1. Overgang van oorlog naar vrede (na WO I)
● Na WO I moesten landen overschakelen van een oorlogseconomie naar een
vredeseconomie.
● In Europa was veel verwoest, wat de heropbouw vertraagde.
● De Verenigde Staten (VS) waren niet beschadigd en kenden een sterke economische
groei.
● Amerikaanse banken gaven leningen aan Europese landen om hun economie te
herstellen.
● Hierdoor raakten de Europese en Amerikaanse economieën sterk met elkaar
verbonden.
2. De roaring twenties en massaproductie
● In de jaren 1920 ging het goed met de economie (vooral in de VS): "roaring twenties".
● Dankzij massaproductie (bv. auto’s van Ford) daalden de prijzen van producten.
● Meer mensen konden elektrische apparaten kopen (radio, koelkast).
● Mensen kochten op afbetaling (kopen nu, betalen later).
● Veel mensen belegden op de beurs, aandelenkoersen bleven stijgen... tot de crash.
3. Beurscrash en wereldwijde economische crisis
● In 1929 crashte de beurs in New York.
● Dit leidde tot een wereldwijde crisis, ook in Europa.
● Omdat de economieën met elkaar verbonden waren, verspreidde de crisis zich snel.
4. Groeiende industrie en gebruik van grondstoffen
● De autosector groeide snel en had veel grondstoffen nodig:
○ staal (carrosserie), rubber (banden), verfstoffen (lak)
● Verwante sectoren zoals de chemie en staalindustrie groeiden mee.
● In steden verschenen wolkenkrabbers (bv. Boerentoren in Antwerpen in 1931).
● Nieuwe apparaten zoals radio’s en koelkasten kwamen in meer huishoudens terecht.
● Elektriciteit werd de belangrijkste energiebron (steenkoolcentrales).
● Petroleum werd belangrijker door de opkomst van auto’s en vliegtuigen.
5. Transport en communicatie
, ● Wegen werden verbeterd en de eerste snelwegen aangelegd (bv. in België vanaf 1937).
● Voor het eerst kwam luchtvaart op:
○ Eerst zeppelins (tot ramp met Hindenburg in 1937).
○ Daarna vooral vliegtuigen voor passagiers en post.
○ Voor rijke mensen (niet voor gewone burgers).
● Langeafstandspost ging vanaf 1931 per vliegtuig (bv. UK - Australië: 16 dagen).
● Radio en telefoon kwamen in veel huishoudens.
● Radio werd gebruikt voor reclame en massacommunicatie.
1. Bedrijfsorganisatie en massaproductie
Wat gebeurde er?
Na WOI werd de lopende band het nieuwe productieprincipe, vooral dankzij Ford. Arbeiders
kregen hogere lonen, zodat ze zelf de producten konden kopen die ze mee maakten. Ze waren
dus niet alleen meer producent, maar ook consument.
Gevolg:
● Bedrijven groeiden tot multinationals.
● Bedrijven met dezelfde belangen richtten kartels op (samenwerkingen met afspraken
over prijzen en productie om concurrentie te beperken).
Voorbeeld: Phoebuskartel (1924–WOII)
● Samenwerking tussen o.a. Philips en Osram.
● Spraken af dat gloeilampen een kortere levensduur moesten hebben.
● Deze strategie heet "planned obsolescence": producten gaan bewust minder lang mee
zodat consumenten sneller een nieuwe kopen.
2. Economisch herstel na WOI (VS, Japan vs. Europa)