Metabolisme: volledige
samenvatting module 8 tot 12
,Module 8: Afgeleide moleculen van vetzuren en cholesterol en inleiding tot het detoxificatiesysteem
8.1.1. Van vetzuren en van cholesterol afgeleide moleculen
Medische toepassingen: respiratory distress syndroom, sfingolipidosen, adrenogenitaal syndroom
Glycerolipiden
Onderverdeling
Acyl-CoA wordt voor verschillende doeleinden gebruikt. De grootste massa vetzuren wordt verbrand via β-oxidatie. Cellen hebben
voortdurend nieuwe membraanlipiden nodig. Oude membraanlipiden moeten vervangen worden door nieuwe en groeiende cellen
moeten de totale membraanoppervlakte uitbreiden. Membranen bevatten een grote diversiteit aan lipiden.
De eerste onderverdeling is op basis van de alcohol die kan worden veresterd met vetzuren:
− Glycerolipiden: gebruiken glycerol om twee vetzuren te veresteren
− Sfingolipiden: gebruiken de aminoalcohol sfingosine om één vetzuur te veresteren
− Cholesterol: waarop in membranen géén verestering plaatsvindt.
Synthese glycerolipiden
De synthese van glycerolipiden vertrekt vanuit gemeenschappelijke weg als de synthese van fosfatidaat.
CDP-diacylglycerol als geactiveerde bouwsteen: (glycogeensynthese: UDP-glucose als ribonucleotide drager)
De novo synthese:
1) Productie CDP-diacylglycerol met hulp van CTP (cytidinetrifosfaat).
2) CDP-diacylglycerol + alcohol (serine, ethanolamine, choline of inositol) → fosfatidylserine + CMP (cytidinemonofosfaat).
3) Decarboxylering: fosfatidylserine → fosfatidylethanolamine + CO 2.
4) Drie methyleringen (donor S-adenosylmethionine): 3SAM + fosfatidylethanolamine → fosfatidylcholine (lecithine) + 3SAH.
De salvageweg:
Er is een kortere en ‘goedkopere’ weg dan de novo synthese waarbij bestaande bouwstenen gerecycleerd worden.
1) Cholinekinase: choline + ATP → fosforylcholine + ADP .
2) Fosforylcholine + CTP → CDP-choline + PPi.
,3) CDP-choline + diacylglycerol → fosfatidylcholine + CMP.
,De moleculaire verklaring voor surfactans
Fosfatidylcholine of dipalmitoyllecithine is een onderdeel van surfactans.
Eigenschappen surfactans:
− Fosfatidylcholine is amfifatisch molecule dat met zijn polaire koppen interageert met zowel de waterfase als met de apolaire
zuurstaarten met de luchtfase.
− Zeer dunne interfase tussen de waterfase van het longweefsel en de luchtfase binnen het longblaasje.
⮚ Oppervlaktespanning van lucht/water interface neemt af.
⮚ Voorkomt dichtklappen van longblaasjes (atelectase).
Probleem: respiratory destress syndrome
Prematuurtjes hebben geen matuur longweefsel en hebben dus onvoldoende productie van surfactans. De longblaasjes klappen
dicht na de geboorte (atelectase). Het kan voorkomen worden door:
− Lucht onder positieve druk in de longen blazen (CPAP = continuous positive airway pressure).
− Toediening van surfactans via de trachea.
Sfingolipiden
Synthese sfingolipiden
1) Palmitoyl-CoA + serine + NADPH + H+ + FAD → sfingosine + CO2 + CoA + NADP+ + FADH2
2) Sfingosine + acyl-CoA → ceramide + CoA
3) Vanuit ceramide divergeren twee biosynthetische wegen:
A) Ceramide + CDP-choline → sfingomyeline + CMP
B) Ceramide + UDP-glucose → β-glucocerebroside + UDP
β-glucocerebroside + 4 UDP-suikers → gangliosiden + 4 UDP
In de complexe oligosachariden van gangliosiden (extra suikers) zijn ladingen (N-acetylneuraminezuur) en andere polaire
,groepen in contact met de waterfase van de extracellulaire ruimte.
Sfingolipididosen:
= stofwisselingsziekten waarbij inactiverende mutaties ervoor zorgen dat de lysosomale hydrolasen die glycosidebindingen
afbreken niet meer werken.
Afbraak door lysosomale hydrolasen:
1) Ganglioside GM1
B-galactosidase
2) Ganglioside GM2
Hexosaminidase A -> ziekte van Tay-Sachs, ziekte van Sandhof: GM2 stapelt op in lysosomen => psychomotorische
achteruitgang, macula wordt rood
3) Ganglioside GM3
Neuraminidase
4) Lactosylceramide
B-galactosidase
5) Glucocerebroside
Glucocerebrosidase -> ziekte van Gaucher: glucocerebrosiden stapelen zich op in fagocyten van het
reticulo-endotheliale
systeem => hepato- en splenomegalie (overdreven werkende lever en milt)
botpijnen, neurologische stoornissen
6) Ceramide
Sfingomyelinase -> ziekte van Niemann-Pick: sfingomyeline stapelt op in lysosomen => hepato- en
splenomegalie
achterstand in psychomotorische ontwikkeling
7) Sfingomyeline
Cerebrosiden: Ziekte van Fabry: stoornis in alfa-galactosidase A, gelegen op X-chromosoom =>
ceramide-trihexosiden stapelen op
− Hemizygote mannen: huidletsels, pijnen, nierfalen
− Draagsters: mindere symptomen
,Lipid messengers
Mono- en diacylgycerolen kunnen naast hun rol als metabolieten van de brandstofvoorraad, ook dienen als signaalmoleculen.
Lipid messengers bevatten vaak arachidonzuur als voorloper, werken kort en binden op G-proteïne gekoppelde receptoren.
Belangrijke signaaloverdragende moleculen vanuit vetzuurmetabolisme:
− Vanuit membraanlipiden PIP2 ontstaat diacylglycerol door inwerking fosfolipase C, dat samen met gestegen intracellulair
calcium (door IP3) proteïnekinase C activeert.
− Diacylglycerollipase (DAGLA en DAGLB) zorgt voor de omzetting van diacylglycerol tot 2-arachidonoylglycerol (agonist
cannabinoïdereceptoren).
− Vanuit membraanlipiden ontstaat NAPE, waaruit anandamine ontstaat (agonist cannabinoïdereceptoren).
Lipid messengers:
Diacylglycerol Diacylglycerol kan diverse paralogen van proteïnekinase C activeren. Diacylglycerol doet dit samen
met gestegen intracellulaire calciumconcentratie, veroorzaakt door inwerking IP3 op IP3-receptoren in
ER.
Afbraak van fosfatidylinositol-4,5-bisfosfaat (PIP2) levert IP3 en diacylglycerol. Afbraak start als
bepaalde hormonen of groeifactoren binden op hun membraanreceptoren wat zorgt voor activering
fosfolipase C.
Veranderingen in cAMP-concentratie en activatie van proteïnekinase A-cellen zorgen voor
verandering
metabole flux.
Ceramide Ceramide is metaboliet van sfingolipidensynthese. Ceramide speelt rol in de signaaltransductie in
cellen,
vooral in de inductie van geprogrammeerde celdood (apoptose) en onderdrukken celproliferatie.
Anandamine De endocannabinoïden worden door lichaam zelf aangemaakt wanneer tetrahydrocannabinol van
en
cannabisplant bindt op receptor.
2-
Diacylglycerollipase (DAGLA en DAGLB) zorgt voor omzetting diacylglycerol tot 2-
arachidonoyl
arachidonoylglycerol. In het centraal zenuwstelsel zal de vrijmaking van 2-arachidonoylglycerol en
- glycerol
anandamine in postsynaptische membraan leiden tot de binding van deze moleculen op
presynaptische receptoren. De prikkeloverdracht
,is een retrograde wijze van neuronale communicatie (communicatie in beide richtingen).
,Links: enzymatische aanmaak en afbraak anandamine. Rechts: enzymatische aanmaak en afbraak van 2-arachidonoylglycerol.
Midden: schema van retrograde signaaloverdracht van endocannabinoïde-producerende postsynaptische dendrieten naar CB1-
receptoren op presynaptische axonale membraan, wat zorgt voor verminderde secretie van exitatoire neurotransmitter glutamaat.
Van cholesterol afgeleide moleculen:
vrij cholesterol: in membranan => lipid rafts, verbonden aan eiwit => signaaltransductie
Cholesterol dient ook als voorloper van diverse biomoleculen met uiteenlopende functies:
− Galzouten: ondersteunen de lipidenresorptie in de darm.
− Steroïdhormonen: veranderen genexpressie door te binden op nucleaire hormoonreceptoren.
− Vitamine D: speelt een belangrijke rol in calciumhuishouding: botaanmaak en afbraak.
Galzouten
Het koolstofskelet van cholesterol kan niet worden verbrand tot CO 2. Het overtollige cholesterol wordt uitgescheiden als
galzouten. De lever zet cholesterol om tot glycocholaat en taurocholaat, die via galwegen in darm belanden. Ze beïnvloeden de
vertering en de resorptie van lipiden gunstig.
Galzouten bezitten sterk polair en sterk apolair oppervlak. Het zijn detergenten die de hydrofobe krachten in lipiden kunnen doorbreken.
Ze maken een interface tussen de apolaire vetten en het polaire water. Hierdoor is er dispersie van grote vetdruppel tot kleine micellen.
Verloop:
1) Fase 1: Cytochroom P450 hydroxylasen hydroxyleren de B en C ring en oxideren een vertakte zijketen
2) Koppelen galzuur aan CoA (metabole activering): cholesterol → cholyl-CoA
3) Fase 2: Cholyl-CoA kan worden geconjugeerd met glycine of taurine ter vorming van glycocholaat of taurocholaat en CoA.
4) Glycocholaat en taurocholaat gaan via galkanalen naar de galblaas, en wordt daar geconcentreerd tot gal.
,Galzouten worden 20-40 keer hergebruikt voor ze definitief worden uitgescheiden in de stoelgang.
Tijdens maaltijd wordt hormoon cholecystokinine aangemaakt, dit zorgt voor contractie galblaas. Gal komt tussen
voedingsstoffen in dunne darm. Daar zullen de galzouten als detergenten inwerken op grote vetdruppels door ze te verspreiden
als kleine micellen. Door oppervlaktevergroting kunnen pancreatische lipasen efficiënter inwerken. Dit zorgt voor betere
vertering en resorptie lipiden. Via enterohepatische cyclus wordt 95% van galzouten via resorptie weer opgenomen in het bloed
en van daaruit in de levercellen. Daarna is er terug her-excretie door de lever naar de gal. Slechts 3-5% van galzouten gaat
definitief verloren in de stoelgang.
Defect in afvoer galzouten in darm leidt tot opstapeling van galzouten en galpigmenten in het lichaam en malabsorptie van
lipiden met daardoor verlies van lipiden in stoelgang (steatorroe). De enterohepatische cyclus is farmacologisch doelwit voor
behandelen van hypercholesterolemie.
Steroïdhormonen:
Hypothalamische peptiden (CRH) stimuleren de synthese van hypofysair hormoon (ACTH en LH), deze stimuleren de synthese
van steroïdhormonen. Stamboom start met gemeenschappelijke stam:
Side chain cleavage enzyme is de fluxcontrolerende reactie, dit wordt geactiveerd door ACTH en LH.
Zo wordt pregnonolon aangemaakt, vanaf hier splitsen de wegen. Chemische reacties gebeuren via specifieke redoxreacties met
hulp van specifieke cytochroom P450 hydroxylasen.
Bijniersteroïden: (corticosteroïden): zie 3
Zona fascicula: glucocorticoïden: cortisol
⇨ Metabole effecten (gluconeogenese) en anti-
inflammatoire effecten
⇨ Specifieke stap : 17-hydroxylering
Zona glomerulosa : mineralocorticoïden :
aldosteron
⇨ Retentie natrium en excretie kalium ter
hoogte van niertubuli
⇨ Specifieke stap: 18-hydroxylering
, Zona reticularis: DHEA (dehydro-epiandrosteron)
Geslachtssteroïden:
Aangemaakt in testes en ovaria
− LH (luteïniserend hormoon): controle metabole flux cholesterol desmolase
− Tweede klievingsreactie door CYP17A1: progesteron -> androsteendion
− Man: reductie A-ring door 5-alfa-reductase: testosteron -> dihydrotestosteron -> androgeen receptoren
− Vrouw: demethylering C19 en oxidatie A-ring door aromatase: testosteron -> oestradiol -> oestrogeen receptoren
aromatase wordt in de ovaria door FSH
geïnduceerd
Vitamine D-metabolisme:
Vitamine D wordt met hulp van UV fotonen in de
huid aangemaakt uit 7-dehydrocholesterol
Deze metaboliet wordt 2x gehydroxyleerd door
CYP450 => actief calcitrol
Calcitrol gedraagt zich als een steroid hormoon =>
bindt op intracellulaire receptor
samenvatting module 8 tot 12
,Module 8: Afgeleide moleculen van vetzuren en cholesterol en inleiding tot het detoxificatiesysteem
8.1.1. Van vetzuren en van cholesterol afgeleide moleculen
Medische toepassingen: respiratory distress syndroom, sfingolipidosen, adrenogenitaal syndroom
Glycerolipiden
Onderverdeling
Acyl-CoA wordt voor verschillende doeleinden gebruikt. De grootste massa vetzuren wordt verbrand via β-oxidatie. Cellen hebben
voortdurend nieuwe membraanlipiden nodig. Oude membraanlipiden moeten vervangen worden door nieuwe en groeiende cellen
moeten de totale membraanoppervlakte uitbreiden. Membranen bevatten een grote diversiteit aan lipiden.
De eerste onderverdeling is op basis van de alcohol die kan worden veresterd met vetzuren:
− Glycerolipiden: gebruiken glycerol om twee vetzuren te veresteren
− Sfingolipiden: gebruiken de aminoalcohol sfingosine om één vetzuur te veresteren
− Cholesterol: waarop in membranen géén verestering plaatsvindt.
Synthese glycerolipiden
De synthese van glycerolipiden vertrekt vanuit gemeenschappelijke weg als de synthese van fosfatidaat.
CDP-diacylglycerol als geactiveerde bouwsteen: (glycogeensynthese: UDP-glucose als ribonucleotide drager)
De novo synthese:
1) Productie CDP-diacylglycerol met hulp van CTP (cytidinetrifosfaat).
2) CDP-diacylglycerol + alcohol (serine, ethanolamine, choline of inositol) → fosfatidylserine + CMP (cytidinemonofosfaat).
3) Decarboxylering: fosfatidylserine → fosfatidylethanolamine + CO 2.
4) Drie methyleringen (donor S-adenosylmethionine): 3SAM + fosfatidylethanolamine → fosfatidylcholine (lecithine) + 3SAH.
De salvageweg:
Er is een kortere en ‘goedkopere’ weg dan de novo synthese waarbij bestaande bouwstenen gerecycleerd worden.
1) Cholinekinase: choline + ATP → fosforylcholine + ADP .
2) Fosforylcholine + CTP → CDP-choline + PPi.
,3) CDP-choline + diacylglycerol → fosfatidylcholine + CMP.
,De moleculaire verklaring voor surfactans
Fosfatidylcholine of dipalmitoyllecithine is een onderdeel van surfactans.
Eigenschappen surfactans:
− Fosfatidylcholine is amfifatisch molecule dat met zijn polaire koppen interageert met zowel de waterfase als met de apolaire
zuurstaarten met de luchtfase.
− Zeer dunne interfase tussen de waterfase van het longweefsel en de luchtfase binnen het longblaasje.
⮚ Oppervlaktespanning van lucht/water interface neemt af.
⮚ Voorkomt dichtklappen van longblaasjes (atelectase).
Probleem: respiratory destress syndrome
Prematuurtjes hebben geen matuur longweefsel en hebben dus onvoldoende productie van surfactans. De longblaasjes klappen
dicht na de geboorte (atelectase). Het kan voorkomen worden door:
− Lucht onder positieve druk in de longen blazen (CPAP = continuous positive airway pressure).
− Toediening van surfactans via de trachea.
Sfingolipiden
Synthese sfingolipiden
1) Palmitoyl-CoA + serine + NADPH + H+ + FAD → sfingosine + CO2 + CoA + NADP+ + FADH2
2) Sfingosine + acyl-CoA → ceramide + CoA
3) Vanuit ceramide divergeren twee biosynthetische wegen:
A) Ceramide + CDP-choline → sfingomyeline + CMP
B) Ceramide + UDP-glucose → β-glucocerebroside + UDP
β-glucocerebroside + 4 UDP-suikers → gangliosiden + 4 UDP
In de complexe oligosachariden van gangliosiden (extra suikers) zijn ladingen (N-acetylneuraminezuur) en andere polaire
,groepen in contact met de waterfase van de extracellulaire ruimte.
Sfingolipididosen:
= stofwisselingsziekten waarbij inactiverende mutaties ervoor zorgen dat de lysosomale hydrolasen die glycosidebindingen
afbreken niet meer werken.
Afbraak door lysosomale hydrolasen:
1) Ganglioside GM1
B-galactosidase
2) Ganglioside GM2
Hexosaminidase A -> ziekte van Tay-Sachs, ziekte van Sandhof: GM2 stapelt op in lysosomen => psychomotorische
achteruitgang, macula wordt rood
3) Ganglioside GM3
Neuraminidase
4) Lactosylceramide
B-galactosidase
5) Glucocerebroside
Glucocerebrosidase -> ziekte van Gaucher: glucocerebrosiden stapelen zich op in fagocyten van het
reticulo-endotheliale
systeem => hepato- en splenomegalie (overdreven werkende lever en milt)
botpijnen, neurologische stoornissen
6) Ceramide
Sfingomyelinase -> ziekte van Niemann-Pick: sfingomyeline stapelt op in lysosomen => hepato- en
splenomegalie
achterstand in psychomotorische ontwikkeling
7) Sfingomyeline
Cerebrosiden: Ziekte van Fabry: stoornis in alfa-galactosidase A, gelegen op X-chromosoom =>
ceramide-trihexosiden stapelen op
− Hemizygote mannen: huidletsels, pijnen, nierfalen
− Draagsters: mindere symptomen
,Lipid messengers
Mono- en diacylgycerolen kunnen naast hun rol als metabolieten van de brandstofvoorraad, ook dienen als signaalmoleculen.
Lipid messengers bevatten vaak arachidonzuur als voorloper, werken kort en binden op G-proteïne gekoppelde receptoren.
Belangrijke signaaloverdragende moleculen vanuit vetzuurmetabolisme:
− Vanuit membraanlipiden PIP2 ontstaat diacylglycerol door inwerking fosfolipase C, dat samen met gestegen intracellulair
calcium (door IP3) proteïnekinase C activeert.
− Diacylglycerollipase (DAGLA en DAGLB) zorgt voor de omzetting van diacylglycerol tot 2-arachidonoylglycerol (agonist
cannabinoïdereceptoren).
− Vanuit membraanlipiden ontstaat NAPE, waaruit anandamine ontstaat (agonist cannabinoïdereceptoren).
Lipid messengers:
Diacylglycerol Diacylglycerol kan diverse paralogen van proteïnekinase C activeren. Diacylglycerol doet dit samen
met gestegen intracellulaire calciumconcentratie, veroorzaakt door inwerking IP3 op IP3-receptoren in
ER.
Afbraak van fosfatidylinositol-4,5-bisfosfaat (PIP2) levert IP3 en diacylglycerol. Afbraak start als
bepaalde hormonen of groeifactoren binden op hun membraanreceptoren wat zorgt voor activering
fosfolipase C.
Veranderingen in cAMP-concentratie en activatie van proteïnekinase A-cellen zorgen voor
verandering
metabole flux.
Ceramide Ceramide is metaboliet van sfingolipidensynthese. Ceramide speelt rol in de signaaltransductie in
cellen,
vooral in de inductie van geprogrammeerde celdood (apoptose) en onderdrukken celproliferatie.
Anandamine De endocannabinoïden worden door lichaam zelf aangemaakt wanneer tetrahydrocannabinol van
en
cannabisplant bindt op receptor.
2-
Diacylglycerollipase (DAGLA en DAGLB) zorgt voor omzetting diacylglycerol tot 2-
arachidonoyl
arachidonoylglycerol. In het centraal zenuwstelsel zal de vrijmaking van 2-arachidonoylglycerol en
- glycerol
anandamine in postsynaptische membraan leiden tot de binding van deze moleculen op
presynaptische receptoren. De prikkeloverdracht
,is een retrograde wijze van neuronale communicatie (communicatie in beide richtingen).
,Links: enzymatische aanmaak en afbraak anandamine. Rechts: enzymatische aanmaak en afbraak van 2-arachidonoylglycerol.
Midden: schema van retrograde signaaloverdracht van endocannabinoïde-producerende postsynaptische dendrieten naar CB1-
receptoren op presynaptische axonale membraan, wat zorgt voor verminderde secretie van exitatoire neurotransmitter glutamaat.
Van cholesterol afgeleide moleculen:
vrij cholesterol: in membranan => lipid rafts, verbonden aan eiwit => signaaltransductie
Cholesterol dient ook als voorloper van diverse biomoleculen met uiteenlopende functies:
− Galzouten: ondersteunen de lipidenresorptie in de darm.
− Steroïdhormonen: veranderen genexpressie door te binden op nucleaire hormoonreceptoren.
− Vitamine D: speelt een belangrijke rol in calciumhuishouding: botaanmaak en afbraak.
Galzouten
Het koolstofskelet van cholesterol kan niet worden verbrand tot CO 2. Het overtollige cholesterol wordt uitgescheiden als
galzouten. De lever zet cholesterol om tot glycocholaat en taurocholaat, die via galwegen in darm belanden. Ze beïnvloeden de
vertering en de resorptie van lipiden gunstig.
Galzouten bezitten sterk polair en sterk apolair oppervlak. Het zijn detergenten die de hydrofobe krachten in lipiden kunnen doorbreken.
Ze maken een interface tussen de apolaire vetten en het polaire water. Hierdoor is er dispersie van grote vetdruppel tot kleine micellen.
Verloop:
1) Fase 1: Cytochroom P450 hydroxylasen hydroxyleren de B en C ring en oxideren een vertakte zijketen
2) Koppelen galzuur aan CoA (metabole activering): cholesterol → cholyl-CoA
3) Fase 2: Cholyl-CoA kan worden geconjugeerd met glycine of taurine ter vorming van glycocholaat of taurocholaat en CoA.
4) Glycocholaat en taurocholaat gaan via galkanalen naar de galblaas, en wordt daar geconcentreerd tot gal.
,Galzouten worden 20-40 keer hergebruikt voor ze definitief worden uitgescheiden in de stoelgang.
Tijdens maaltijd wordt hormoon cholecystokinine aangemaakt, dit zorgt voor contractie galblaas. Gal komt tussen
voedingsstoffen in dunne darm. Daar zullen de galzouten als detergenten inwerken op grote vetdruppels door ze te verspreiden
als kleine micellen. Door oppervlaktevergroting kunnen pancreatische lipasen efficiënter inwerken. Dit zorgt voor betere
vertering en resorptie lipiden. Via enterohepatische cyclus wordt 95% van galzouten via resorptie weer opgenomen in het bloed
en van daaruit in de levercellen. Daarna is er terug her-excretie door de lever naar de gal. Slechts 3-5% van galzouten gaat
definitief verloren in de stoelgang.
Defect in afvoer galzouten in darm leidt tot opstapeling van galzouten en galpigmenten in het lichaam en malabsorptie van
lipiden met daardoor verlies van lipiden in stoelgang (steatorroe). De enterohepatische cyclus is farmacologisch doelwit voor
behandelen van hypercholesterolemie.
Steroïdhormonen:
Hypothalamische peptiden (CRH) stimuleren de synthese van hypofysair hormoon (ACTH en LH), deze stimuleren de synthese
van steroïdhormonen. Stamboom start met gemeenschappelijke stam:
Side chain cleavage enzyme is de fluxcontrolerende reactie, dit wordt geactiveerd door ACTH en LH.
Zo wordt pregnonolon aangemaakt, vanaf hier splitsen de wegen. Chemische reacties gebeuren via specifieke redoxreacties met
hulp van specifieke cytochroom P450 hydroxylasen.
Bijniersteroïden: (corticosteroïden): zie 3
Zona fascicula: glucocorticoïden: cortisol
⇨ Metabole effecten (gluconeogenese) en anti-
inflammatoire effecten
⇨ Specifieke stap : 17-hydroxylering
Zona glomerulosa : mineralocorticoïden :
aldosteron
⇨ Retentie natrium en excretie kalium ter
hoogte van niertubuli
⇨ Specifieke stap: 18-hydroxylering
, Zona reticularis: DHEA (dehydro-epiandrosteron)
Geslachtssteroïden:
Aangemaakt in testes en ovaria
− LH (luteïniserend hormoon): controle metabole flux cholesterol desmolase
− Tweede klievingsreactie door CYP17A1: progesteron -> androsteendion
− Man: reductie A-ring door 5-alfa-reductase: testosteron -> dihydrotestosteron -> androgeen receptoren
− Vrouw: demethylering C19 en oxidatie A-ring door aromatase: testosteron -> oestradiol -> oestrogeen receptoren
aromatase wordt in de ovaria door FSH
geïnduceerd
Vitamine D-metabolisme:
Vitamine D wordt met hulp van UV fotonen in de
huid aangemaakt uit 7-dehydrocholesterol
Deze metaboliet wordt 2x gehydroxyleerd door
CYP450 => actief calcitrol
Calcitrol gedraagt zich als een steroid hormoon =>
bindt op intracellulaire receptor