Aantekeningen
Hoofdstuk 1 & 2
1.1 – 1.2 – 1.3 – 1.4 – 1.5 – 1.6
2.1 – 2.2 – 2.3 – 2.4 – 2.5 – 2.6
1.1 Biologie is overal
De 8 levenskenmerken
Alles wat leeft, heeft levenskenmerken:
1. Stofwisseling (bv: ademen of verteren)
2. Groeien (celdeling)
3. Waarnemen en reageren
4. Bewegen
5. Voortplanten
6. Dood gaan
7. Bestaat uit 1 of meerdere cellen
8. Bevatten erfelijke informatie in de vorm van DNA of RNA
Iets wat dood is vertoont geen levensverschijnselen meer.
Levenloze dingen hebben nooit levensverschijnselen gehad.
Levensloop en levenscyclus
Een individu heeft een levensloop.
Een soort heeft een levenscyclus.
Organisatie
(Opdracht in powerpoint)
1. Levensgemeenschap
2. Organel
3. Molecuul
4. Weefsel
5. Ecosysteem
6. Orgaanstelsel
7. Populatie
8. Cel
9. Biosfeer
10. Orgaan
11. Organisme
(op volgorde van klein naar groot)
3 – 2 – 8 – 4 – 10 – 6 – 6 – 11 – 7 – 1 – 5 – 9
Nieuwe eigenschappen
Interactie tussen verschillende onderdelen binnen een bepaald organisatieniveau zorgt voor een
nieuwe eigenschap op een hoger organisatieniveau.
,1.2 Organen, weefsels en cellen
Orgaanstelsels
Orgaanstelsel: een groep organen die samen een bepaald functie uitvoeren.
Weefsels
weefsel: een groep cellen met dezelfde vorm en functie
Dekweefsel (epitheel)
-> Bedekken het lichaamsoppervlak of -holte of hebben een klierfunctie
-> Epitheelweefsel bestaat uit 1 of meer lagen
-> Er bestaan meerdere soorten epitheel cellen
Spierweefsel en zenusweefsel
-> 3 soorten spierweefsel: dwars gestreept-, glad-, en hartspierweefsel
-> Zenuwweefsel in hersenen, ruggenmerg en zenuwen
Tussencelstof
Samenstelling van de tussencelstof wordt bepaald door de functie van het weefsel waarin het ligt.
Bijvoorbeeld: celwanden, (kraak)beenweefsel
Beenweefsel: veel kalkzouten, weinig collageen
kraakbeenweefsel: weinig kalkzouten, veel collageen
Vorm en functie
-> De bouw van een organisme is vaak aangepast aan de vorm en functie
, 1.3 Plantaardige en dierlijke cellen
Plantaardige en dierlijke cellen
Organel: Elk deel van de cel met een eigen functie
Benoem de onderdelen
(Opdracht in de powerpoint)
1. Intercellulaire ruimte
2. Celmembraan
3. Celkern
4. Cytoplasma
5. Lysosoom
6. Bladgroenkorrel
7. Celwand
8. Vacuole
Microscopie
Elektronenmicroscopen
Kan tot 6 miljoen x vergroten