Samenvatting: Hoofdgroepen van Planten
1. Wieren (algen)
- Geen echte wortels, stengels of bladeren.
- Kunnen fotosynthese doen (maken zuurstof aan).
- Leven vooral in water, vormen vaak grote hoeveelheden zuurstof voor de atmosfeer.
- Bestaan in eencellige vorm (zoals groene aanslag) en meercellige vorm (zoals zeesla).
- Voorbeelden: blaaswier (zee), kranswier en ‘flap’ (zoet water), boomalgen (op land, bij
voorkeur op de noordwestzijde van bomen).
2. Korstmossen
- Geen echte mossen, maar een symbiose van een alg en een schimmel.
- Alg maakt voedsel, schimmel houdt vocht en mineralen vast.
- Groeien op boomstammen, stenen en muren.
- Gevoelig voor luchtvervuiling; gebruikt als graadmeter voor luchtkwaliteit.
- Verschillende vormen: korstvormig (bestendig), struikvormig (zeer gevoelig).
3. Mossen
- Landplanten zonder vaatbundels of echte wortels.
- Leven in vochtige omgevingen (bosgrond, schaduwzijde van bomen).
- Nemen water op via hun blaadjes, vormen kussens om vocht vast te houden.
- Kunnen uitdrogen en later weer tot leven komen.
- Voortplanting via sporen in sporendoosjes op steeltjes.
4. Paardenstaarten
- Hebben vaatbundels en echte wortels, aangepast aan droger landklimaat.
- Stengel met leden en krans van blaadjes; ondergrondse wortelstok.
- Sporendragers aan gespecialiseerde stengels.
- Voorouders waren boomhoog en vormden steenkool.
- Heermoes is een bekend voorbeeld.
5. Varens
- Hebben wortelstok en grote bladeren (varenbladen) met veervormige nerven.
- Bladeren ontrollen zich bij groei.
- Sporendragers zitten onder de bladeren (bruine puntjes/streepjes).
- Voortplanting via sporen (net als mossen en paardenstaarten).
6. Zaadplanten
- Hebben wortels, vaatbundels en stevige stengels.
- Voortplanting via zaden met embryonaal plantje en reservevoedsel.
- Best aangepast aan droog landklimaat.
- Indeling in coniferen (naaktzadigen) en bloemplanten (bedektzadigen):
,2
• Coniferen: zaden op kegels, zoals den of spar.
• Bloemplanten: zaden in vruchten, 80% van alle soorten, grote variatie.
Samenvatting en Werkblad: Bouw van Zaadplanten
Samenvatting
1. Wat heeft een plant nodig om te groeien?
- Groei vindt plaats aan de toppen van stengels en wortels (lengtegroei) en via speciale
cellen (diktegroei).
- Voor snelle groei zijn nodig: licht, koolstofdioxide, zuurstof, water, voedingszouten en
warmte.
- Belangrijke onderdelen: bladeren, wortels en stengels.
2. Bouw en functie van bladeren
- Fotosynthese: aanmaak van suikers m.b.v. zonlicht, koolstofdioxide en water.
- Product: zuurstof (bijproduct) + suikers (brandstof en bouwstof).
- Bladgroenkorrels in cellen zorgen voor fotosynthese en groene kleur.
- Huidmondjes regelen gasuitwisseling en verdamping.
- Bladvorm: groot oppervlak voor licht, dun voor snelle gaswisseling, waslaagje tegen
verdamping.
3. Bouw en functie van wortels
- Functies: verankering, opname van water/voedingszouten, soms opslag (zoals bij
wortelgewassen).
- Water nodig voor stevigheid (vacuole) en fotosynthese.
- Opname gebeurt via wortelharen.
- Belangrijke zouten: stikstof, fosfor, kalium, magnesium.
4. Bouw en functie van stengels
- Draagt bladeren en zorgt voor transport van water, zouten en suikers.
- Bevat vaatbundels: bastvaten (suikers van bladeren naar plant) en houtvaten (water van
wortels naar boven).
- Cambium maakt nieuwe cellen aan voor diktegroei.
- Soms ook fotosynthese in de stengel.
5. Bomen
- Hebben dikke, houtachtige stengels en kunnen zeer oud worden.
- Houtvaten blijven bestaan (jaarringen zichtbaar), bastvaten worden vernieuwd.
- Ringen tonen groeisnelheid: licht in voorjaar, donker in zomer/herfst.
, 3
- Schors beschermt tegen schade en droogte.
- Loofbomen (brede bladeren) vs. naaldbomen (naalden, vaak wintergroen).
6. Bescherming van planten
- Mechanisch: stekels, doorns, brandharen (bv. brandnetel).
- Chemisch: gifstoffen zoals nicotine of stoffen in taxus.
- Indirect: aantrekken van natuurlijke vijanden van belagers.
- Aanpassingen helpen overleven bij droogte, kou en vraat.
Samenvatting en Werkblad: Voortplanting van Bloemplanten
Samenvatting
1. Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting
- Geslachtelijk: versmelting van mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen → variatie in
erfelijke eigenschappen.
- Ongeslachtelijk: nieuwe plant uit deel van ouderplant → identieke nakomeling (klonen).
2. Bollen, knollen en uitlopers
- Bollen (bv. tulp): opslag in bolrokken, nieuwe bol ontstaat binnen oude.
- Knollen (bv. krokus): opslag in stengelknol, nieuwe knol bovenop oude.
- Uitlopers: scheuten groeien tot nieuwe plantjes (boven/onder de grond).
- Vermeerdering via stekken, afleggen of scheuren.
3. Bouw en functie van bloemen
- Stamper: vrouwelijk geslachtsorgaan (eicellen in zaadbeginsel).
- Meeldraden: mannelijk geslachtsorgaan (stuifmeel met zaadcellen).
- Tweeslachtig: beide geslachtsorganen in één bloem.
- Eenslachtig: aparte mannelijke/vrouwelijke bloemen aan één plant (eenhuizig) of op
aparte planten (tweehuizig).
4. Bestuiving
- Insectenbestuiving: kleurrijk, geurend, nectar, kleverig stuifmeel.
- Windbestuiving: klein, groen, veel licht stuifmeel, buiten hangende meeldraden en
stempels.
- Kruisbestuiving: stuifmeel van andere plant → genetische variatie.
- Zelfbestuiving: stuifmeel op eigen stamper (minder gunstig, wordt vaak vermeden).
5. Bevruchting