende invalshoeken: economisch, demografisch,
cultureel, politiek…
3. De geografische kubus
Þ Bij het vak aardrijkskunde: inzicht krijgen in ruimtelijke spreiding en ruimtelijke samenhang van relevante
verschijnselen op aardoppervlak op diverse schaalniveaus
Þ Geografische kubus:
Þ inhoud geografische kubus
o microniveau => bv: straat, wijk, dorp…
o mesoniveau => bv: grote stad, regio
o macroniveau => bv: land, wereld
, Þ kubus bestaat uit 3 soorten lijnen
o horizontale lijn: bestaansdimensie
o verticale lijn: bronnengebruikt, bronnenonderzoek, van omgeving tot teksten
o dieptelijn: geografische zienswijze, van waarnemen tot waarderen
3.1. Horizontale lijn: de bestaandimensies
Þ Binnen elk stuk ruimte zijn er veel verschijnselen/aspecten/ bestaansdimensies, die elkaar wederzijds
beïnvloeden => ruimtelijke samenhang (= ruimte om ons heen is ingericht door samenspel van al deze
dimensie
Þ Binnen elke ruimtelijke eenheid onderscheiden we 6 verschillende bestaansdimensies
o Natuurlijke dimensie
§ Daarmee kijk je naar de mens in relatie met natuur en milieu
§ Bv: wat groeit, bloeit, leeft er?, Hoe gaan de mensen om met hun omringende natuur?,
Welke wisselwerkingen zijn er tussen de natuurlijke omstandigheden en de menselijke
activiteiten?...
o Economische dimensie
§ Daarmee kijk je naar aspecten die te maken hebben met mens en levensonderhoud
§ Bv: Waar leven mensen van?, Wat zijn de levensbehoeften van mensen?, In welke sectoren
werken mensen vooral?, Zijn er grote verschillen tussen arm en rijk?...
o Sociale dimensie
§ Daarmee kijk je naar mensen en medemensen, de contacten en relaties tussen de mensen
onderling
§ Bv: Hoe gaan mensen met elkaar om?, Welke klassen, groepen, lagen zijn er?, Is lid zijn van
een groep prettig of wordt dat juist als hinderlijk of zelfs discriminerend ervaren?...
o Culturele dimensie
§ Daarmee kijk je naar mens en zingeving (naar cultuur, uitingsvormen, levensbeschouwing)
§ Bv: Hoe geeft de mens zin aan zijn bestaan?, Welke geestelijke stromingen zijn er?, Wat
vindt men van allerlei actuele gebeurtenissen?, War is er mooi, lelijk, slecht, goed,
waardenvol, waardeloos, positief, negatief?...
o Politieke dimensie
§ Daarmee kijk je naar mens en macht => niet alleen naar de landelijke/plaatselijke politiek
maar naar de verdeling van macht tussen mensen onderling en in hoeverre die een rol speelt
in het dagelijks leven
§ Bv: wie is de baas?, Wie heeft er veel invloed?, Wie zijn de officiële leiders in een land,
provincie?, Welke onderlinge regels en afspraken zijn er gemaakt?...
o Historische dimensie
§ Daarmee kijk je naar mens en verleden, heden, toekomst
§ Bv: welke elementen uit het verleden zijn nog zichtbaar?, Welke zaken in het heden zijn
sterk bepaald door het verleden?, Welke toekomstperspectieven zijn er?...
Þ Ruimtelijke bril overkoepeld al die andere brillen en brengt die met elkaar in verband => ruimtelijke bril heeft
inzicht in de inrichting van de ruimte als samenspel van een aantal krachten (1 aspect overheerst, maar aspect
wordt altijd meebepaald door andere aspecten) à 1 aspect staat nooit alleen:
o Aspecten kunnen gelijkwaardig zijn => bv: sociaal-economisch plan, cultuur-historisch visie…
o Aspecten kunnen tegenstrijdig zijn => bv: ruimte op bepaalde manier ingericht vanuit economische
motieven, maar dat gebied willen mensen beschermen om zijn grote natuurwaarden (à mensen
denken verschillend na over inrichting ruimte)
, 3.2. Verticale lijn: bronnengebruik en- onderzoel van concreet naar abstract
Þ Altijd noodzakelijk eerst informatie te verzamelen (daarbij verschillende bronnen raadplegen)
Þ Instrumentarium gaat van concreet (= driedimensionaal) naar abstract (= eendimensionaal):
o Omgeving (driedimensionaal)
§ Eigen concrete woon- en leefomgeving
§ Omgeving waar de kids veel komen, iets mee hebben
o Beelden (tweedimensionaal)
§ Foto’s en illustraties
§ Multimedia => bv: tv-programma’s, documentaires, educatieve software,
internettoepassingenen
o Kaarten (tweedimensionaal)
§ Losse plattegronden en kaarten
§ Overzichts- en thematische kaarten uit atlas of internet
o Teksten (eendimensionaal)
§ Vakinhoudelijke teksten uit methoden, informatieve boeken, kranten, tijdschriften,
publicaties op internet
Þ Nabije werkelijkheid: concrete werkelijkheid waar je de verschijnselen in het echt kan waarnemen,
beschrijven, verklaren, toepassen, waarderen
Þ Niet-nabije werkelijkheid: we moeten gebruik maken van beelden om niet-nabije werkelijkheid te kunnen
waarnemen, beschrijven, verklaren, toepassen en waarderen
3.3. Dieptelijn/ diagonale lijn: de geografische zienswijze
Þ Geografische zienswijze (= denkkader) gebaseerd op een aantal opeenvolgende geografische vragen:
à dit denkkader wordt ook wel geografische vierslag genoemd
Þ Geografische vierslag
o Er wordt vanuit bijzondere invalshoeken gekeken naar de wereld (oog voor de inrichting van ruimte,
spreiding van verschijnselen, samenhang van verschijnselen)
o Bestaat uit 4 handelingen die op vrijwel elk geografische onderwerp kan worden toegepast =>
4 handelingen
§ Waarnemen en beschrijven
• Wat zie ik? Waar zie ik dat? Hoe ziet het eruit?
• Geografische vaardigheid die je hiervoor nodig hebt: inventarissen
§ Verklaren:
• Hoe komt het? Waarom daar? Waarom daar zo?
§ Herkennen en toepassen
• Heb ik dat ergens anders ook wel eens gezien? Zie ik het wel vaker?
• Geografische vaardigheid die je hiervoor nodig hebt: interpreteren
§ Waarderen
• Wat vind ik ervan? Wat vinden anderen ervan? Kan het ook anders?
Þ Geografische vierslag sluit nauw aan bij geografische zienswijze volgens Hartwig Haubricht (=> heeft model
ontwikkeld om in 10 stappen met in niveau opklimmende vragen geografische objecten en verschijnselen
gericht door leerlingen te laten onderzoeken):
1. Bekijken
2. Benoemen