H8 EXPERIMENTELE ONTWERPEN
Inleiding
Basisidee : situaties creëren en verschilen observeren
1. één element manipuleren
2. controlesituatie
< empirische experimenten in natuurwetenschappen : Galilei Galilei + Francis
Bacon
= kennis komt voort uit observatie (naturalisme)
Vraag naar causaliteit ?
- Covariatie van 2 kenmerken
- Tijdsvolgorde
- Afwezigheid van schijnrelaties
- Sterke theoretische grond
Hoe een experiment uitvoeren?
- Experimenteel onderzoekbaar maken van de wereld (experimenting society <
Campbell en Stanley )
= experimentele groep en vergelijkingsgroep
- Relevante kenmerken isoleren en manipuleren
o Veldexperiment : experimentele stimulus toedienen in natuurlijke
omgeving
o Laboratorium- : experimentele stimulus toedienen in strikt
controleerbare, artificiële omgeving
!! technische en ethische beperkingen
Klassiek experimenteel model
1. Hypothese : causale effect van kenmerk (= stimulus) op een andere
variabele isoleren
= A veroorzaakt B
2. 2 condities : aanwezigheid oorzakelijk factor wordt gemanipuleerd
= experimentele groep + vergelijkingsgroep
3. Randomiseren : toevallig eenheden toewijzen
4. Voor- en nameting : vergelijken van toestand op afhankelijke variabele voor
en na manipulatie
R O1 X O2
R O3 O4
, Randomiseren
= toevallig eenheden toewijzen ⟶ statistisch equivalente groepen ( O1 = 02 )
!! Toeval = essentieel maar niet altijd haalbaar!
< Gefixeerde kenmerken (geslacht, leeftijd, opleidingsniveau)
< Ethische bezwaren (stop me roken, medische behandeling)
< Kleine steekproeven
⟶ Matchen (alternatieve toewijzing)
= zelf vergelijkbare groepen samenstellen op basis van mogelijk relevant
geachte kenmerken
!! welke kenmerken
Precisie-paarsgewijs matchen :
= aan beide groepen persoon toewijzen met exact dezelfde (combinatie van)
kenmerken ‘tweeling’
Frequentie- of groepsgewijs matchen :
= rekening houden met elk kenmerk afzonderlijk ≠ combinaties
Man in groep 1 = man in groep 2 (ongeacht leeftijd / opleiding)
Zwak Matchen :
= rekening houden met vergelijkbaarheid van het gemiddelde en/of de spreiding
van kenmerken tussen de verschillende condities
Effect van de stimuli
= toestand op de afhankelijke variabele (voor en) na de experimentele manipulatie
vergelijken
⟶ (verschil voor en nameting experimentele groep) – (verschil voor en nameting
controlegroep)
- O2-O1 = bruto effect (manipulatie + eventuele
buitenexperimentele factoren)
- (O2-O1) – (O4-O3) = netto-effect (manipulatie) : significant verschil
van 0
Voormeting
= statistische equivalentie in beide groepen ?
!! niet altijd mogelijk < geen respons zonder stimulus of ethisch onverantwoord
R … X O2
R … O4 posttest-only control group
Reactiviteit van voormeting
= voormeting kan invloed uitoefen
- Testeffecten ! interne geldigheid herinnering, praktische ervaring
- Interactie effecten ! externe geldigheid meer aandacht schenken aan
omgeving
- Neveneffect : bewust worden van studie = Hawthorne effect
Inleiding
Basisidee : situaties creëren en verschilen observeren
1. één element manipuleren
2. controlesituatie
< empirische experimenten in natuurwetenschappen : Galilei Galilei + Francis
Bacon
= kennis komt voort uit observatie (naturalisme)
Vraag naar causaliteit ?
- Covariatie van 2 kenmerken
- Tijdsvolgorde
- Afwezigheid van schijnrelaties
- Sterke theoretische grond
Hoe een experiment uitvoeren?
- Experimenteel onderzoekbaar maken van de wereld (experimenting society <
Campbell en Stanley )
= experimentele groep en vergelijkingsgroep
- Relevante kenmerken isoleren en manipuleren
o Veldexperiment : experimentele stimulus toedienen in natuurlijke
omgeving
o Laboratorium- : experimentele stimulus toedienen in strikt
controleerbare, artificiële omgeving
!! technische en ethische beperkingen
Klassiek experimenteel model
1. Hypothese : causale effect van kenmerk (= stimulus) op een andere
variabele isoleren
= A veroorzaakt B
2. 2 condities : aanwezigheid oorzakelijk factor wordt gemanipuleerd
= experimentele groep + vergelijkingsgroep
3. Randomiseren : toevallig eenheden toewijzen
4. Voor- en nameting : vergelijken van toestand op afhankelijke variabele voor
en na manipulatie
R O1 X O2
R O3 O4
, Randomiseren
= toevallig eenheden toewijzen ⟶ statistisch equivalente groepen ( O1 = 02 )
!! Toeval = essentieel maar niet altijd haalbaar!
< Gefixeerde kenmerken (geslacht, leeftijd, opleidingsniveau)
< Ethische bezwaren (stop me roken, medische behandeling)
< Kleine steekproeven
⟶ Matchen (alternatieve toewijzing)
= zelf vergelijkbare groepen samenstellen op basis van mogelijk relevant
geachte kenmerken
!! welke kenmerken
Precisie-paarsgewijs matchen :
= aan beide groepen persoon toewijzen met exact dezelfde (combinatie van)
kenmerken ‘tweeling’
Frequentie- of groepsgewijs matchen :
= rekening houden met elk kenmerk afzonderlijk ≠ combinaties
Man in groep 1 = man in groep 2 (ongeacht leeftijd / opleiding)
Zwak Matchen :
= rekening houden met vergelijkbaarheid van het gemiddelde en/of de spreiding
van kenmerken tussen de verschillende condities
Effect van de stimuli
= toestand op de afhankelijke variabele (voor en) na de experimentele manipulatie
vergelijken
⟶ (verschil voor en nameting experimentele groep) – (verschil voor en nameting
controlegroep)
- O2-O1 = bruto effect (manipulatie + eventuele
buitenexperimentele factoren)
- (O2-O1) – (O4-O3) = netto-effect (manipulatie) : significant verschil
van 0
Voormeting
= statistische equivalentie in beide groepen ?
!! niet altijd mogelijk < geen respons zonder stimulus of ethisch onverantwoord
R … X O2
R … O4 posttest-only control group
Reactiviteit van voormeting
= voormeting kan invloed uitoefen
- Testeffecten ! interne geldigheid herinnering, praktische ervaring
- Interactie effecten ! externe geldigheid meer aandacht schenken aan
omgeving
- Neveneffect : bewust worden van studie = Hawthorne effect