INHOUDSTAFEL
1. Praktische informatie 3.7. + 3.8 + 3.9 + 3.10 Bijlage: afasiesyndromen (NIET
1.1. Inhoud kennen! Enkel doorlezen)
1.2. Studiemateriaal 4. Spraakapraxie
1.3. Aanbevolen literatuur 4.1. Beschrijven van spraakapraxie
2. Inleiding 4.2. De samenwerking tussen spraak en taal
2.1. Communiceren met NAH: what’s in a name 4.3. Normale spraakproductie: rol van motorisch
2.1.1. Communicatie spraakklankgeheugen
2.1.2. Niet-aangeboren hersenletsel (NAH) 4.3.1. Motorische planning met structuurspecifieke
2.1.2.1. Cerebrovasculair accident (CVA) informatie
2.1.2.2. Craniocerebral trauma (CCT) 4.3.2. Motorische programmering met
2.1.2.3. Hersentumoren spierspecifieke informatie
2.1.2.4. Infecties 4.3.3. Motorisch plan en programmering: samengevat
2.1.2.5. Vitaminedeficiënties en intoxicaties 4.3.4. Beïnvloedende parameters
2.1.2.6. Auto-immuunziektes 4.4. Definitie van spraakapraxie
2.1.2.7. Neurodegeneratieve aandoeningen 4.4.1. De definitie volgens Darley
2.1.3. Communicatiestoornissen met Andere 4.4.2. Definitie volgens Rosenbeck
Oorzaak 4.4.3. Definitie volgens MvNeill, Robin & Schmidt
2.1.4. Communiceren na NAH 4.4.4. Definitie volgens Duffy
2.2. Conceptuele kaders voor klinisch redeneren 4.4.5. Samenvatting definitie
2.2.1. Fasen van herstel 4.5. Prevalentie en etiologie
2.2.2. ICF en A-FROM 4.5.1. Prevalentie
2.2.3. Prognose van herstel 4.5.2. Etiologie
2.2.4. De niet-talige cognitie bij personen met NAH 4.6. Neuroanatomische locatie
2.2.5. Handel evidence-based én value-based 4.6.1. De linker inferieure frontale gyrus (LIFG)
2.3. Communiceren met een persoon met een 4.6.2. De linker anterieure insula
communicatiestoornis 4.6.3. De pariëtale cortex
2.4. Bronnen 4.6.4. Basale ganglia en het cerebellum
3. Afasie 4.7. Symptomen van spraakapraxie
3.1. Inleiding 4.7.1. Eerste beschrijving apraxie
3.2. Beschrijven van afasie 4.7.2. Perceptuele kenmerken van spraakapraxie
3.3. Prevalentie en incidentie 4.8. Ernstgraden
3.4. Afasiesymptomen 4.9. Assessment van spraakapraxie
3.4.1. Inleiding 4.9.1. Dossierstudie en aanmelding
3.4.2. Stoornissen in de woordproductie 4.9.2. Anamnesegesprek
3.4.2.1. Fonologische symptomen 4.9.3. Auditief perceptuele informatie van spraak en
3.4.2.2. Semantische symptomen het DIAS
3.4.2.3. Anomie 4.9.3.1. Diagnostisch instrument van spraak
3.4.2.4. Gemengde stoornissen (DIAS)
3.4.3. Stoornissen in de zinsproductie 4.9.3.2. Instrumentele metingen
3.4.4. Andere expressieve symptomen 4.9.4. Spraakverstaanbaarheid
3.4.5. Stoornissen in het taalbegrip 4.9.5. Psychosociale impact
3.5. Afasiesyndromen 5. Dysartrie
3.6. Taalverwerking 5.1. Beschrijving dysartrie
3.6.1. Taalverwerkingsmodel op woordniveau 5.2. Definitie
3.6.1.1. Het begrijpen van gesproken woorden 5.3. Etiologie en prevalentie
3.6.1.2. Het produceren van gesproken woorden 5.4. Neurofysiologische basis
3.6.1.3. Model van woordbegrip en 5.4.1. Hoger Motor Neuron en Lager Motor Neuron
woordproductie: naspreken van 5.4.2. Hoger Motor Neuron: directe banen en
woorden indirecte banen
3.6.1.4. Lezen 5.4.2.1. Indirecte banen: basale ganglia: werking
3.6.1.5. Schrijven en letsels
3.6.2. Taalverwerking op zinsniveau 5.4.2.2. Indirecte banen: cerebellum: werking en
3.6.2.1. Model voor zinsverwerkingsprocessen letsels
3.6.2.2. Adaptatietheorie 5.5. Classificatie van dysartrie
5.5.1. Classificatie van dysartrie: Darley
, 5.5.2. Slappe dysartrie 9.1.2. ROMP
5.5.3. Spastische dysartrie 9.2. Participatieniveau
5.5.4. UHM-dysartrie 9.2.1. CETI
5.5.5. Atactische dysartrie 9.3. Externe factoren
5.5.6. Hypokinetische dysartrie 9.3.1. PACT
5.5.7. Hyperkinetische dysartrie 9.4. Persoonlijke factoren
5.5.8. Gemengde dysartrie 9.4.1. SAQOL-39NL
5.6. Het assessment bij dysartrie 9.5. Dysamix
5.6.1. Het oraal motorisch onderzoek bij dysartrie 9.6. Globamix
5.6.2. Auditieve perceptuele evaluatie 9.7. Comorbiditeiten (enkel ppt)
5.6.3. Spraakverstaanbaarheid en psychosociale 9.7.1. Motoriek
impact 9.7.2. Sensibiliteit (gevoel)
6. Cognitieve communicatiestoornissen 9.7.3. Cognitieve gevolgen
6.1. Inleiding 9.7.4. Visuele stoornissen
6.2. Aandacht & informatieverwerking 9.7.5. Epilepsie
6.2.1. Algemene werking 9.7.6. Gedragsverandering
6.2.1.1. Selectiviteit 10. (9 in cursus) Interprofessioneel team
6.2.1.2. Intensiviteit 10.1. Medische disciplines
6.2.2. Mogelijke problemen 10.2. Paramedische disciplines
6.3. Geheugen 10.3. Bevindingen communiceren
6.3.1. Algemene werking 10.3.1. Multidisciplinair overleg
6.3.2. Mogelijke problemen 10.3.2. Communiceren met personen met NAH en
6.4. Executieve functies omgeving
6.4.1. Phineas Gage
6.4.2. Beschrijving executieve functies
6.5. (Visueel) neglect
6.6. Cognitieve communicatiestoornissen (CCS) t.g.v.
extra-linguïstische stoornissen
6.6.1. Discours
6.6.2. Lexico-semantiek
6.6.3. Prosodie
6.6.4. Classificatie van CCS t.g.v. extra-linguïstische
stoornissen
7. Diagnostiek bij personen met afasie
7.1. Welke meetinstrumenten kunnen worden gebruikt
om de aard en de ernst van de afasie vast te stellen
in de verschillende fasen van herstel en in ICF?
7.1.1. Basisset van meetinstrumenten
7.1.1.1. Informele screening
7.1.1.2. Screeningsinstrument: ScreeLing
7.1.1.3. Screeningsinstrument: Tokentest
7.1.1.4. Diagnostisch instrument:
Comprehensive Aphasia Test-NL
7.1.1.5. Diagnostisch instrument: De
Semantische Associatie Test (SAT)
7.1.1.6. Communicatieonderzoek: Amsterdam-
Nijmegen Test voor Alledaagse
Taalvaardigheid
7.1.1.7. Communicatieonderzoek: Scenariotest
7.1.1.8. Benoemtest: De Boston Naming Test
7.1.1.9. Nederlandse Benoemtest
7.1.2. Afasie: indeling in ernst
8. Screenen en diagnosticeren CCS (alleen ppt)
8.1. Korte opfrissing Cognitieve
Communicatiestoornissen (CCS)
8.2. Onderdelen van diagnostiek bij CCS
8.3. Onderzoeksinstrumenten CCS
9. (8 in cursus) Testen op andere ICF-niveaus (cursus + ppt)
9.1. Activiteitenniveau
9.1.1. BIPAC, BEBA
,1. Praktische informatie
▪ Afasie = verworven taalstoornis door niet-aangeboren hersenletsel, meestal na beroerte (CVA),
hersentumor of ongeval.
▪ Dysartrie = motorische spraakstoornis veroorzaakt door hersenletsel, waardoor de spieren voor
ademhaling, stem en articulatie (tong, lippen) niet goed functioneren.
▪ Spraakapraxie = spraakstoornis bij hersenletsel waarbij de planning en coördinatie van mondbewegingen is
verstoord, ondanks goed functionerende spieren.
▪ Cognitieve communicatiestoornis = de hersenen hebben moeilijkheden met het opnemen en verwerken
van informatie.
, 2. INLEIDING
2.1 Communiceren met NAH: what’s in a name
2.1.1 Communicatie
Zender – ontvanger – boodschap
Voorwaarden om aan communicatie te doen:
werking van de hersenen! Loopt het hier mis →
neurogene stoornis.
TAAL = inwendig proces
≠
SPRAAK = beweging van de spieren
2.1.2 Niet-aangeboren hersenletsel (NAH)
= letsel in het hersenweefsel dat ontstaan is na de geboorte → verworven stoornis.
Verschillende lobben: frontaal, pariëtaal, temporaal, occipitaal, insula
Brodmann area’s:
▪ Area 22 (Gyrus temporalis superior): zone van Wernicke
→ begrijpen van gesproken en geschreven taal (betekenis van taal).
▪ Area 44 (pars opercularis) en 45 (pars triangularis) (samen Gyrus frontalis
inferior): zone van Broca
→ productie van spraak, grammaticale structurering en motorische
planning van taal.
▪ Area 4 (Gyrus precentralis): motorische cortex
→ aansturen van spieren van aangezicht en mond
Craniale zenuwen:
I. nervus Olfactorius (reukzenuw)
II. nervus Opticus (oogzenuw)
III. nervus Oculomotorius (oogbewegingszenuw)
IV. nervus Trochlearis (uitwendige oogzenuw)
V. nervus Trigemius
VI. nervus Abducens (zijwaartse oogbewegingszenuw)
VII. nervus Facialis (aangezichtszenuw)
VIII. nervus Vestibulocochlearis (gehoor- en evenwichtszenuw)
IX. nervus Glossofaryngeus (tong- en keelzenuw)
X. nervus Vagus
XI. nervus Accessorius
XII. nervus Hypoglossus (ondertongzenuw)