geschiedenis examen
3 - Burgerlijke cultuur
➤ Hoe onderscheidde de negentiende-eeuwse burgerij zich van de andere klassen?
Wortels →individuele leven (zoals veel mensen vandaag in de westerse wereld leiden)
→gaan terug tot 19de E →sommige tot einde 18de E.
→Aan oorsprong lag burgerij →nieuwe sociale klasse
→rees na Franse Revolutie op +toe eigende zich positie tss adel & gewone volk
→streefden naar vernieuwing, wilden vooral invloed van adel en kerk terugdringen
→zochten eigen identiteit tussen hogere en lagere klassen in.
⇒ Die vernieuwing en eigenheid vonden ze door het individu centraal te stellen.
Het individu werd het uitgangspunt van het burgerlijke denken.
De klassen:
1. Idee van bestaan van verschillende klassen →betrekkelijk nieuw aan begin 19de E Lange tijd
→samenleving niet opgedeeld in klassen ⇒ drie standen.
→geestelijken, edellieden en gewone mensen
→Stand waarin geboren →stand waarin je stierf (geestelijkheid vormde uitzondering) →Elke
stand had zijn eigen voorrechten →niet iedereen was gelijk voor de wet.
2. Rond tijd van Franse Revolutie → standmodel verdween.
Alle inwoners van een land →in de eerste plaats ‘onderdanen’.
→Dat statuut creëerde een soort van gelijkheid.
→Maar die gelijkheid ≠ levensomstandigheden voor iedereen dezelfde.
Vooral door economische ontwikkeling vanaf eerste industriële revolutie →samenleving op
sociaal gebied diverser dan tevoren
⇒Voor verschillende sociale groepen → de term ‘klasse’ in gebruik.
Onder gewone mensen →bv. duidelijk onderscheid tss boeren en fabrieksarbeiders
3. Tussen die gewone mensen & adel groeide nieuwe klasse: de burgerij (‘bourgeoisie’) Ook
burgerij →sociaal onderverdeeld in lage en hoge burgerij.
→De lage burgerij →onderwijzers, staatsambtenaren en winkeliers.
→De hogere burgerij →professoren, ondernemers, artsen en advocaten. ⇒ Zij
gingen de concurrentie aan met de adel.
4. Anders dan standensamenleving →klassensamenleving gemakkelijker klasse wisselen.
→Grotere sociale mobiliteit
bv. Boeren konden in fabrieken werken & hoger inkomen verwerven
→boeren en arbeiders konden zich ook opwerken tot de lagere burgerij
Ook dalen op sociale ladder was mogelijk & nooit bewuste keuze.
3 - Burgerlijke cultuur
➤ Hoe onderscheidde de negentiende-eeuwse burgerij zich van de andere klassen?
Wortels →individuele leven (zoals veel mensen vandaag in de westerse wereld leiden)
→gaan terug tot 19de E →sommige tot einde 18de E.
→Aan oorsprong lag burgerij →nieuwe sociale klasse
→rees na Franse Revolutie op +toe eigende zich positie tss adel & gewone volk
→streefden naar vernieuwing, wilden vooral invloed van adel en kerk terugdringen
→zochten eigen identiteit tussen hogere en lagere klassen in.
⇒ Die vernieuwing en eigenheid vonden ze door het individu centraal te stellen.
Het individu werd het uitgangspunt van het burgerlijke denken.
De klassen:
1. Idee van bestaan van verschillende klassen →betrekkelijk nieuw aan begin 19de E Lange tijd
→samenleving niet opgedeeld in klassen ⇒ drie standen.
→geestelijken, edellieden en gewone mensen
→Stand waarin geboren →stand waarin je stierf (geestelijkheid vormde uitzondering) →Elke
stand had zijn eigen voorrechten →niet iedereen was gelijk voor de wet.
2. Rond tijd van Franse Revolutie → standmodel verdween.
Alle inwoners van een land →in de eerste plaats ‘onderdanen’.
→Dat statuut creëerde een soort van gelijkheid.
→Maar die gelijkheid ≠ levensomstandigheden voor iedereen dezelfde.
Vooral door economische ontwikkeling vanaf eerste industriële revolutie →samenleving op
sociaal gebied diverser dan tevoren
⇒Voor verschillende sociale groepen → de term ‘klasse’ in gebruik.
Onder gewone mensen →bv. duidelijk onderscheid tss boeren en fabrieksarbeiders
3. Tussen die gewone mensen & adel groeide nieuwe klasse: de burgerij (‘bourgeoisie’) Ook
burgerij →sociaal onderverdeeld in lage en hoge burgerij.
→De lage burgerij →onderwijzers, staatsambtenaren en winkeliers.
→De hogere burgerij →professoren, ondernemers, artsen en advocaten. ⇒ Zij
gingen de concurrentie aan met de adel.
4. Anders dan standensamenleving →klassensamenleving gemakkelijker klasse wisselen.
→Grotere sociale mobiliteit
bv. Boeren konden in fabrieken werken & hoger inkomen verwerven
→boeren en arbeiders konden zich ook opwerken tot de lagere burgerij
Ook dalen op sociale ladder was mogelijk & nooit bewuste keuze.