stromingen
Inleiding
Ethiek = een houding aannemen tegenover een moreel probleem obv een
mening
o Elk moreel probleem ie normatief probleem, niet omgekeerd
o Moreel probleem: vragen over wat je (niet)
mag V moet doen, een normativiteit met geen onderscheid tussen
‘goed’ en ‘verkeerd’ (≠ normativiteit bij esthetische, praktische,..
vragen)
o Vb² van confrontaties met moraal, waar mening van jou verwacht
wordt:
Iemand heeft financiële problemen & vraagt om geld te lenen
Koppel wil doof kind & dus andere ‘goede’ embryo’s
uitschakelen
o Moraal is beperkter dan ethiek:
Moraal: spontaan, emotioneel, onm.
Ethiek: beredeneerd, gemotiveerd
Moraal gaat ethiek altijd voor
o Bij ethiek neem je oe rationele wijze een houding aan tav een
moreel probleem
Moreel probleem: zorgt voor spanningen (mening verwacht): je
moet nadenken & visie ontwikkelen, een houding aannemen
Niet vrijblijvend, noodzakelijk om over na te denken &
visie te vormen
Bij praktische problemen kan je de spanning
negeren & bij esthetische het probleem uitstellen,
bij morele niet
Bijna nooit consensus: ied heeft ≠ mening & denkt dat
de zijne juist is
Eenmaal visie ontwikkeld valt spanning weg
1
, Houding: methode -onderbouwd met redelijke argumenten-
om met morele probleem om te gaan, geeft iets om mening
aan op te bouwen, soorten
Om morele problemen op te lossen
Morele problemen creëren
Het probleem reflecteren zonder op te lossen
Probleem zo benaderen dat het geen probleem meer is
Op rationele wijze
Moeilijk te aanvaarden (bv incestkinderen)
Vb² van niet-rationele houdingen
Religie: ethiek heeft niets met theologie te maken,
≠ gebieden met eigen autonomie
Niet nieuw: Plato kaartte dit ook al aan,
probeerde mensen continu in problemen te
brengen zodat ze nadachten over betere
omstandigheden
Dilemma van Euthyphro: wil afrekenen
met martelvader & gaat naar RB,
Sophocles vraagt wrm hij dat gedrag
onredelijk vind
“In strijd met Gods wil” -> Sophocles:
“Hoe weet je dat?”
“In boeken staat dat daden rv moeten
zijn” -> Sophocles: “Mss vind Hij dit
rv?”
dilemma: alle argumenten obv
religieuze overtuigingen kan je
evengoed zeggen zonder verwijzingen
naar God, loutere omschrijving van wat
jij rv vindt volstaat
Emoties-instincten-intuïties, zaken gekoppeld aan
gevoelens
Bv kat uit boom helpen
Vb van “Je suis un voleur” (dia 15 inleiding)
emoties hebben grote rol in moreel gedraag
(geen emoties = geen spanning, geen spanning
= niet op zoek naar juiste houding), maar wil
niet zeggen dat dit altijd op + wijze is
Feitelijke toestand: onderscheid tussen feiten &
normen belangrijk
2
, Feitelijke toestand Normatief oordeel
Verklaren Rechtvaardigen
Begrijpen Aanvaarden
Voorspellen Verwerpen
Naturalistische drogreden: van zijn naar
moeten overstappen; doorgaans verboden,
wereld van zijn & moeten moet gescheiden
blijven
Iets kan natuurlijk zijn maar toch moreel
verwerpelijk, onnatuurlijk maar toch ethisch
verdedigbaar, verklaarbaar maar niet te rv-
igen,..
Bv Bouchez vind bieper-aanval Israël
‘geniaal’: wil niet per se zeggen dat hij
dit goedkeurt
Waarom volstaan morele vermogens niet (die we nu al bezitten)?
Zaken die we al van jongs af aan bezitten: empathie, fairness & andere
vermogens
Pijnempathie: het meevoelen van pijn bij het zien van mensen die pijn
lijden
o Empathie: moreel vermogen, ook mensapen hebben dit
o Ontwikkelingsmodel van Martin Hoffman:
Global distress (0j-0,5j): ‘emotionele besmetting’, pasgeboren
kind neemt emoties over & ervaart ze alsof hij dit zelf
meemaakt
Bv huilen als je baby hoort huilen
Egocentrische empathie (0,5j-1j): bv wnr je kind ziet vallen
weglopen, global distress proberen vermijden door bron van
pijn te vermijden
Quasi-egocentrische empathie (1j-2j): niet meer wegvluchten,
hulp zoeken bij hij zien ve kind dat pijn heeft (bv eigen ouders
halen)
hulpreflex: overgang van vluchten naar helpen, maar
eigen noden nog steeds centraal
Waarachtige empathie (2j-4j): helpen met middel waarmee je
kind zelf ook kan helpen, niet enkel jezelf
Bv moeder van kind zelf geven
Theory of mind: onderscheid maken tussen wat je zelf
denkt & wat andere p denkt (ervaringen komen niet per
se overeen)
3
, Sally & Anne test: Sally legt bal in doos & gaat
weg, Anne legt bal van doos in box; waar zal Sally
kijken?
Kinderen die kijken zeggen in de box, gaan
er niet vanuit dat Sally heeft gezien wat zij
hebben gezien
Ligt aan overgang quasi-egocentrische &
waarachtige empathie
Verdere ontwikkeling (4j-7j): vanaf 4j hebben kinderen alles om
pijnempathisch te zijn
Fairness: ervaren door vele organismen
o 6 soorten fairness:
Prosociaal gedrag vs altruïstisch gedrag (prosociale spel)
Prosociaal tegen pesterig: bv bakje met elk eten
(prosociaal) V bakje met enkel jij eten (pesterig)
Prosociaal zijn geeft geen nadeel (bv oude kleren
wegdoen)
Altruïstisch tegen egoïstisch: allebei stukje (altruïstisch)
V jij 2 stukjes (egoïstisch)
Altruïsme kost iets
Negatieve- vs positieve ongelijkheidsaversie
(ongelijkheidsspel)
Negatief: je wil niet dat jij weinig krijgt & andere veel
Experiment: https://www.youtube.com/watch?
v=fZ7LwYPiA1I
Positief: niet te bereiken bij experiment: nam alle druiven
aan & deed alsof hij andere niet zag, terwijl hij perfect
kon delen
Beiden kunnen getest worden met ongelijkheidsspel (3 e
stelt verdeling voor)
Tweedepersoons- vs derdepersoonsbestraffing
(ultimatumspel)
2e-persoons: Stel je wandelt met iem door gang & vindt
tas met 1 mjn euro
1p mag verdelen & geeft jou 100: jij bent het niet
eens & belt naar politie zodat niemand iets krijgt
=> heeft veto
=>Ultimatumspel: ook al verlies je 100, bereid op
te offeren voor ongelijke verdeler te bestraffen (bij
afwijzing krijgt niemand iets)
4