Inleiding
Lymfocyten
= cruciale spelers in immuunsysyteem ---> voorkomen =
- Bloed Enige orgaan zonder lymfocyten = centraal
- Lymfevaten zenuwstelsel
- Weefsels
---> enkel in pathologische omstandigheden
---> globale werking =
1. Worden gemaakt in primaire lymfoïde organen =
• Beenmerg
• Thymus
2. Verhuizen nr secundaire lymfoïde organen =
• Lymfeklieren + lymfeknopen
• Milt
• Malt = mucosa-associated lymphoid tissue
3. Daar activeren dr antigeen
4. Vermenigvuldigen van lymfocyten
5. Versterking immuunrespons veroorzaken
Hoofstuk 1: beenmerg
= tussen bottrabekels van botmerg = actieve hematopoëtische merg ---> heel actief want maakt
bloedcellen aan
---> bloedcellen = beperkte overleving ---> bv. RBC = 120 dagen ---> moeten continue
vervangen worden
Verschil kinderen + volwassenen =
- Kinderen = alle beenmerg is actief = rood beenmerg
- Volwassenen = niet al het beenmerg is actief ---> beenmerg zal progressief vervetten --->
enkel nog rood beenmerg in centraal skelet = axiaal =
• Schedel
Soorten beenmerg =
• Wervelkolom
• Ribben - Rood = actief
• Bekken - Geel = niet actief
• Femora
---> in pathologische omstandigheden = geel ---> rood
1
, Omstaat beenmergcellen =
Uit hemapoëtische stamcellen ---> = pluripotente hematopoëtische stamcel = heel kleine
fractie beenmerg
---> niet zomaar aantonen via HE kleuring
---> wel aantonen via heel specifieke kleuringen
---> uit pluripotente stamcel = 2 types multipotente stamcellen = committed stem cells
Soort cel Lymfoïde voorlopercellen Myeloïde voorlopercellen
Ontstaan uit cel - T lymfocyten - Rode bloedcellen
- B lymfocyten - Witte bloedcellen = granulocyten
- Monocyten
- Bloedplaatjes
- Dendritische cellen
- Mastcellen
---> Dendritische cellen vormen uit beenmerg = cellen gespecialiseerd in presenteren van
antigeen aan B- en T lymfocyten
Hematopoëse =
Moet op gesynchroniseerde manier gebeuren want aantal bloedcellen in circulatie = heel strikt
gecontroleerd ---> kan via
- Cel-cel interacties
- Cytokines ---> kunnen synthetisch gemaakt worden ---> bv.
• EPO
• Filgrastin = G-CSF (granulocyte colony stimulating factor) ---> gebruiken bij
patiënten met neutropenie = te weinig granulocyten
- Groeifactoren
Histologie beenmerg ---> 3 componenten =
- Stroma
- Vasculaire sinusoïden
- Hematopoëtische cellen
1. Stroma
= gemodifieerde fibroblasten = reticulumcellen = maken
extracellulaire matrixcomponenten aan
---> = macromoleculen tussen cellen =
- Collageen III = reticuline vezels
- Reticulumcellen
---> vormen soort netwerk ---> in mazen v netwerk =
hematopoëtische cellen + macrofagen 2
,Functie stoma beenmerg =
- Fagocytotische functie door macrofagen---> = versleten + verouderde + misvormde RBC
en bloedplaatjes capteren
- Vervetten van stroma door vormen vetcellen via stromacellen
Reticulumcellen =
- Belangrijke rol bij hematopoëse ---> kunnen groeifactoren maken
- Interactie hematopoëtische cellen met reticulum cellen = belangrijk
2. Vasculaire sinusoïden
= zilverkleuring
- Zwart = netwerk reticuline vezels
- Grote witte cellen = vetcellen = leeg
voorkomen door uitwassen bij procedure
- Sinusoïden = gedilateerde capillairen
Eigenschappen sinusoïden =
Afgelijnd door:
- Discontinu endotheel Zo nieuw gevormde cellen makkelijk nr bloedbaan
- Discontinu basale membraan
3. Hematopoëtische cellen =
Blast =
Snel delende precursorcellen --->
- Spelen rol in embryologie
- Bij volwassen = in beenmerg
---> hebben fijn chromatine patroon = euchromatine
3
, Maturatie rode bloedcellen = erytropoësis =
Algemeen =
- Cellen worden progressief kleiner vanaf pro-erythroblast
- Celkernen worden progressief kleiner ---> zeer kleine kern met veel
chromatine = pycnotische kern = wordt uitgeworpen
- Progressief minder organellen ---> uiteindelijk eindigen met zakje dat
enkel Hb bevat
1. Eerste cel = pro-erythroblast =
• Kern met fijn chromatinepatroon
• 1 of + nucleoli
• Basofiel cytoplasma er rond (blauw)
2. Basofiele erythroblast =
Basofiel door veel RNA + polyribosomen ---> omdat die Hb moeten
vormen = veel mRNA + polyribosomen nodig
---> = zuur dus bindt met blauwe basische kleurstof
3. Polychromatofiele erythroblast =
• Heeft veel RNA
• Begint al Hb te maken ---> cytoplasma is grijs
4. Orthochromatofiele erythroblast
= veel Hb bevatten = kleurt met eosine
5. Reticulocyt =
= kan niet gekleurd worden via Giesma kleuring ---> enkel via briljant-kresil-blauw
• Bevat nog een beetje RNA
• 1% v RBC in lichaam = reticulocyt
• Na bloeding = % reticulocyt stijg
6. Erythrocyt =
• Heel klein
• Geen celkern + geen organellen
• Finale rode bloedcel
Belangrijkste GF voor erytropoëse =
Erythropoëtine ---> aanmaken in nieren
---> mensen met slechte nierfunctie = anemie hebben
4