LES 1: propadeutica
1. Wat is de definitie van 'Propaedeutica' volgens de Van Dale van 1898?
a) De studie van neus-, keel- en ooraandoeningen.
b) Voorbereidende kundigheden of onderwijs voor een wetenschap.
c) De diagnose van veelvoorkomende NKO-pathologieën.
d) Het systematisch klinisch onderzoek van de patiënt.
2. Welke van de volgende elementen maakt deel uit van de basiscomponenten
van een NKO-aanmelding?
a) Multidisciplinaire onderzoeken.
b) Technische onderzoeken.
c) Behandeling.
d) Genografie.
3. Welke van de volgende klachten wordt specifiek genoemd als een mogelijk
verlies van zintuigfunctie in het NKO-gebied?
a) Keelpijn.
b) Oorpijn.
c) Tinnitus.
d) Koorts.
4. Een systematische, maar volledige bevraging van de patiënt tijdens een NKO-
consult staat bekend als:
a) Klinisch onderzoek.
b) Technische onderzoeken.
c) Anamnese.
d) Inspectie.
5. Welk van de volgende is een belangrijk onderdeel van de persoonlijke
medische voorgeschiedenis tijdens de NKO-anamnese?
a) Medicatiegebruik.
b) Vermoedelijke allergieën.
c) Beroep/hobbies.
d) Psychosociale aandachtspunten.
6. Er zijn diverse geassocieerde klachten buiten het NKO-gebied die relevant
kunnen zijn tijdens de anamnese. Welk gebied wordt hier NIET expliciet
genoemd?
a) Lage luchtwegen.
b) Cervicaal.
c) Cardiovasculair.
d) Neurologisch.
1
,7. Bij inspectie tijdens het NKO-onderzoek kunnen "Fysionomische clues van NKO
pathologie" worden opgemerkt. Welk van de volgende is een voorbeeld van
zo'n clue?
a) Ademhalingsmoeilijkheden.
b) Adenoid facies.
c) Abnormaal stemgebruik.
d) Dysfagie.
8. Wat is het doel van palpatie tijdens het klinisch NKO-onderzoek?
a) Zichtbare afwijkingen bevestigen en onzichtbare letsels voelen.
b) De beweeglijkheid van gewrichten beoordelen.
c) De temperatuur van de huid meten.
d) De doorbloeding van het weefsel inschatten.
9. Welke structuren worden specifiek genoemd als iets wat gepalpeerd kan
worden in het hoofd-hals gebied tijdens het NKO-onderzoek?
a) Amandelen.
b) Schildklier.
c) Neusbodem.
d) Trommelvlies.
10.Waarom wordt er bij een NKO-onderzoek idealiter een voorhoofdslamp
gebruikt?
a) Voor een beter dieptezicht.
b) Om twee handen vrij te hebben voor het hanteren van instrumenten of
palpatie.
c) Omdat het kouder licht geeft en daardoor minder irritatie veroorzaakt.
d) Om de temperatuur van de te onderzoeken streek te verhogen.
11.Bij anterieure rhinoscopie, welke structuur is typisch ZICHTBAAR met een
neusspeculum?
a) Het voorste deel van de neusholte.
b) De rhinofarynx.
c) De sinus maxillaris.
d) De choanae.
12.Waarop letten we bij het beoordelen van het neusslijmvlies tijdens anterieure
rhinoscopie?
a) Dikte en stevigheid.
b) Consistentie en temperatuur.
c) Toestand (zwelling, kleur).
d) pH-waarde.
13.Bij posterieure rhinoscopie wordt een verwarmd spiegeltje van 5 mm diameter
in de mond gebracht. Waar wordt dit spiegeltje geplaatst om de posterieure
neusholte te bekijken?
a) Tegen de tongbasis.
b) Achter het verhemelte.
c) Tegen de uvula.
2
, d) Onder de tong.
14.Wat wordt bij inspectie van de mond-keelholte met een tongspatel vermeden
om de wurgreflex niet te triggeren?
a) Contact met de lippen.
b) Contact met de tanden.
c) Voorbij de V lingualis gaan met de spatel.
d) Contact met de amandelen.
15.Welk van de volgende letsels in de mondholte wordt specifiek als 'premaligne'
aangeduid?
a) Aftosis.
b) Fibroom.
c) Leukoplakie.
d) Orale candidiasis.
16.Bij het onderzoeken van de tonsillen, waar wordt op gelet?
a) De mobiliteit en sensibiliteit.
b) Grootte, (a)symmetrie, kleur, beslag, crypteus, letsels/erosies.
c) De temperatuur en pulsaties.
d) De productie van speeksel.
17.Welke techniek wordt gebruikt om de larynxstructuren en hun mobiliteit te
bekijken met behulp van een spiegel met een hoek van 45°?
a) Directe laryngoscopie.
b) Flexibele endoscopie.
c) Indirecte laryngoscopie.
d) Videostroboscopie.
18.Tijdens indirecte laryngoscopie, welk geluid wordt de patiënt gevraagd te
maken om de stembandmobiliteit te beoordelen?
a) Een zachte kuch.
b) Een lange, diepe inademing.
c) "i" of "e" foneren.
d) Slikken.
19.Bij inspectie/palpatie van het uitwendig oor, welk kenmerk wordt specifiek
genoemd?
a) De helderheid van de gehoorgang.
b) De aanwezigheid van een lichtreflex op het trommelvlies.
c) Pre-auriculaire pits, aanhangsels.
d) De gevoeligheid voor geluid.
20.Bij otoscopie, in welke richting wordt de oorschelp getrokken bij jonge
kinderen om de gehoorgang in verlengde te brengen?
a) Naar achter boven.
b) Naar beneden.
c) Naar voren.
3
, d) Naar achter.
21.Een normaal trommelvlies heeft een specifieke kleur en transparantie. Welke
beschrijving is correct?
a) Rood en troebel.
b) Blauw en opaak.
c) Wit-grijs en (semi-)transparant.
d) Geel en ondoorzichtig.
22.Welk kenmerk van het trommelvlies wordt beschreven als 'conisch-
ingetrokken-bulging'?
a) Kleur.
b) Lichtreflex.
c) Transparantie.
d) Positie.
23.Bij de Test van Rinne, wat is de verwachte uitkomst (LG = luchtgeleiding, BG
= beengeleiding) bij een normaal gehoor?
a) Rinne - (BG > LG).
b) Rinne + (LG > BG).
c) Rinne - (LG > BG).
d) Rinne + (BG > LG).
24.Een patiënt met conductief gehoorverlies ondergaat de Test van Weber. Waar
zal het geluid van de stemvork (geplaatst op het midden van het voorhoofd)
gelateraliseerd worden?
a) Naar het beste oor.
b) Naar het slechte oor.
c) Gecentreerd in het midden.
d) Wisselend tussen beide oren.
25.Welke audiometrische test meet specifiek de complicantie/beweeglijkheid van
het trommelvlies en middenoor bij variërende luchtdruk?
a) Toonaudiometrie.
b) Spraakaudiometrie.
c) Tympanometrie/impedantiemetrie.
d) Oto-akoestische emissies.
26.De 'SO STONED' anamnese wordt specifiek gebruikt voor onderzoek van welk
systeem?
a) Neus.
b) Keel en hals.
c) Gehoor.
d) Evenwicht (Vestibulair orgaan).
27.Bij een acute unilaterale vestibulaire uitval, in welke richting is de valneiging
te verwachten bij de Test van Romberg?
a) Naar de gezonde zijde.
b) Naar voren.
4