Ruimtes om ons veilig te voelen 4
3 soorten invloed/aanwezigheid 4
Uitgangspunten van de sociale psychologie 4
Experimenteel onderzoek 5
De relatie tussen sociale psychologie en mensenkennis en intuïtie 5
Hoofdstuk 1 - methodes van sociaalpsychologisch onderzoek 5
1.1 Beschrijvende methode 5
1.2 Correlationeel onderzoek 6
1.3 Experiment 7
Hoofdstuk 6 - altruïstisch gedrag 8
6.1 De definitie van altruïstisch gedrag 8
6.2 Methodologie van onderzoek over altruïsme 8
6.3 De altruïstische intentie en de beoordeling vh gedrag 8
6.4 Experiment van Newman en Cain 9
6.5 Vervolgexperiment: geld voor goed doel (Newman en Cain, 2014) 9
6.6 Waarom helpen mensen? 9
6.7 Onderzoek bij 2-jarige peuters (Aknin, Hamlin en Dunn, 2012) 13
6.8 Van aantal getuigen in noodsituaties naar beslissingsmodel hulpverlening 13
6.9 De mythe van Kitty Genovese 13
6.10 Het 5-stappenmodel van Latané en Darley: 5 stappen doorlopen voordat we hulp bieden 14
6.11 Kritische bedenkingen bij model van Darley en Latané 14
6.12 Kritische bedenkingen (algemeen) 15
6.13 Altruïsme als uitoefenen van macht 15
Hoofdstuk 3 - sociale invloed 16
3.1 De invloed van de aanwezigheid van anderen 16
3.2 Experiment van Allport 16
3.3 Experiment van Ader & Tatum 16
3.4 Wanneer sociale inhibitie (belemmering) en sociale facilitatie? 16
3.5 Ontdekking door Zajonc 19
3.6 Impliciete sociale invloed 20
3.7 Het basisparadigma van Moscovici 22
3.8 Meerderheid vs. minderheid: fundamenteel verschillend? 23
3.9 Experiment van Milgram 23
Hoofdstuk 7 - stereotypes 25
7.1 Wat zijn stereotypes? 25
7.2 Hoe zijn stereotypes te meten? 26
7.3 Waar komen stereotypes vandaan? 26
7.4 Categorisering als eigenschap van informatiewerking 26
7.5 Het opbouwen van een (gunstig) zelfbeeld 27
7.5 Stereotypes en de verwerking van informatie over personen 29
7.6 Stereotypes bepalen mee overt gedrag 29
7.7 Stereotypes houden zichzelf in stand 29
7.8 Hoe kunnen stereotypes veranderen? 30
Hoofdstuk 4 - attitudes 31
4.1 De (voorspellende waarde van) metingen van attitudes 32
4.2 De vorming van attitudes 33
,
Hoofdstuk 5 - agressief gedrag 40
5.1 Wat is aggressie? 40
5.2 De meting van agressie 41
5.3 Hoe kunnen we agressie uitlokken? 42
5.4 Oorzaken van agressie 43
5.5 Frustratie-agressie hypothese 44
5.6 Provocatie en agressie hypothese 44
5.7 Agressie en uitsluiting 46
, Inleiding
Sociale psychologie = deelgebied vd psychologie dat zich bezighoudt met sociale invloeden op individueel
gedrag en met gedrag van individuen met, voor, over of tegen elkaar
De negativiteitsdenkfout: We hebben meer aandacht voor het negatieve dan voor het positieve → was
nodig voor onze voorouders om hun overlevingskansen te vergroten
→ media heeft grote impact: meer berichten over negatieve zaken dan positieve: komt niet altijd overeen
met de werkelijkheid bv. vliegtuig dat neerstort, terwijl zoveel vliegtuigen veilig vliegen
Soms is een naam voldoende om een oordeel te vellen = tweede bestemming
Aangeleerde hulpeloosheid = ondanks alle pogingen om iets op te lossen, helpt er niks
vb. olifant: door al die jaren te denken dat je niet los kan, zit je op den duur vast aan je eigen gedachten,
ook al heb je wel de middelen (hier het gewicht) om los te komen
Mapo brug: veel zelfmoordpogingen → Seoul richt initiatief op: positieve boodschappen op de brug hangen
⇒ resultaat: aantal zelfmoordpogingen STEEG !! oorzaak: mensen gingen meer nadenken over de brug,
en boodschappen gaan mensen niet zomaar tegenhouden → conclusie: mensen hebben elkaar nodig
Sociale deprivatie: als mensen geen anderen in de buurt hebben, dan kan dat zelfs effect hebben in onze
hersenen bv. kinderen die lang verblijven in een weeshuis met tekort aan affectie → zichtbaar op
MRI-scan: verschil in grijze stof in de hersenen
Sociale paradox: er zit een tegenstelling in de mens: enerzijds weten we dat we anderen nodig hebben,
en toch schermen we ons vaak af van anderen bv. op de trein/in de wachtzaal
→ wat blijkt: als mensen verplicht worden 15min met een vreemde te praten op de trein, blijken ze daar na
het gesprek positiever over te zijn dan voor dat gesprek
Ruimtes om ons veilig te voelen
1. intieme ruimte
2. persoonlijke ruimte
3. sociale ruimte
4. publieke ruimte
⇒ Normale afstand van iemand houden is belangrijk,ook neurologisch: gezond afstand houden wordt
gestuurd door de amygdala (regelt emoties, maar ook de afstand die we houden van anderen, om de
andere geen angst te geven dat je te dichtbij komt) → mensen met kapotte amygdala kunnen niet goed
afstand houden
Overt gedrag = gedrag dat direct observeerbaar is bv. papier scheuren ⇔ Covert gedrag = gedrag dat
voor de anderen niet direct observeerbaar is bv. gedachten en emoties bij het papier scheuren
3 soorten invloed/aanwezigheid:
1) feitelijke of fysieke aanwezigheid van iemand
bv. na de aanslagen op Zaventem: we gaan mensen met een rugzak en in het zwart vermijden