– Griet Van Vaerenbergh
LES 1: Inleiding (21/02/25)
WOORD VOORAF
Eerste bestemming
● negativiteitsbias = denkfout
○ = meer aandacht voor het negatieve dan voor het positieve
○ OORSPRONG: vroeger overlevingskansen zo groot mogelijk houden
■ bv. savanne geritsel horen, kan roofdier zijn = actie ondernemen/ kan ook
vogeltje zijn
= evolutie-psychologische verklaring
○ NU: media voor rapportage van alles wat misloopt in de wereld ≠ reëel
Tweede bestemming
● synesthesie = associatie tussen zintuigen
○ bv. vooroordelen op basis van het horen van een naam
○ bv. aangeleerde hulpeloosheid (metafoor v/d olifant)
○ bv. Brug Mapo extreem veel zelfdodingen: maatregelen met quotes, foto’s, etc. MAAR
jaar nadien: meer doden
■ brug in de aandacht brengen = mensen op ideeën brengen
■ citaten en quotes = bijna toxisch om positieve quotes te gebruiken
= pervers effect
OPLOSSING: andere mensen → veel mensen voelen zich alleen
1. Sociale deprivatie/isolatie:
bepaalde middelen ontbreken om bepaalde levensstandaard te hebben OF tekort aan sociale prikkels
○ bv. weeskinderen in weeshuis met weinig affectie en sociale connectie → verschil tss
geadopteerde en niet geadopteerde = delen in hersenen minder ontwikkeld (niet
geadopteerde)
2. Sociale paradox:
mens weet en voelt dat ze anderen nodig hebben (voor overleving/gezondheid) TOCH besluiten om geen
contact te hebben
→ INVLOED: anderen hebben invloed op ons en wij beïnvloeden anderen ≠ NODIG HB
3. Sociale afstand:
> BUBBELS ~ Carmichael:
1. intieme ruimte
a. voor mensen die dicht bij ons mogen komen
, b. als mensen daar in komen → kan ongemakkelijk worden
c. cultureels
d. neurologisch: amygdala = orgaan dat instaat vr reguleren van emoties (bv. angst) +
reguleert afstand die we hebben t.o.v. andere mensen
2. persoonlijke ruimte
a. vrienden
3. sociale ruimte
4. publieke ruimte
INLEIDING
Wat is sociale psychologie?
= deelgebied vd psychologie dat zich bezighoudt met sociale invloeden op individueel gedrag en met
gedrag van individuen met, voor, over of tegen elkaar
= wetenschappelijke studie (3) vd manier waarop gedachten, gevoelens en handelingen (1) van mensen
beïnvloed worden door feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid (2) van andere mensen
(1) gedachten, gevoelens, handelingen
overt gedrag = waarneembaar voor hp EN waarneembaar vr anderen
covert gedrag = waarneembaar voor hp NIET waarneembaar vr andere
bv. denkprocessen, affectieve toestanden (gevoelens, stemmingen, etc.)
(2) 3 soorten invloed/aanwezigheid:
fysiek/ feitelijk invloed
bv. rugzaktoeristen/zwart geklede mannen/… vermijden (na aanslagen)
voorgestelde invloed
bv. kleedhokje passen, wat zouden ouders, vriendje,… denken?
impliciet/onrechtstreekse invloed
bv. supermarkt reclame aan kassa (mensen bedenken dit maar zijn niet fysiek aanwezig)
bv. verkeersdrempel
bv. pijltjes op grond IKEA geven richting aan
Uitgangspunten sociale psychologie
> situationele gedragsdeterminanten: (sociaal) gedrag sterk beïnvloed (sociale en niet-sociale) situatie
waarin iemand zich bevindt
● differentiële psychologie → menselijk gedrag verklaren adhv menselijke eigenschappen
(dispositionisme = verklaren adhv persoonlijkheidsdimensies – mensenkennis, verstand, intuïtie,
volkswijsheid, etc.)
○ bv. iemand ligt op de grond: niemand helpt DUS denken dat mensen egoïstisch zijn
● sociale psychologie = karaktereigenschappen niet alles, ook invloed situatie (situationisme)
○ bv. denken dat iemand anders het ook zou doen (hoewel wel vriendelijk persoon)
● interactionisme: sommige mensen helpen meer dan anderen + situatie
MAAR (verklaring ≠ goedkeuren): “ situation does not absolve personal responsibility”
,> experimenteel onderzoek: causale relaties tss vermeende oorzaken en gevolgen toetsen
bv. veldonderzoek gedrag in “natuurlijke” omgeving observeren
> dieronderzoek ≠ biomedisch: gelijkenissen tss fysiologie mens-dier vaak onethisch/onpraktisch bij
mensen
> kennisopbouw: ENKEL onderzoek levert weinig kennis op → onderzoek krijgt vooral waarde door rol
BINNEN kennisopbouw (of door andere onderzoekers)
DOEL onderzoek: methodologische kritiek op ander onderzoek weerleggen OF onderbouwen dmv
onderzoeken vergelijken, samenleggen,…
> beschrijven, uitleggen, begrijpen = taken sociaal psycholoog
begrijpen welke rol onderzoeken spelen in kennisopbouw over sociaal gedrag
zicht krijgen op hoe welbepaald resultaat zich verhoudt tot andere resultaten
Relatie tussen sociale psychologie en mensenkennis
sociale psychologie = herkenbaar; iedereen heeft ervaringen met het bestudeerde gedrag + mening
⇒ hindsight bias (~ ‘I knew it all along’-verschijnsel)
= mensen zeggen vaak ‘dat wist ik al/heb ik altijd al geweten’ zodra mensen iets weten, moeilijk
kunnen inbeelden hoe het was toen ze het nog niet wisten
(3) wetenschappelijke studie <-> intuïtieve/alledaagse kennis:
bv. je hebt een nieuw lief: “dit is de ware, want we hebben dezelfde interesses” = SOORT ZOEKT
SOORT-verklaring / maanden erna: nieuw lief, totaal andere interesses = TEGENGESTELDE TREKKEN
AAN-verklaring
→ intuïtieve kennis niet getoetst DUS geen conclusies
MAAR sociale psychologie wil wetenschappelijk VERKLAREN
DUS niet het ene waar en het andere onwaar
MAAR manier van kennisverwerving en kritische reflectie op methode
● systematisch vs eenzijdige selectie
● objectief vs subjectief
● gecontroleerd vs onderhevig
Rol van waarden in de sociale psychologie
individuele waarden onderzoeker → bepalen welke thema’s hij/zij aansnijdt
tijdsgeest en veranderingen
termen → gedragingen kunnen op verschillende manieren geëtiketteerd worden
welke adviezen psychologen uit hun conclusies trekken → VERSCHIL conclusies en aanbevelingen!!
Doel en inhoud van dit boek
laten zien hoe sociaal psychologen nadenken over menselijk gedrag + lezers zelf te leren denken als
sociaal psychologen
, LES 2: H1: Methodes van sociaalpsychologisch onderzoek (28/02/25)
Beschrijvende methode
= enkel en alleen gedrag beschrijven, feiten verzamelen over een bepaald onderwerp waar je rond
sociaal gedrag van mensen in geïnteresseerd bent
A. Observatie
= als je wil weten hoe mensen zich gedragen in bepaalde situaties omstandigheden/mensen
opzoeken en observeren (geen experiment uitvoeren in de “echte wereld”)
bv. wachtverzachters: weten wanneer het rode licht op groen zal springen à brein heeft niet
graag onzekerheid dus klokje helpt als “controle” mechanisme
+ ecologische validiteit = gegarandeerd → bij observatie heel groot want = werkelijkheid
- gedragingen waarin geïnteresseerd soms zeer zeldzaam OF zeer lange tijd observeren
- geen conclusies mogelijk over oorzaak van gedrag
B. Zelfbeschrijvingen
= als je iets wilt weten over gedrag van mensen, vraag aan mensen (wat ze doen, hoe zz voelen)
Zinvol bij coverte processen (= wat we niet zomaar direct kunnen waarnemen, gedachten,
gevoelens) EN zeldzame overte gedragingen (overt = wat je kan zien, waarneembaar)
3 VOORWAARDEN:
- ondervraagde moet gedrag of reden wrm hij/zij het vertoont KUNNEN beschrijven
- niet vervuld wnr onderzoeker retrospectieve vragen stelt
- context van het gedrag
- factoren van invloed waren op gedrag niet goed herinneren/geen bewustzijn had
- ondervraagde moet gelegenheid KRIJGEN om gedrag te beschrijven
- niet vervuld wnr vraagstelling ondervraagde onvoldoende ruimte geeft om eigen
gedrag/factoren te beschrijven
- ondervraagde moet gedrag WILLEN beschrijven
BEPERKING: wat we zeggen staat onder bewuste controle (woorden wikken en wegen) <> gedrag staat
minder onder onze bewuste controle
⇒ sociale wenselijkheid = gedrag aanpassen aan wat de onderzoeker wil horen vr goedkeuring en
waardering
bv. yellow walkman (eerst: zwart → daarna geel): roepen focusgroep bij elkaar en tonen gele
walkman GEVOLG: focusgroep heel positief DAN: in doos zowel geel als zwarte walkmans MAAR
allemaal zwarte mee = vreemd want waren wel positief over gele
= DISCREPANTIE ATTITUDE-GEDRAG (ivm niet steeds kunnen beschrijven waarom we ons op een
of andere manier gedragen → cognitieve psychologie: gedrag vaak ook niet bewust
gecontroleerd MAAR obv gewoonte, traditie)