Hoofdstuk 1: T-cel Maturatie
● Auto-immuunziekten = Ziekten waarvoor er auto B-cellen voor bestaan. Hier richt
het adaptieve immuunsysteem (de slimme cellen zoals T- en B-cellen) zich per
ongeluk op je eigen gezonde weefsels.
● Auto-inflammatie = Hier is het aspecifieke (aangeboren) immuunsysteem
overactief. Er zijn geen foutieve antilichamen, maar de "alarmbellen" van het lichaam
staan constant aan.
sJIA (Systemische Juveniele idiopathische arthritis): Examenstof, Auto-inflammatoire
aandoening bij kinderen
- Over heel het lichaam, bij kinderen, van onbekende oorsprongen,
gewrichtsontsteking
- Groeiachterstand door sJia
- Behandeld met corticosteroïden → Nevenwerking is groeiretardatie bij kinderen
- Macrofaag = vreet eigen cellen op (MAS)
- Annemie: Patiënten hebben bloedarmoede (defect in #RBC)
Fusie van Macrofagen → Vorming van Gaint cellen
→ Verlies van de eigenschappen van macrofagen, zijn nieuwe cellen geworden
Succes van vaccinatie komt door primaire en secundaire respons
Ontstaan van Astma → Overmatige stimulatie of foutieve regulatie van het immuunsysteem
- Getest door lucht inademen met mogelijk antigeen en daarna krachtig uitademen
- Astma patiënt heeft problemen met ademen en kortademigheid
Hoe gebeurt de specifieke herkenning van antigenen?
1. Via Antistoffen: sleutel-slot herkenning, waterstofbruggen, ionische, hydrofobe,
VDW krachten
2. T-cel receptoren: lineaire structuren worden gepresenteerd door MHC moleculen
(op antigeenpresenterende cellen) → En herkend worden door T-cel Receptoren
, ● B-cellen: Herkennen antigenen die vrij rondzweven in het bloed of weefselvocht.
Hun receptor (BCR) is eigenlijk een vastzittend antilichaam.
● T-cellen: Herkennen antigenen alleen als ze "gepresenteerd" worden op de
buitenkant van een andere cel.
B-cel Herkenning (Direct)
● De B-cel receptor bindt direct aan een specifiek deel van het oppervlak van een
bacterie of virus (het epitoop).
● Als de match perfect is, wordt de B-cel geactiveerd en gaat hij antistoffen maken die
precies op dat slot passen.
T-cel Herkenning (Gepresenteerd)
● T-cellen zijn kieskeuriger. Een antigeen moet eerst door een "vreetcel" (zoals een
dendritische cel) worden opgegeten en in stukjes gehakt. Dit stukje wordt vervolgens
op een presenteerblaadje gelegd: het MHC-molecuul.
● MHC-I (kleinere groeve): Presenteert stukjes van binnenuit de cel (bijv. een virus
dat de cel heeft gekaapt). Dit wordt herkend door Killer T-cellen.
● MHC-II (grotere groeve): Presenteert stukjes van buitenaf die zijn opgegeten. Dit
wordt herkend door Helper T-cellen.
● → Polymorphisme = niemand heeft identieke MHC molecule
HLA complex = kernproducten voor MHCI en MHCII
- Combinatie van allelen = haplotypes
- En de allelen komen co-dominant tot expressie (sommige komen tot expressie van
moeder en andere van de vader)
Endogene antigenen = door proteasoom geknipt
● TAP transporteert deze stukken in ER
● Door chaperones gaan de stukken blijven plakken aan MHC
● Presenteren op het membraan
Exogene antigenen = opnemen van buitenaf
● Om vervolgens te projecteren op het membraan
,Bare Lymphocyte Syndrome (BLS)
→ Mutatie in TAP → Geen opname van peptiden van antigen in ER
- MHC moleculen zijn leeg
- Lege MHC moleculen zijn zeer onstabiel en worden onmiddellijk geïnternaliseerd
- Neus is weggevreten = neus bevat veel NK cellen
- NK cellen worden geactiveerd door lege MHC
- NK cellen toetst alle cellen af om te kijken of de cellen geïnfecteerd zijn met virus
- Niet-geinfecteerd cellen hebben MHCO cellen → Signaal van KIR dat er geen
afsterving zal zijn
- Geïnfecteerde cellen: MHCI valt weg → geen signaal meer van KIR → signaal
voor afsterving
Drie belangrijke eigenschappen van het immuunsysteem
1. Diversiteit dat gekoppeld is aan specificiteit
2. Opbouwen van het geheugen: primaire en secundair respons
3. Onderscheid tussen vreemd en eigen: want lichaamsvreemde moleculen zijn
opgebouwd uit dezelfde aminozuren als lichaamseigen
Primaire en Secundaire Antistof Respons
1. IgM (De Eerste Reactie)
● Dit is het eerste antilichaam dat je lichaam aanmaakt bij een nieuwe infectie.
● Structuur: Een pentameer (5 antilichamen aan elkaar vast), wat lijkt op een sneeuwvlok of
een wiel met 10 bindingsplaatsen.
● Functie: Omdat het zo groot is, kan het heel effectief bacteriën en virussen aan elkaar
"klonteren" (agglutinatie).
● Locatie: Vooral in het bloed (te groot om makkelijk door weefsels te dringen).
● Betekenis in test: Als je IgM in je bloed hebt, betekent dit meestal dat de infectie nu bezig
is (acute fase).
, 2. IgG (De Lange-Termijn Bescherming)
● Dit is het meest voorkomende antilichaam in je bloed (ongeveer 75-80%).
● Structuur: Een monomeer (een simpele Y-vorm). Klein en wendbaar.
● Functie: Het kan makkelijk uit de bloedbaan naar de weefsels lekken om daar indringers
aan te vallen. Het is ook het enige antilichaam dat via de moederkoek (placenta) naar een
baby gaat.
● Geheugen: IgG zorgt voor je langdurige immuniteit na een infectie of vaccinatie.
● Betekenis in test: Als je alleen IgG hebt (en geen IgM), betekent dit meestal dat je de
infectie in het verleden hebt gehad of ertegen gevaccineerd bent.
FACS → Grootte en korreligheid van cellen nakijken
- AL toedienen tegen specifieke merkers van cellen
- AL zijn fluorescent gelabeld
T-cel Maturatie
● Voorloper van T-cellen zitten in beenmerg
● Deel van die cellen migreren naar de Thymus
● Thymus = orgaan waar T-cellen volledig matureren
● Thymus bestaat uit cortex (buitenkant) en medulla
(binnenkant)
Corticomedullaire junctie → Cortex → Medulla
Chemokine CXCR4 en CCR7 kennen
● CXCR4: Zorgt ervoor dat de jonge cellen naar de juiste plek in de cortex trekken.
● CCR7: Wordt later geactiveerd en trekt de rijpende cellen naar de medulla voor hun laatste
"examen".
Dubbel negatief stadium (DN) = geen CD4 of CD8 aanwezig
Dubbel positief (DP) = beide aanwezig