Lijst van 10-15 woorden met begrippen
voor examen
Powerpoint 1
Gedetailleerde Samenvatting van Hoofdstuk 1: Wat is
Psychologie?
Definitie van Psychologie
Psychologie is de wetenschap die gedrag bestudeert en de interne
processen die hieraan ten grondslag liggen begrijpt. Dit gebeurt
door systematische observatie van gedrag en het koppelen
hiervan aan onzichtbare processen.
Verschil tussen Gamma- en Bèta-wetenschappen
Psychologie (gamma): Gericht op gedrag en maatschappij,
ruimte voor interpretatie.
Exacte wetenschappen (bèta): Gebaseerd op natuurwetten,
met wiskundige modellering en formele logica.
Biopsychosociaal Model (Ebbinghaus)
Menselijk gedrag wordt verklaard door drie hoofdinvloeden:
1. Biologische Invloeden:
o Genetische factoren en hersenfuncties.
o Limbisch systeem: Reguleert emoties.
o Chemische stoffen beïnvloeden gedrag:
Voorbeeld: Testosteron is gelinkt aan agressie.
Onderzoek naar transseksuelen (Van Goozen,
1995): Hormonale veranderingen beïnvloeden
woede en agressie.
2. Psychologische Invloeden:
o Niet alle gedrag is biologisch bepaald.
, o We leren iets te doen omdat het een positief effect met
zich meebrengt
o Agressie kan ontstaan door beloning:
Voorbeeld: Kinderen tonen agressie als ze er een
voordeel mee behalen.
3. Sociale Invloeden:
o Gedrag wordt geleerd door observatie.
o Voorbeeld: Kinderen uit gewelddadige gezinnen
vertonen vaker agressie (generatie-agressie).
o Onderzoek (Bohman, 1996): Adoptiekinderen uit
criminele gezinnen hebben meer kans op contact met
politie.
Nature vs. Nurture:
Gedrag is een mix van genetische (nature) en
omgevingsinvloeden (nurture), elk verantwoordelijk voor
ongeveer 50%.
Onderzoeksmethoden
Psychologen gebruiken verschillende methoden om gedrag en
processen te bestuderen:
1. Beschrijvend Onderzoek:
o Observatie: Directe gegevensverzameling in natuurlijke
situaties.
Nadeel: Reactieve gedragingen door bewustzijn
van observatie.
Oplossing: Lange termijnobservaties of
gestandaardiseerde formulieren.
o Vragenlijsten: Snel grote hoeveelheden informatie
verzamelen.
Nadeel: Geen ruimte voor context; oplossing:
open vragen.
o Interviews: Gedetailleerde informatie via mondelinge
vragen.
, Nadeel: Sociale wenselijkheid (antwoorden om
goed over te komen).
o Tests: Gestandaardiseerde metingen (intelligentie,
persoonlijkheid).
o Gevalstudies: Gedetailleerde studie van zeldzame
fenomenen.
2. Correlatieonderzoek:
o Onderzoekt relaties tussen variabelen (bijv. slaaptekort
en gewicht).
o Correlatie ≠ causaliteit.
o Positief en negatieve correlatie
Causaliteit: Eén gebeurtenis veroorzaakt een andere.
Voorbeeld: Regen zorgt dat de grond nat wordt.
Correlatie: Een verband tussen twee dingen, zonder dat het betekent dat het ene het
andere veroorzaakt.
Voorbeeld: Meer ijs eten en meer verdrinkingen in de zomer.
Voorbeeld: Slaaptekort correleert met
gewichtstoename, maar kan worden beïnvloed
door hormonen of verminderde activiteit.
3. Experimenteel Onderzoek:
o Manipulatie van variabelen om oorzaak-gevolgrelaties
vast te stellen.
o Belangrijk: Andere factoren constant houden.
Verschillen met Verwante Disciplines
Psychiatrie:
o Specialisme in de geneeskunde.
o Behandelt psychisch lijden, vaak met medicatie.
o Beschermd beroep.
Coaching:
o Geen therapie, maar begeleiding gericht op
doelbereiking.
, o Geen beschermd beroep.
Belang van Observatie
Aandachtsblindheid: Mensen zien niet altijd alles om hen
heen als hun aandacht ergens anders op gericht is.
o Voorbeeld: De "Monkey Business Illusion" toont hoe
focus andere stimuli uitsluit.
Repliceerbaarheid: Onderzoek moet herhaalbaar zijn om
betrouwbaar te blijven.
Literatuurstudie: Onderzoek bouwt voort op bestaande
kennis (meta-analyse).
Voorbeelden van Onderzoeksresultaten
Slaaptekort en Gewicht: Slaaptekort verhoogt eetlust door
hormonen (ghreline, leptine) en stress (cortisol).
Transseksueel Onderzoek: Hormonale veranderingen
beïnvloeden gedrag en emoties.
Powerpoint 2
1. Inleiding in de psychologie: Het zenuwstelsel en de hersenen
Algemene rol van het zenuwstelsel: Het zenuwstelsel is
opgebouwd uit neuronen (zenuwcellen) die onderling
communiceren. Deze communicatie maakt gedrag en
basisfuncties zoals ademhaling, lezen en zingen mogelijk.
Problemen in deze communicatie kunnen ernstige
aandoeningen veroorzaken zoals multiple sclerose,
dementie, schizofrenie en depressie.
Belang voor psychologie: Psychologen moeten het
zenuwstelsel begrijpen om inzicht te krijgen in menselijk
gedrag en mogelijke aandoeningen.
voor examen
Powerpoint 1
Gedetailleerde Samenvatting van Hoofdstuk 1: Wat is
Psychologie?
Definitie van Psychologie
Psychologie is de wetenschap die gedrag bestudeert en de interne
processen die hieraan ten grondslag liggen begrijpt. Dit gebeurt
door systematische observatie van gedrag en het koppelen
hiervan aan onzichtbare processen.
Verschil tussen Gamma- en Bèta-wetenschappen
Psychologie (gamma): Gericht op gedrag en maatschappij,
ruimte voor interpretatie.
Exacte wetenschappen (bèta): Gebaseerd op natuurwetten,
met wiskundige modellering en formele logica.
Biopsychosociaal Model (Ebbinghaus)
Menselijk gedrag wordt verklaard door drie hoofdinvloeden:
1. Biologische Invloeden:
o Genetische factoren en hersenfuncties.
o Limbisch systeem: Reguleert emoties.
o Chemische stoffen beïnvloeden gedrag:
Voorbeeld: Testosteron is gelinkt aan agressie.
Onderzoek naar transseksuelen (Van Goozen,
1995): Hormonale veranderingen beïnvloeden
woede en agressie.
2. Psychologische Invloeden:
o Niet alle gedrag is biologisch bepaald.
, o We leren iets te doen omdat het een positief effect met
zich meebrengt
o Agressie kan ontstaan door beloning:
Voorbeeld: Kinderen tonen agressie als ze er een
voordeel mee behalen.
3. Sociale Invloeden:
o Gedrag wordt geleerd door observatie.
o Voorbeeld: Kinderen uit gewelddadige gezinnen
vertonen vaker agressie (generatie-agressie).
o Onderzoek (Bohman, 1996): Adoptiekinderen uit
criminele gezinnen hebben meer kans op contact met
politie.
Nature vs. Nurture:
Gedrag is een mix van genetische (nature) en
omgevingsinvloeden (nurture), elk verantwoordelijk voor
ongeveer 50%.
Onderzoeksmethoden
Psychologen gebruiken verschillende methoden om gedrag en
processen te bestuderen:
1. Beschrijvend Onderzoek:
o Observatie: Directe gegevensverzameling in natuurlijke
situaties.
Nadeel: Reactieve gedragingen door bewustzijn
van observatie.
Oplossing: Lange termijnobservaties of
gestandaardiseerde formulieren.
o Vragenlijsten: Snel grote hoeveelheden informatie
verzamelen.
Nadeel: Geen ruimte voor context; oplossing:
open vragen.
o Interviews: Gedetailleerde informatie via mondelinge
vragen.
, Nadeel: Sociale wenselijkheid (antwoorden om
goed over te komen).
o Tests: Gestandaardiseerde metingen (intelligentie,
persoonlijkheid).
o Gevalstudies: Gedetailleerde studie van zeldzame
fenomenen.
2. Correlatieonderzoek:
o Onderzoekt relaties tussen variabelen (bijv. slaaptekort
en gewicht).
o Correlatie ≠ causaliteit.
o Positief en negatieve correlatie
Causaliteit: Eén gebeurtenis veroorzaakt een andere.
Voorbeeld: Regen zorgt dat de grond nat wordt.
Correlatie: Een verband tussen twee dingen, zonder dat het betekent dat het ene het
andere veroorzaakt.
Voorbeeld: Meer ijs eten en meer verdrinkingen in de zomer.
Voorbeeld: Slaaptekort correleert met
gewichtstoename, maar kan worden beïnvloed
door hormonen of verminderde activiteit.
3. Experimenteel Onderzoek:
o Manipulatie van variabelen om oorzaak-gevolgrelaties
vast te stellen.
o Belangrijk: Andere factoren constant houden.
Verschillen met Verwante Disciplines
Psychiatrie:
o Specialisme in de geneeskunde.
o Behandelt psychisch lijden, vaak met medicatie.
o Beschermd beroep.
Coaching:
o Geen therapie, maar begeleiding gericht op
doelbereiking.
, o Geen beschermd beroep.
Belang van Observatie
Aandachtsblindheid: Mensen zien niet altijd alles om hen
heen als hun aandacht ergens anders op gericht is.
o Voorbeeld: De "Monkey Business Illusion" toont hoe
focus andere stimuli uitsluit.
Repliceerbaarheid: Onderzoek moet herhaalbaar zijn om
betrouwbaar te blijven.
Literatuurstudie: Onderzoek bouwt voort op bestaande
kennis (meta-analyse).
Voorbeelden van Onderzoeksresultaten
Slaaptekort en Gewicht: Slaaptekort verhoogt eetlust door
hormonen (ghreline, leptine) en stress (cortisol).
Transseksueel Onderzoek: Hormonale veranderingen
beïnvloeden gedrag en emoties.
Powerpoint 2
1. Inleiding in de psychologie: Het zenuwstelsel en de hersenen
Algemene rol van het zenuwstelsel: Het zenuwstelsel is
opgebouwd uit neuronen (zenuwcellen) die onderling
communiceren. Deze communicatie maakt gedrag en
basisfuncties zoals ademhaling, lezen en zingen mogelijk.
Problemen in deze communicatie kunnen ernstige
aandoeningen veroorzaken zoals multiple sclerose,
dementie, schizofrenie en depressie.
Belang voor psychologie: Psychologen moeten het
zenuwstelsel begrijpen om inzicht te krijgen in menselijk
gedrag en mogelijke aandoeningen.