Waarom methoden?
• Zoeken naar, het vinden en creëren van antwoorden op problemen
➔ Onderzoek = theoretisch => in praktijk antwoord vinden op onvoorziene problemen
Vb. zijn jongens beter in wiskunde dan meisjes?; Heeft Rilatine een positieve invloed
op studeergedrag?; …
• Gefundeerd evidence-informed handelen = handelen op basis van kennis uit onderzoek,
praktijkkennis en de context
• Hoe is men tot deze resultaten gekomen?
• Geldigheid van deze resultaten?
o Kunnen we deze conclusies trekken?
▪ Kennis methodologie nodig
▪ = interne validiteit
o Voor wie zijn de conclusies geldig?
▪ = externe validiteit
▪ Onderzoek te veralgemenen?
▪ Praktische kant van kennis
• Methode = de weg van probleemstelling naar antwoord op het probleem
➔ Wetenschappelijke methoden samenbrengen
➔ Doel: tot geldige/objectieve kennis komen
• Methodologie = de leer van wetenschappelijke methoden naar geldige kennis
Kwantitatief, kwalitatief en gemengd onderzoek
• Kwantitatieve methoden -> sluiten aan bij natuurwetenschappen (positivisme)
• Objectieve wh is mogelijk -> wetenschap moet op zoek naar algemene wetten
• Doel: Veralgemenen of generaliseren -> wetmatigheden achter wetten
achterhalen
• Hiervoor onderzoek zo objectief en gecontroleerd mogelijk maken
• Structuur!!
• Algemene wetten ->
gegevens verzamelen bij
kleinere groep om dan
resultaat te veralgemenen
naar grote groep
• Objectieve kennis -> experiment
opzetten zonder storende factoren
die de elementen verklaren ->
storende factoren onder controle
houden
• kwalitatieve methoden -> kijken met andere bril naar wh
• Uniek en specifiek = subjectiviteit ipv objectiviteit
• Niet als doel uitspraken doen die we kunnen veralgemenen <-> Rekening houden
met het specifieke van een bepaalde situatie
• Wh niet verklaren maar begrijpen (patronen -> al rekening houdend met unieke)
• Totaal niet gestructureerd -> zo open mogelijk (unieke naar boven halen bv
aanduiden op schaal)
1
, • Interpretatie
• Geen steekproeven (want niet de bedoeling om te veralgemenen) <->
gevalstudies (= enkele)
• Gemengd methoden -> wh willen veranderen
• Kritisch-emancipatorische: Werkelijkheid veranderen, omdat deze niet ideaal is
• Onderzoek om een bepaalde groep mensen een stem geven om maatschappij te
veranderen
• Bv autistische personen -> onderzoek gebruiken om hun een stem te geven en
daar rekening mee te houden
• Vanuit de mensen zelf het onderzoek doen (hun perspectief)
Probleemstelling
1.1 een voorbeeld:
zie voorbeeld boek
voorbeeld rilatine -> pwp:
1.2 fasen in het onderzoeksproces
• Eindpunt onderzoek = begin volgende onderzoek
-> empirische cyclus
Onderzoek begint met probleem -> doel = mbv empirisch onderzoek inzicht in probleem
krijgen
1. probleemstelling: toename rilatine gebruik -> helpt het of niet
2. Theoretisch kader: eerder onderzoek dat ons kan helpen om antw te geven op dat
probleem
• = een verklaring zoeken
• => doel: conceptueel model maken -> ideeën over hoe onderzoek te kunnen
oplossen
3. Onderzoeksvragen en hypothese: ontwikkelt ideeën bij bepaald probleem en enkele
verwachtingen over hoe bepaalde verschijnselen samenhangen
4. Onderzoeksontwerp: moet checken of veronderstelde theoretische verklaring klopt
(vertalen van theoretische termen uit conceptueel model)
• het instrumentarium kiezen (welke mensen, hoe bevragen en welke info)
• controle zeer belangrijk: Alle verstorende/ misleidende factoren uitgeschakeld
• Soorten onderzoeksontwerp:
Correlationeel onderzoek
Experimenteel onderzoek
5. Gegevensverzameling
• Randomisatie
• Deelnemers willekeurig toewijzen aan bepaalde condities
6. Gegevensanalyse
2
, • Resultaten confronteren met verwachtingen en conceptueel model -> adhv
statistiek
7. Interpretatie
• hoe komt dit, juist uitgevoerd? Waarom geen overeenstemming met
verwachtingen?
Minder adequaat theoretisch kader
Fouten in onderzoeksontwerp of uitvoering ervan
• Conclusie uit onderzoek trekken
• Mogelijke verklaringen: inhoudelijk, methodologisch,…
8. Rapportering
• In de vorm van boek, artikel, onderzoeksrapport,…
• Lezer kan oordeel vormen over juistheid gekozen conceptueel model
Zie voorbeeld in cursus p10
De empirische cyclus (de groot):
Hypothetisch deductief model -> hypothese toetsen -> bedoeling hypothese bevestigen
Observatie: Vertrekken van probleem dat we willen onderzoeken = binnen bepaald
theoretisch kader plaatsen
• probleemstelling
Inductie -> wat weten we al over het onderwerp
• Theoretisch kader
• Vertrekken van algemene wetten/theorie
• Als deze kloppen -> toetsnare hypothese uit afleiden = inductie
Deductie -> operationaliseren = theoretische ideeën vertalen naar iets wat we kunnen
weten en vaststellen + gegevens verzamelen om hypothese te kunnen bevestigen of niet
• Onderzoeksvragen & hypothesen + onderzoeksontwerp
Toetsing -> vaststellingen -> klopt hypothese of niet
• Gegevensverzameling & gegevensanalyse
Evaluatie -> komen tot een besluit
• -> koppelen aan inductie: wetenschappelijke kennis is toegenomen -> ideeën
aangepast aan resultaat + wekt nieuwe vragen
• Eindpunt van onderzoek = begin
punt nieuw onderzoek ->
cyclisch proces
• Interpretatie &
rapportering
3
, zie ook voorbeeld agressie bij kleuters en rilatine
Deductief model -> starten van theorie waar we hypothese uit kunnen afleiden
Duidelijke theorie/ kader nodig MAAR niet altijd beschikbaar
inductief model (exploratief onderzoek)
= gegevens verzamelen om tot theorie te komen -> we vertrekken niet vanuit een
duidelijke theorie
Theorie specifiek genoeg: cyclisch te werk gaan
niet specifiek genoeg: extra gegevens verzamelen -> opnieuw inductief te werk gaan
met al deze stappen heb je zelf een theoretisch kader opgesteld en kan je toetsend
onderzoek gaan doen adhv deductief model
hypothese opstellen, toetsen, etc.
stap 1: probleemstelling
Het onderwerp/probleem: Vertrekken van bepaald probleem
wat we willen onderzoeken
Hoe kom ik aan zo een probleem?
• Bv koala = toets in derde kleuterklas om
taalvaardigheden te toetsen -> nu nieuwe vraag
minister: koala met voorbereidende lees- en
rekenvaaridgheden
• Bv Na masterproef -> nieuwe vragen aan einde van onderzoek
Onderzoekbaar en uitvoerbaar
Niet alles kan je onderzoeken want je werkt met kinderen/mensen
-> moet ethisch getoetst worden
Doelstelling
Relevantie
• Praktische relevantie -> wat gaat dit opleveren voor de praktijk
• Theoretische relevantie -> welke kennis/theorie kunnen we eruit halen
Deductief vs inductief -> hangt af of je al concrete hypothese hebt of niet (zie vorige
slides)
vraagstelling
Soort onderzoeksvraag -> bepaald hoe opzet van onderzoek eruit ziet
• Soms mismatch tussen conclusies en onderzoek (correlatie en causaliteit)
soorten vraagstelling/onderzoeksvragen:
• Beschrijvende vraag -> hoe een bepaald fenomeen zich in de wh voordoet bv
vroegtijdig school verlaten
• Relationele vraag -> samenhang/verband tussen fenomen bv verband tussen
motivatie en pretaties
4