Hoofdstuk 1:
Samenstelling van de externe omgeving (blz. 13)
Macro-omgeving Directe omgeving
Demografie: ontwikkeling en samenstelling van de Ontwikkeling van de huidige en toekomstige
bevolking. marktvraag
Economie: inflatie, wisselkoersen, rente etc. Concurrentieverhoudingen
Sociaal-cultureel: normen en waarden, trends. Afnemersgedrag
Technologie: technologische ontwikkelingen Leveranciers: arbeid, grondstoffen en
afkomstig van buiten de eigen markt. halffabricaten, machines en gebouwen, vermogen
Ecologisch: milieuaspecten Substitutiegoederen
Politiek-juridisch: wet- en regelgeving Potentiële toetreders tot de markt
= Kan de onderneming zelf niet/nauwelijks beïnvloeden.
Steeds opnieuw stellen consumenten, bedrijven en overheidsinstellingen vast dat zij voldoende middelen
hebben om al hun behoeften en doelen te realiseren. Daarmee staan zij voor de vraag voor welke doelen
zij hun schaarse middelen het best kunnen gebruiken. Geld, tijd en productiemiddelen zijn alternatief
aanwendbaar zij zijn namelijk voor verschillende doelen bruikbaar.
Alternatieve kosten: de opbrengsten van het best niet gekozen alternatief.
Vrij goed: onbeperkt beschikbaar, bijvoorbeeld de zon.
Er zijn vier productiefactoren:
1. Arbeid: bestaat uit de tijd en de inspanning die mensen besteden aan de productie van goederen en
diensten loon.
2. Kapitaal: bestaat uit alle geproduceerde middelen die je voor de productie van andere goederen en
diensten kunt gebruiken rente.
3. Natuur: het omvat alle natuurlijke hulpbronnen. Bijvoorbeeld: lucht, water, grond en delfstoffen
huur en pacht..
4. Ondernemerschap: bestaat uit de organisatie van het productieproces en ondernemingen.
Ondernemers nemen beslissingen welke goederen en diensten te produceren, ze dragen het risico op
winst of verlies en bedenken nieuwe producten en nieuwe manieren om te produceren winst.
De bovengenoemde productiefactoren vormen het primaire inkomen. Het primaire inkomen is een
inkomen waar een tegenprestatie tegenover staat.
De economische orde: de manier waarop de afstemming van productie en consumptie in en land is
georganiseerd. Het doel is om zo goed mogelijk de behoeften van de consument te voorzien.
1. Wie moet er produceren?
Productie kan plaatsvinden door de overheid of door particuliere ondernemers.
2. Wat moet er geproduceerd worden?
Dit betekent de effectiviteit van de productie. Men kan niet alle producten en diensten realiseren voor
de consument. Er moet dus beslist worden welke goederen en diensten het best met de wensen van de
consument overeenkomen.
3. Hoe moet het geproduceerd worden?
Dit betekent de efficiency van de productie. Er zijn verschillende productietechnieken en zij verschillen
van elkaar doordat productiefactoren in verschillende verhoudingen met elkaar worden gecombineerd.
De producent moet vastleggen welke productietechnieken de laagste kosten opleveren.
4. Waar vindt de productie plaats?
Deze vraag betreft de geografische spreiding van de productie.
5. Voor wie moet er geproduceerd worden?
Bedrijfsanalyse 1.1
, Het gaat hierbij om de rechtvaardigheid van de producten.
Er zijn twee manieren die de bovenstaande vragen kunnen beantwoorden:
1. Het budgetmechanisme
De overheid beslist welke goederen en diensten er geproduceerd moeten worden, op welke manier de
productie plaatsvindt en tegen welke prijs de goederen en diensten verkocht worden.
Onder het democratisch budgetmechanisme kunnen verschillende vertegenwoordigers van het parlement
hun norm qua geld bepalen en tijdens de stemmingen kan jij daar als burger op stemmen.
Je hebt ook nog het bureaucratisch budgetmechanisme en dat houdt in dat de staat de productie bepaald.
2. Het marktmechanisme
Hierbij zijn de omvang en de samenstelling van de productie afhankelijk van de beslissingen van
individuele consumenten en producenten. De prijzen zorgen voor evenwicht tussen vraag en aanbod. Alle
factoren die vraag en aanbod beïnvloeden, komen in prijzen tot uitdrukking.
Allocatie van de productiefactoren: het marktmechanisme bepaalt voor welke goederen de
productiefactoren worden gebruikt. Bij het budgetmechanisme wordt dit door de overheid bepaalt.
Geen enkel land is echt 100% een plan- of markteconomie:
VS Wit-Rusland
Markt Plan
Hongkong Nederland China Noord-Korea
Doelen: consumenten streven naar de maximale individuele welvaart, producenten willen de maximale
winst behalen en de overheid de maximale maatschappelijke welvaart.
Het vakgebied van de algemene economie valt in drie delen uiteen:
1. Micro-economie: er wordt bestudeerd d.m.v. economische keuzeproblemen te combineren met de
individuele consumenten en producenten. Belang is het proces van prijsvorming van producenten en
productiefactoren en de vraag voor welke goederen en diensten je de beschikbare productiefactoren
nodig bent. Kortom: de micro-economie geeft inzicht uitbreiding van de productie wel of geen grotere
winst oplevert.
2. Meso-economie: er wordt gekeken naar economische vraagstukken op bedrijfstakniveau. Een
bedrijfstak bestaat uit bedrijven die dezelfde productieprocessen voortbrengen. Concurrentieverhouding
staat bij het bestuderen van de meso-economie centraal. Inzicht in deze economie helpt het
management van bedrijven bij de beoordeling van de aantrekkelijkheid van markten.
3. Macro-economie: hierbij wordt er gekeken naar het land als geheel. Er wordt gekeken naar de
zogenoemde geaggregeerde grootheden. Inzicht in deze markt helpt het management van bedrijven te
beoordelen hoe de verwachte ontwikkeling van de economie het resultaat van hun bedrijft beïnvloedt.
De monetaire economie is een onderdeel van de macro-economie. Hierbij wordt er gekeken naar de rol
van het geld in de economie en wordt er aandacht besteed aan de hoogte van de rente en de werking
van financiële markten. Dit inzicht is enorm belangrijk voor financiële beslissingen.
Ceteris paribus clausule: er wordt hierbij de waarde van de verklarende factoren die niet in het model zijn
opgenomen constant verondersteld. Daardoor kunnen de veranderingen in de uitkomsten van het model
alleen worden veroorzaakt door de factoren die we willen bestuderen.
De variabelen in de wiskundige modellen zijn te onderscheiden in exogene en endogene grootheden.
Exogene grootheden: zijn onafhankelijk van andere grootheden in het model. De waarde wordt bepaald
door factoren buiten het model.
Bedrijfsanalyse 1.1
, Endogene grootheden: zijn wel afhankelijk van de andere grootheden in het model. De waarde ervan kan
m.b.v. het model worden berekend.
Hoofdstuk 2:
Individuele vraag: de vraag van een individuele consument naar een product.
Collectieve vraag: de vraag van alle consumenten gezamenlijk naar dat product.
Er zijn 4 vraagbepalende factoren die de individuele vraag naar een product beïnvloeden.
1. Behoefte:
Bedrijven willen graag de behoefte van een consument kunnen realiseren. Bedrijven zien de vraag naar
hun producten dus inzakken als er een ander bedrijf met een betere oplossing voor de betreffende
behoefte komt.
2. Prijs van een product:
Een stijging van de prijs van een goed leidt dus vrijwel altijd tot een daling van de vraag naar dat goed.
Consumenten willen namelijk graag hun behoeften vervullen d.m.v. hun inkomen.
Bij een daling van een prijs neemt de vraag naar het goed toe. Een prijsdaling heeft namelijk 2 gevolgen:
1. De consument kan daardoor met zijn inkomen meer van dit goed kopen = inkomenseffect.
2. Het goed wordt goedkoper en dus aantrekkelijker ten opzichte van andere goederen = het
substitutie-effect.
Verandering van de prijs van het product leidt tot een beweging LANGS de vraagcurve. Een andere
vraagbepalende factor leidt tot een verschuiving VAN de vraagcurve.
De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een goed verandert ten gevolge van een verandering van
de prijs van dat goed wordt de prijselasticiteit van de vraag genoemd.
De formule luidt: procentuele verandering QV / procentuele verandering P.
3. Prijzen van andere goederen en diensten:
Een prijsverandering van een goed heeft twee effecten: de vraag van dat goed daalt en de koopkracht van
de consumenten daalt. Dit heeft ook te maken met het substitutie-effect dat betekent dat de verandering
van de vraag naar andere producten als gevolg van een prijsverandering van een goed.
De kruiselingse prijselasticiteit van de vraag is een verhoudingsgetal dat weergeeft met hoeveel procent de
vraag nar een product verandert als gevolg van een stijging van de prijs van een ander product met 1%.
De formule luidt: procentuele verandering (Q) vraag goed a / procentuele verandering Prijs goed b.
Complementaire goederen: goederen die elkaar in het gebruik aanvullen. Hierbij is de kruiselingse
prijselasticiteit van de vraag negatief.
Substitutiegoederen: goederen die elkaar in het gebruik kunnen vervangen. Hierbij is de kruiselingse
prijselasticiteit van de vraag positief.
4. Inkomen:
Bij een stijging van het inkomen kunnen consumenten zich meer permitteren dan voorheen. De vraag naar
een goed stijgt als het inkomen toeneemt. Hoe groter de bevolking, hoe groter de vraag naar een bepaald
goed zal zijn = ceteris paribus.
Inkomenselasticiteit: procentuele verandering van QV / procentuele verandering van I.
Wanneer de vraag relatief zwak op een inkomensstijging reageert (Ei < = 1) dan gaat het om
primaire/noodzakelijke goederen zoals voeding.
Bedrijfsanalyse 1.1
Samenstelling van de externe omgeving (blz. 13)
Macro-omgeving Directe omgeving
Demografie: ontwikkeling en samenstelling van de Ontwikkeling van de huidige en toekomstige
bevolking. marktvraag
Economie: inflatie, wisselkoersen, rente etc. Concurrentieverhoudingen
Sociaal-cultureel: normen en waarden, trends. Afnemersgedrag
Technologie: technologische ontwikkelingen Leveranciers: arbeid, grondstoffen en
afkomstig van buiten de eigen markt. halffabricaten, machines en gebouwen, vermogen
Ecologisch: milieuaspecten Substitutiegoederen
Politiek-juridisch: wet- en regelgeving Potentiële toetreders tot de markt
= Kan de onderneming zelf niet/nauwelijks beïnvloeden.
Steeds opnieuw stellen consumenten, bedrijven en overheidsinstellingen vast dat zij voldoende middelen
hebben om al hun behoeften en doelen te realiseren. Daarmee staan zij voor de vraag voor welke doelen
zij hun schaarse middelen het best kunnen gebruiken. Geld, tijd en productiemiddelen zijn alternatief
aanwendbaar zij zijn namelijk voor verschillende doelen bruikbaar.
Alternatieve kosten: de opbrengsten van het best niet gekozen alternatief.
Vrij goed: onbeperkt beschikbaar, bijvoorbeeld de zon.
Er zijn vier productiefactoren:
1. Arbeid: bestaat uit de tijd en de inspanning die mensen besteden aan de productie van goederen en
diensten loon.
2. Kapitaal: bestaat uit alle geproduceerde middelen die je voor de productie van andere goederen en
diensten kunt gebruiken rente.
3. Natuur: het omvat alle natuurlijke hulpbronnen. Bijvoorbeeld: lucht, water, grond en delfstoffen
huur en pacht..
4. Ondernemerschap: bestaat uit de organisatie van het productieproces en ondernemingen.
Ondernemers nemen beslissingen welke goederen en diensten te produceren, ze dragen het risico op
winst of verlies en bedenken nieuwe producten en nieuwe manieren om te produceren winst.
De bovengenoemde productiefactoren vormen het primaire inkomen. Het primaire inkomen is een
inkomen waar een tegenprestatie tegenover staat.
De economische orde: de manier waarop de afstemming van productie en consumptie in en land is
georganiseerd. Het doel is om zo goed mogelijk de behoeften van de consument te voorzien.
1. Wie moet er produceren?
Productie kan plaatsvinden door de overheid of door particuliere ondernemers.
2. Wat moet er geproduceerd worden?
Dit betekent de effectiviteit van de productie. Men kan niet alle producten en diensten realiseren voor
de consument. Er moet dus beslist worden welke goederen en diensten het best met de wensen van de
consument overeenkomen.
3. Hoe moet het geproduceerd worden?
Dit betekent de efficiency van de productie. Er zijn verschillende productietechnieken en zij verschillen
van elkaar doordat productiefactoren in verschillende verhoudingen met elkaar worden gecombineerd.
De producent moet vastleggen welke productietechnieken de laagste kosten opleveren.
4. Waar vindt de productie plaats?
Deze vraag betreft de geografische spreiding van de productie.
5. Voor wie moet er geproduceerd worden?
Bedrijfsanalyse 1.1
, Het gaat hierbij om de rechtvaardigheid van de producten.
Er zijn twee manieren die de bovenstaande vragen kunnen beantwoorden:
1. Het budgetmechanisme
De overheid beslist welke goederen en diensten er geproduceerd moeten worden, op welke manier de
productie plaatsvindt en tegen welke prijs de goederen en diensten verkocht worden.
Onder het democratisch budgetmechanisme kunnen verschillende vertegenwoordigers van het parlement
hun norm qua geld bepalen en tijdens de stemmingen kan jij daar als burger op stemmen.
Je hebt ook nog het bureaucratisch budgetmechanisme en dat houdt in dat de staat de productie bepaald.
2. Het marktmechanisme
Hierbij zijn de omvang en de samenstelling van de productie afhankelijk van de beslissingen van
individuele consumenten en producenten. De prijzen zorgen voor evenwicht tussen vraag en aanbod. Alle
factoren die vraag en aanbod beïnvloeden, komen in prijzen tot uitdrukking.
Allocatie van de productiefactoren: het marktmechanisme bepaalt voor welke goederen de
productiefactoren worden gebruikt. Bij het budgetmechanisme wordt dit door de overheid bepaalt.
Geen enkel land is echt 100% een plan- of markteconomie:
VS Wit-Rusland
Markt Plan
Hongkong Nederland China Noord-Korea
Doelen: consumenten streven naar de maximale individuele welvaart, producenten willen de maximale
winst behalen en de overheid de maximale maatschappelijke welvaart.
Het vakgebied van de algemene economie valt in drie delen uiteen:
1. Micro-economie: er wordt bestudeerd d.m.v. economische keuzeproblemen te combineren met de
individuele consumenten en producenten. Belang is het proces van prijsvorming van producenten en
productiefactoren en de vraag voor welke goederen en diensten je de beschikbare productiefactoren
nodig bent. Kortom: de micro-economie geeft inzicht uitbreiding van de productie wel of geen grotere
winst oplevert.
2. Meso-economie: er wordt gekeken naar economische vraagstukken op bedrijfstakniveau. Een
bedrijfstak bestaat uit bedrijven die dezelfde productieprocessen voortbrengen. Concurrentieverhouding
staat bij het bestuderen van de meso-economie centraal. Inzicht in deze economie helpt het
management van bedrijven bij de beoordeling van de aantrekkelijkheid van markten.
3. Macro-economie: hierbij wordt er gekeken naar het land als geheel. Er wordt gekeken naar de
zogenoemde geaggregeerde grootheden. Inzicht in deze markt helpt het management van bedrijven te
beoordelen hoe de verwachte ontwikkeling van de economie het resultaat van hun bedrijft beïnvloedt.
De monetaire economie is een onderdeel van de macro-economie. Hierbij wordt er gekeken naar de rol
van het geld in de economie en wordt er aandacht besteed aan de hoogte van de rente en de werking
van financiële markten. Dit inzicht is enorm belangrijk voor financiële beslissingen.
Ceteris paribus clausule: er wordt hierbij de waarde van de verklarende factoren die niet in het model zijn
opgenomen constant verondersteld. Daardoor kunnen de veranderingen in de uitkomsten van het model
alleen worden veroorzaakt door de factoren die we willen bestuderen.
De variabelen in de wiskundige modellen zijn te onderscheiden in exogene en endogene grootheden.
Exogene grootheden: zijn onafhankelijk van andere grootheden in het model. De waarde wordt bepaald
door factoren buiten het model.
Bedrijfsanalyse 1.1
, Endogene grootheden: zijn wel afhankelijk van de andere grootheden in het model. De waarde ervan kan
m.b.v. het model worden berekend.
Hoofdstuk 2:
Individuele vraag: de vraag van een individuele consument naar een product.
Collectieve vraag: de vraag van alle consumenten gezamenlijk naar dat product.
Er zijn 4 vraagbepalende factoren die de individuele vraag naar een product beïnvloeden.
1. Behoefte:
Bedrijven willen graag de behoefte van een consument kunnen realiseren. Bedrijven zien de vraag naar
hun producten dus inzakken als er een ander bedrijf met een betere oplossing voor de betreffende
behoefte komt.
2. Prijs van een product:
Een stijging van de prijs van een goed leidt dus vrijwel altijd tot een daling van de vraag naar dat goed.
Consumenten willen namelijk graag hun behoeften vervullen d.m.v. hun inkomen.
Bij een daling van een prijs neemt de vraag naar het goed toe. Een prijsdaling heeft namelijk 2 gevolgen:
1. De consument kan daardoor met zijn inkomen meer van dit goed kopen = inkomenseffect.
2. Het goed wordt goedkoper en dus aantrekkelijker ten opzichte van andere goederen = het
substitutie-effect.
Verandering van de prijs van het product leidt tot een beweging LANGS de vraagcurve. Een andere
vraagbepalende factor leidt tot een verschuiving VAN de vraagcurve.
De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een goed verandert ten gevolge van een verandering van
de prijs van dat goed wordt de prijselasticiteit van de vraag genoemd.
De formule luidt: procentuele verandering QV / procentuele verandering P.
3. Prijzen van andere goederen en diensten:
Een prijsverandering van een goed heeft twee effecten: de vraag van dat goed daalt en de koopkracht van
de consumenten daalt. Dit heeft ook te maken met het substitutie-effect dat betekent dat de verandering
van de vraag naar andere producten als gevolg van een prijsverandering van een goed.
De kruiselingse prijselasticiteit van de vraag is een verhoudingsgetal dat weergeeft met hoeveel procent de
vraag nar een product verandert als gevolg van een stijging van de prijs van een ander product met 1%.
De formule luidt: procentuele verandering (Q) vraag goed a / procentuele verandering Prijs goed b.
Complementaire goederen: goederen die elkaar in het gebruik aanvullen. Hierbij is de kruiselingse
prijselasticiteit van de vraag negatief.
Substitutiegoederen: goederen die elkaar in het gebruik kunnen vervangen. Hierbij is de kruiselingse
prijselasticiteit van de vraag positief.
4. Inkomen:
Bij een stijging van het inkomen kunnen consumenten zich meer permitteren dan voorheen. De vraag naar
een goed stijgt als het inkomen toeneemt. Hoe groter de bevolking, hoe groter de vraag naar een bepaald
goed zal zijn = ceteris paribus.
Inkomenselasticiteit: procentuele verandering van QV / procentuele verandering van I.
Wanneer de vraag relatief zwak op een inkomensstijging reageert (Ei < = 1) dan gaat het om
primaire/noodzakelijke goederen zoals voeding.
Bedrijfsanalyse 1.1