adolescenten
Lesinhoud:
0. Inleiding
1. Infantpsychiatrie
2. Gedragsstoornissen
3. ADHD
4. Ticstoornissen
5. Autisme Spectrum Stoornissen
6. Stemmingsstoornissen
7. Angststoornissen (gastcollege Dr Lore Willem)
8. Zelfverwondend gedrag (gastcollege Dr Lisa Van Hove)
9. Casusles
10. Obsessieve compulsieve stoornis (OCS) (gastcollege Dr Lisa Van Hove)
11. Middelenmisbruik
12. Chronische ziekte
10. Trauma
11. Eetstoornissen (lesopname)
12. Zelfstudie: leerstoornissen (p. 27-38), psychose (p. 183-198) en spraak- en
taalstoornissen (p. 35-43).
!! Examen: schriftelijk -> 3 soorten open vragen (dus géén multiple choice!):
1. Reproductie vraag – leerstof uit handboek/slides
(bv. etiologie van ASS -> vaak een stukje biologie + psychologie + sociale, ADHD,
bespreek behandelmethodes van eetstoornissen,...) (7 punten)
2. Inzichtsvraag – koppeling tussen hoofdstukken. De inzichtsvraag gaat heel vaak
gelinkt zijn de etiologie (risicofactoren, protectieve factoren,...) en die koppelen aan één
van de modellen die we in het begin hebben gezien. (7 punten)
3. Casusvraag – klinisch beeld herkennen: primaire, secundaire hypothesen, en
eventuele differentiaal diagnose (kennis/inzicht toepassen op casussen -> casusles
komt aan bod in de lessenreeks) (6 punten)
-> direct nagaan: leeftijd? Waar treden de problemen op? Bij wie? Normaal voor leeftijd?
-> primaire diagnose? Comorbide stoornissen? Geef # differentiaaldiagnoses + bij alles
argumenten geven: link leggen tussen criteria van een stoornis en klachten in de casus!!
Leerstof: handboek (leerboek kinder-en jeugdpsychiatrie) + slides + teksten op canvas
(bij hoofdstukken: trauma en middelenmisbruik)
Kennis en inzicht in de symptomen van een beeld! De etiologie bespreken we per beeld (hoe
ontstaat het beeld?) + diagnose -> we zoomen niet in op de concrete diagnostiek: het
diagnosticeren van deze beelden is niet het onderwerp van dit vak (dus moet niet in detail
gekend zijn -> zullen geen vragen gesteld worden over bv. welke testen zijn er hiervoor?).
1
,0. INLEIDING
1. Afbakening
1.1. Psychopathologie van kinderen en adolescenten
Vooraleer in te gaan op de verschillende stoornisbeelden, is het belangrijk om een afbakening te
maken tussen psychopathologie en ontwikkelingspsychologie.
De psychopathologie van kinderen en adolescenten verwijst naar de theoretische en empirische
kennis over psychische stoornissen bij kinderen en adolescenten, en over de processen die tot deze
stoornissen leiden.
Binnen dit domein spreekt men van ontwikkelingspsychopathologie, de studie van het ontstaan en
de ontwikkeling van psychische stoornissen en problemen in relatie tot ontwikkelingstaken en
ontwikkelingsprocessen, die het dagelijks functioneren ernstig beperken. ↔ Dit verschilt van de
ontwikkelingspsychologie, die zich richt op de studie van de normale ontwikkeling en het begrijpen
van hoe kinderen zich in algemene zin cognitief, sociaal en emotioneel ontwikkelen.
└ ontwikkelingspsychologie = normaal verloop ↔ ontwikkelingspsychopathologie = afwijkend
verloop.
Wat normaal is in een bepaalde levensfase, kan afwijkend zijn in een andere. Zo is beperkte
concentratie normaal bij jonge kinderen, maar problematisch bij oudere jongeren. Op jonge leeftijd
is het daarnaast ook normaal om denkbeeldige speelkameraadjes te hebben of milde
dwangverschijnselen. Ook irreële angsten (zoals bang zijn in een donkere kamer) zijn op die leeftijd
niet altijd afwijkend. Dit wijst erop dat kennis van ontwikkelingspsychologie essentieel is bij het
beoordelen van gedrag.
└ Bij de casusvraag op het examen is het daarom belangrijk goed na te gaan wat de leeftijd is van de
persoon. Gaat het om een 5/6-jarig kind of juist een adolescent? Het klinisch beeld varieert
afhankelijk van de leeftijd aangezien er andere dingen als ‘normaal’ worden geacht.
Om te spreken van psychopathologie moeten de symptomen voldoende ernstig zijn (ernsttaxatie) en
een duidelijke impact hebben op het functioneren. Sommige stoornissen zijn specifiek voor de
kinder- en adolescentiefase, zoals autisme, ADHD en andere ontwikkelingsstoornissen. Andere
stoornissen, zoals depressie, angst of psychose, kunnen ook op volwassen leeftijd voorkomen, vaak
met een vroege, maar andere uitingsvorm bij kinderen. Kinderen uiten psychische problemen
bijvoorbeeld vaker via buikpijn of hoofdpijn bij emotionele problemen, is de stemming vaker
prikkelbaar dan depressief en kan angst zicht uiten in woede-uitbarstingen en huilbuien.
Ten slotte moet psychopathologie bij kinderen steeds in context bekeken worden. Kinderen zoeken
zelden zelf hulp voor hun problemen en zijn sterk afhankelijk van hun gezin. Diagnostiek en
behandeling gebeuren daarom meestal in interactie met zowel het kind als de ouders. Werken met
kinderen verschilt fundamenteel van werken met volwassenen: kinderen zijn geen kleine
volwassenen, en hun ontwikkeling vormt steeds het referentiekader.
1.2. Ontwikkelingspsychologie vs. ontwikkelingspathologie
Wanneer spreken we van een psychische stoornis? We maken hierbij gebruik van 3 kerncriteria:
▪ ‘Abnormaal’ verschijnsel
Een psychische stoornis wordt vaak herkend aan gedrag dat afwijkt van wat sociaal en
leeftijdsadequaat wordt verwacht (ontwikkelingspsychopathologie). Bij kinderen is dit lastig vast te
2
,stellen, omdat zij nog in ontwikkeling zijn. Soms is het daarom oké om nog geen diagnose te stellen,
vooral als de impact op het kind beperkt is. Het gaat hierbij om sociale normen: het gedrag wordt
vergeleken met wat binnen de eigen omgeving en maatschappij normaal wordt gevonden, niet met
andere culturen.
▪ Veroorzaakt ongemak, lijden of bezorgdheid bij de betrokkene (kind zelf) en/of de omgeving
Een tweede belangrijk criterium is dat het gedrag ongemak of lijden veroorzaakt bij het kind zelf
en/of bij de omgeving, bijvoorbeeld bij ouders of leerkrachten. Bij jonge kinderen kan dit moeilijk te
observeren zijn, omdat zij vaak nog niet goed kunnen aangeven hoe ze zich voelen. Daarom is het
belangrijk zowel bij het kind als bij de omgeving te kijken hoe ernstig de problemen zijn.
▪ Gedrag past binnen een psychopathologisch begrippenkader
Ten slotte moet het gedrag binnen een psychopathologisch begrippenkader passen. Soms is het
gedrag een gevolg van iets anders dan een psychische stoornis. Bijvoorbeeld: een kind dat zich
vreemd gedraagt nadat het hard is gevallen, of dat per ongeluk medicijnen van de ouders heeft
ingenomen, heeft medische tussenkomst nodig in plaats van psychologische hulp. In zulke gevallen
gaat men eerst naar een arts of eerstehulppost, en niet direct naar een psycholoog of psychiater.
1.3. Criteria van Rutter
= psychiater die ons handvaten aanreikt om na te evalueren of bepaald gedrag afwijkend / normaal is
en wat de ernst ervan is.
▪ Leeftijdsadequaatheid: het gedrag wordt beoordeeld in verhouding tot de leeftijd van het kind.
Wat normaal is voor een peuter kan problematisch zijn bij een adolescent.
▪ Duur: hoe lang manifesteert het probleem zich?
▪ Omstandigheden: is het gedrag begrijpelijk gezien de omstandigheden? Bijvoorbeeld: verdrietig
gedrag na verlies van een familielid kan passend zijn. Context is belangrijk bij de beoordeling.
▪ Socioculturele setting: waar groeit het kind op en wat zijn de opvoedingsnormen?
▪ Hoeveelheid en frequentie: hoe vaak en in welke mate komt het probleemgedrag voor?
▪ Type problemen en mate van voorkomen in de populatie: sommige gedragingen zijn normaal en
veelvoorkomend (zoals nagelbijten), terwijl andere gedragingen zeldzaam zijn en meer aandacht
vragen (bijvoorbeeld stemmen horen, wat kan wijzen op een beginnende psychose).
▪ Intensiteit: hoe hevig uit het gedrag zich? Bijvoorbeeld, is het beperkt tot verbale agressie of uit het
zich ook in fysieke agressie?
▪ Verandering van gedrag: is de verandering in gedrag te verwachten, of wijkt het significant af van
het eerdere gedrag van het kind? Een onverwachte gedragsverandering kan een aanwijzing zijn voor
een probleem.
▪ Situatiegebondenheid: treedt het probleemgedrag in één specifieke situatie op of in meerdere
settings? Bv. ADHD kenmerkt zich door concentratieproblemen en hyperactiviteit in verschillende
omgevingen, wat wijst op een onderliggende ontwikkelings- of neurologische component.
▪ Belemmerend: leidt het gedrag tot problemen of beperkingen in het dagelijks functioneren, zoals
school, sociale relaties of thuis?
└ Bij de casus op het examen is het belangrijk om deze criteria af te toetsen: is het probleem
leeftijdsadequaat? Is het probleem al lang aanwezig? Dit vormt dus echt een belangrijke leidraad!
1.4. DSM-5
De DSM-5 is een classificatiesysteem gebaseerd op sociale consensus, vooral vanuit een westers
perspectief. De kenmerken zijn gebaseerd op onderzoek en consensus van psychiaters. Het doel is
3
, classificerende diagnostiek, wat inhoudt dat symptomen worden samengebracht tot syndromen en
diagnoses, maar zonder directe verklaring van de oorzaak (etiologie).
→ Belangrijke aspecten van diagnostiek:
1) Probleemanalyse: in een casus kijk je eerst wat er precies aan de hand is: gaat het om een tijdelijk
probleem of een psychische stoornis?
2) Clustering van symptomen: symptomen worden samengevat tot fenomenen of syndromen.
3) Diagnose is dynamisch: een diagnose is geen vaststaand feit. Kinderen kunnen bijvoorbeeld
evolueren van een angststoornis naar een depressieve stoornis.
→ Voordelen van de DSM:
▪ Communicatie: biedt een gemeenschappelijke taal voor professionals.
▪ Etiket: kan behulpzaam zijn voor het kind of de ouders om te begrijpen waarom bepaalde zaken
moeilijk lopen, mits zorgvuldig gebruikt.
▪ Indicatiestelling en verwijzing: helpt bepalen welke ondersteuning of behandeling nodig is.
Bijvoorbeeld: verschillende behandelopties vloeien voort uit een depressiediagnose.
▪ Handvatten voor interventie: geeft ruwe richtlijnen voor aanpak.
▪ Inzicht in prognose en prevalentie.
→ Kritieken op het categorisch denken van de DSM:
1. Sociaal-culturele bepaaldheid van psychiatrische stoornissen: DSM-diagnoses zijn vooral
gebaseerd op westerse normen.
2. Comorbiditeit en symptoomshifting:
∙ comorbiditeit = gelijktijdig voorkomen van 2 of meer stoornissen bij één persoon. Dit is eerder
de regel dan de uitzondering.
∙ symptoomshifting = het verschuiven van sommige symptomen. Bv. iemand heeft angststoornis
en we gaan daaraan werken via gedragstherapie; daarna veranderen symptomen van die van
angstproblematiek naar een depressieve stoornis
3. Vage omschrijvingen: DSM omschrijft vaak symptomen met termen als “vaak” of “soms”, waardoor
interpretatie nodig is. Daarom is een multidisciplinaire aanpak belangrijk: in team werken en
overleggen.
4. We leven in een label-maatschappij: diagnoses kunnen leiden tot stigmatisering (bv. ‘ADHD’ers’),
hoewel ze soms noodzakelijk zijn voor toegang tot voorzieningen.
5. Er wordt geen rekening gehouden met onderliggende transdiagnostische mechanismen (zie
figuren hieronder).
De kindertijd is vaak de eerste periode waarin een diagnose wordt
gesteld. Veel kinderen krijgen echter meer dan één diagnose, wat
betekent dat comorbiditeit zeer veel voorkomt. Onderzoek laat
zien dat kinderen die op een bepaalde leeftijd een diagnose
krijgen, op latere leeftijd vaak één (of meerdere) andere
diagnose(s) krijgen. Met andere woorden: veel kinderen
“switchen” van diagnose en houden meestal niet de
oorspronkelijke diagnose die ze als eerste kregen.
Dit laat zien dat een diagnose geen statisch gegeven is, maar kan
evolueren over de tijd. Veranderingen in diagnose worden vaak
beïnvloed door onderliggende transdiagnostische factoren, zoals
kwetsbaarheid voor meerdere soorten psychopathologie.
Bovendien komt een stoornis zelden geïsoleerd voor, waardoor
comorbiditeit en veranderende diagnostische beelden de 4 regel
zijn in plaats van de uitzondering.