Modellen/Theorieën
College 1: Inleiding DSM or not DSM
Drie manieren om gezondheid te omschrijven
1. Categorisch: of ziek of gezond
2. Typologisch: ziek of gezond, maar mogelijkheid tot overlap
3. Gradueel/continu: geen duidelijke splitsing tussen beiden, een graduele lijn
College 2: Depressie in de late volwassenheid
Aangeleerde hulpeloosheid (learned helplessness model) kan ontstaan als mensen lang worden blootgesteld
aan situaties waarover ze geen controle hebben. Na veel situaties zonder controle leren hulpeloos te reageren
(ook als er uitwegen zijn). Lange blootstelling aan situatie zonder controle is passief worden door afgenomen
vermogen om te leren van nieuwe ervaringen
Beck’s cognitieve model van depressie: vastzittende gedachtenschema’s als negatieve spiraal (verhoogt
stress). Depressie wordt veroorzaakt en in stand gehouden door disfunctionele cognities. Disfunctionele
cognities zorgen ervoor dat iemand niet meer in staat is de eigen situatie verbeteren
Cognitieve inspanningshypothese: aandacht vragende informatieverwerking is verstoord binnen depressie. Alle
cognitieve functies, behalve verbaal leervermogen) herstellen na episode.
Cognitieve theorie: gedrag en stemming wordt bepaald door interpretatie van situaties (somberheid door
negatieve schema’s). Cognities beïnvloeden de stemming (tegenovergestelde van associatieve
netwerktheorie)
Associatieve netwerktheorie: stelt dat emotie automatisch het stemmingscongruente netwerk activeert
waardoor gedragingen en cognities ontstaan die passen bij de emotie. Stemming activeert
stemmingscongruente associatieve netwerk, wat verwerking van info beïnvloedt (stemmingscongruent)
Differentiële activatiehypothese: verklaart de grote kans op terugval doordat een sombere stemming leidt
tot activatie van latente negatieve cognities.
College 3: Depressie en onderliggende verstoringen
Beck’s cognitieve theorie van depressie: Negatieve cognities ontlokken een sombere stemming, zit je lang
genoeg in deze loop dan kan een depressieve episode ontstaan. Dit betekent dan ook een negatieve interpretatie
bias: geneigd zijn om neutrale informatie negatief te interpreteren. Als je eenmaal in die loop zit is er een
voorkeur voor negatieve informatie stemmingscongruente informatie, wat de negatieve emotie weer verder
kan versterken en zo kom je vast in de negatieve/depressieve spiraal, door bijvoorbeeld weerstand, vermijding of
passiviteit.
College 4: Suïcide en suïcidaliteit
Integrated Motivational Model (IMV)
1. Pre-motivationele fase: deze fase geeft context voor suicidale gedachten. Contexten hiervoor zijn:
- Gebeurtenissen uit de jeugd (misbruik, vernedering, traumatisering)
- Depressie (negatieve gedachten, verlaagd zelfbeeld, zwart-wit denken)
- Interpersoonlijke overgevoeligheid (bedreiging van verbondenheid met anderen, angst voor
verlating
- Zelfhaat (gedachten dat men slecht is, verbonden met gevoelens van schuld en schaamte)
, 2. Motivationele fase: deze fase start met het gevoel van verslagenheid met een negatief zelfbeeld.
Gedachten aan eigen falen kunnen leiden tot suïcidegedachten. Bedreigende factoren voor ontwikkeling
van suïcidalegedachten en pogingen zijn
- Eindeloos piekeren
- Schaamte voor eigen falen
- Zinloosheid (geen zingeving in het leven)
- Pijnlijk besef van onvermogen vergeleken met vroger
- Entrapment gevoel klem te zitten zonder toekomst
Psychologische intentionele factoren die het risico op overgang naar suïcidaliteit versterken zijn
- Hopeloosheid en wanhoop
- Hulpeloosheid
- Onbehandelbaarheid
- Denken anderen tot last te zijn
- Er niet meer bij horen
- Slapeloosheid en uitputting
3. Intentionele fase: Gevoel van entrapment hoeft niet te resulteren in suïcidale gedachten. Factoren die
de kans op overgang van entrapment naar suïcidaliteit vergroten zijn
- Eerdere pogingen
- Repetitieve suicidale gedachten of wensen
- Dwangmatige angst vermijden
- Indringende beelden over eigen suïcide (intrusies)
- Aantrekkelijkheid en doenlijkheid van suïcide
Wanneer laatste perspectieven vervallen kan de mogelijkheid tot suïcide steeds reëler worden. Alle
negatieve gedachten, beelden en gevoelns kunnen uiteindelijk leiden tot een zuigende maalstroom
waarin suïcide als enige uitweg wordt gezien.
4 niveaus van intensiteit. Deze lopen over in elkaar en kunnen sterk variëren over tijd binnen een persoon
1. Lichte mate: af en toe vluchtige gedachten aan suïcide, geen concreet plan, realisatie van
consequenties voor naasten, controle over suïcidale impulsen.
2. Ambivalentie: wil zowel suïcide plegen als doorgaan met leven, sterk impulsieve suïcidaliteit, geen
uitgebreide plannen, afwisseling tussen wens voor dood en leven.
3. Ernstige mate: voortdurend gedachten, gevoelens van wanhoop, overweging van verschillende
methoden maar kan suïcide nog enige tijd uitstellen.
4. Zeer ernstige mate: wanhoop en enkel gedachten aan suïcide, geen realisatie voor consequenties voor
naasten, uitgebreid plan, slapeloos en emotioneel ontredderd.
Cry of pain model: suicidaalgedrag als combinatie van
1. Gevoeligheid voor signalen van nederlaag
2. Onmogelijkheid te ontsnappen
3. Afwezigheid van redding of perspectief in de toekomst
Activatie van deze gedachten kan de kwetsbaarheid laten toenemen met de tijd. Verminderen van activatie van
deze gedachten kan belangrijk zijn voor behandeling volgens dit model.
Interpersoonlijke Psychologische Theorie (IPT)-model: combinatie van de cognities ‘verminderde
verbondenheid’ en ‘het tot last zijn van anderen’ liggen aan de basis van suïcidegedachten. Het vermogen om
zelf een eind aan het leven te maken is de distale factor die invloed heeft op de overgang tussen suïcidale
gedachten en gedrag. In deze theorie is er sprake van dynamische kwetsbaarheid die kan toenemen
, Escape form self model: mensen willen door middel van suicide ontsnappen aan eigen lijden en hiermee erger
voorkomen. De ontwikkeling tit algeheel gevoel van falen met pijnlijke gedachten en emoties is hierin
belangrijk. Ook hierin wordt een dynamische kwetsbaarheid weerspiegeld.
Neurocognitieve modellen:
1. Gestoorde inschatting van de waarde van externe gebeurtenissen
2. Verstoorde regulatie van de cognitieve en emotionele respons
3. Verlaagde drempel van suïcidaal gedrag door impulsiviteit, verlies van controle of verstoorde
responsinhibitie
College 5: Agressie als stoornis overstijgend fenomeen
Frustratie theorie: frustratie en boosheid door het niet kunne bereiken van een doel.
Social Information Processing (SIP) model
- Gepaste/geschikte reactie: verwerking sociale cues in je omgeving op de juiste manier
- Cognitieve schema’s: manier waarop we dit doen is gevormd op basis van vroege interactie
- Modified processing: abnormale response
repertoires
- SIP deficits: verhoogde kans op agressie
Stappen SIP model
1. Encoding cues (waarnemen van dingen om je
heen)
2. Interpretatie cues
3. Doelen verduidelijken
4. Reactie toegang of constructie (welke opties om
te te gedragne heb ik)
5. Reactie keuze (beslissen welk gedrag)
6. Gedrag uitvoeren
Als een van de stappen niet goed verloopt heeft dat
invloed op de volgende stappen en uiteindelijk op het gedrag. Bij agressie vooral beperkingen in stap 2:
vijandige attributie bias. een vijandige bril in plaats van een roze bril.
Je hebt een ‘database’ waarnaar het model verloopt in een aantal stappen. Alle stappen staan in connectie,
verloopt 1 van deze stappen niet op de juiste manier maladaptief gedrag
General Agression Model (GAM) gaat ervan uit dat situationele en persoonlijke variabelen invloed uitoefenen
op agressief gedrag.
Drie niveaus:
1. Persoonlijke en situationele factoren: wapens, frustratie, attitude en overtuigingen
2. Interne toestand: cognitieve en affectieve factoren
3. Onderliggende waarderings- en beslissingsprocessen
College 6: ADHD bij kinderen, jongeren en volwassenen
Cognitieve Energetic Model (Joe Sergeant, 2000) gebasseerd op cognitief-energetisch model van Sanders
(1983)
De onderste blokken gaan over informatieverwerking en responsvorming.
Arousal: hoe open voor input/info
Activatie: hoe klaar om te reageren