Planten
De belangrijkste kenmerken van planten kunnen noemen
Meercellige organismen:
o Iedere cel heeft een celkern met daarin ingesloten de chromosomen
o Kernmembraan scheidt de celkern van het celplasma
Fotosynthese dankzij bladgroenkorrels (= typische groene kleur)
o Organismen die zelf in hun voedsel voorzien = autotroof heterotroof
Beschikken over een celwand = vezelig netwerk dat bestaat uit cellulosedraden
o Belangrijke rol in stevigheid, vormvastheid en doorgang van stoffen
o Meer naar binnen celmembraan ter begrenzing van celplasma
Beschikken in het celplasma over een aantal celorganellen (= ‘celorganen’)
o Een celkern, mitochondriën (energiefabriekjes van de cel), ribosomen, één groot of
meerdere kleine vloeistofblaasje(s) (= vacuole), bladgroenkorrels… maken daarbij
typisch dienst van uit
Het verschil tussen heterotroof en autotroof kunnen verwoorden
Autotroof = organismen die zichzelf van voedsel voorzien door middel van fotosynthese
Heterotroof = afhankelijk van andere organismen voor hun voedsel
1
,Begrippen consumenten, reducenten en producenten kunnen verklaren
Producenten: autotrofe organismen, zoals planten en algen, die hun eigen voedsel produceren via
fotosynthese. Ze zetten zonlicht om in energie en vormen de basis van de voedselketen.
Consumenten: heterotrofe organismen die afhankelijk zijn van producenten voor hun voedsel. Ze
worden ingedeeld in verschillende niveaus.
Primaire consumenten: herbivoren die planten eten (vb. konijnen)
Secundaire consumenten: carnivoren die herbivoren eten (vb. vossen)
Tertiaire consumenten: carnivoren die andere carnivoren eten (vb. roofvogels)
Reducenten: organismen, zoals schimmels en bacteriën, die organisch materiaal afbreken. Ze recyclen
voedingsstoffen terug naar de bodem, waardoor de cyclus van leven kan doorgaan. Ze spelen een
cruciale rol in het ecosysteem door dode materie en afvalstoffen af te breken
Een afstammingsschema van planten kunnen aanvullen
De belangrijkste groepen (5) van planten kunnen geven
Algen/wieren
Mossen
Wolfsklauwen
Varens
Zaadplanten
2
,De verschillende stappen in de voortplantingscyclus van mossen kunnen beschrijven
1: spore
2: voorkiem
3: uitgegroeide mosplant
4: vrouwelijke en mannelijke mosplant
5: geslachtelijke voortplanting
6: vrouwelijke mosplant met sporenkapsel
Paardenstaarten kunnen herkennen op een foto
De verschillende stappen in de voortplantingscyclus van echte varens kunnen beschrijven
Sporenplanten en zaadplanten kunnen definiëren
Sporenplanten: sporenplanten zoals mossen, varens en
schimmels, reproduceren zich via sporen in plaats van
zaden.
Zaadplanten: omvatten planten die zich voortplanten
via zaden, zoals naaldbomen (coniferen) en
bloemplanten (bedektzadigen).
Kunnen uitleggen waar de naam naaktzadigen vandaan komt
De naam van deze groep zaadplanten roept een belangrijke eigenschap op: de zaden liggen bij deze
groep van planten niet ingesloten in een vrucht maar open en bloot op schubachtige structuren.
Voorbeelden kunnen geven en herkennen van naaktzadigen
Bij naaktzadigen denken we in de eerste plaats aan kegeldragers: naaldvormige bladeren, typisch
mannelijk (oranje) en vrouwelijk kegels (groene) zijn daarbij gangbaar (= foto links)
3
, Welwitschia, is een naaktzadige van een heel ander slag (hier met mannelijke kegeltjes). De Zuid-
Afrikaanse naam ‘tweeblaarkanniedood’ wijst op zijn taaie natuur: deze naaktzadige houdt van de
woestijn (= foto rechts)
Weten wat coniferen zijn en voorbeelden kunnen geven
Coniferen zijn kegeldragers. Het zijn houtige planten met bladeren die naaldvormig of schubvormig
zijn. Coniferen leveren hars en terpentijn en produceren verscheidene gewilde houtsoorten.
Vb. dennen, sparren en cypressen
Kunnen uitleggen waar de naam bedektzadigen vandaan komt
Het is een plant waarbij de zaadjes bedekt groeien, dus verstopt in de vrucht van de bloem.
Voorbeelden kunnen geven en herkennen van bedektzadigen
Fruit, groentes zoals komkommer en tomaten, graansoorten + zie tabel bij een- en tweezaadlobbigen
Weten wat eenzaadlobbigen en tweezaadlobbigen zijn
Eenzaadlobbigen: de naam van de groep verwijst naar de zogenaamde zaadlob, een structuur die
tegen het groeiende kiemplantje in het zaad aanligt. Na het ontkiemen zie je bij deze plantengroep
aan het bodemoppervlak typisch één groen sprietje verschijnen: het pluimpje.
Tweezaadlobbigen: de naam komt van de twee kenmerkende zaadlobben, die na kieming van het
zaad als extra voedselpakketten op het jonge stengeltje zitten. kort na de kieming vallen ze af en
wordt hun rol overgenomen door de eerste groene blaadjes van de plant.
De verschillen tussen eenzaadlobbigen en tweezaadlobbigen kunnen weergeven
4