Hoofdstuk 1: Algemene inleidende beschouwing
1. INLEIDING
De beroemde bioloog Theodosius Dobzhansky zei ooit: "Niets in de biologie is logisch,
behalve in het licht van de evolutie". Dit is de absolute basis van dit vak.
• Evolutie betekent heel simpel dat de eigenschappen (en genen) van een soort
veranderen van generatie op generatie, zodat ze beter kunnen overleven.
• Biologische antropologie (of fysiologische antropologie) is de wetenschap die de
mens bestudeert alsof we gewoon een diersoort zijn, kijkend door een biologische
bril.
• Biologisch gezien zijn wij mensen primaten (de diergroep waar ook apen toe
behoren). Dit vakgebied kijkt vooral naar de afgelopen 6 miljoen jaar: het moment
waarop onze aapachtige voorouders op twee benen gingen lopen en we homininen
(mensachtigen) werden.
2. ANTROPOLOGIE EN DIENS SUBVELDEN
Antropologie in het algemeen is de studie van de mensheid in al haar vormen. Deze
wetenschap kijkt naar mensen op twee speciale manieren:
1. Cross-cultureel: Men vergelijkt verschillende groepen mensen met elkaar om
verschillen en gelijkenissen te zoeken.
2. Holistisch: Men kijkt naar het 'complete plaatje' van de mens (biologie, omgeving,
geschiedenis) in plaats van naar één los deeltje.
Wat mensen echt anders maakt dan dieren, is onze cultuur. Cultuur is alles wat we onszelf
en elkaar aanleren: religie, taal, kleding en eetgewoonten. Onze hersenen (biologie) zorgen
ervoor dat we cultuur kúnnen maken, maar onze cultuur verandert op zijn beurt ook weer
ons lichaam en onze biologie. De studie naar hoe die twee elkaar beïnvloeden, heet
bioculturele antropologie.
De '4-field approach' (De 4 hoofdvakken van de antropologie) Antropologie is van oudsher
opgedeeld in vier grote stukken:
1. Culturele antropologie: Onderzoekt hoe menselijke samenlevingen werken.
Belangrijke begrippen hier zijn etnologie (het vergelijken van culturen) en etnografie
(het heel precies beschrijven van één specifieke cultuur, zoals jager-
verzamelaarsstammen in de Amazone of Tanzania).
1
, 2. Linguïstische antropologie: De studie van taal. Ze kijken naar de grammaticaregels
(de vorm) en waarom we eigenlijk praten (de functie). De bekende onderzoeker R.
Dunbar stelt dat taal is ontstaan om te kunnen roddelen en als verbale vorm van
grooming (elkaar 'vlooien' of verzorgen om vriendschappen te sluiten, net
zoals apen dat fysiek doen). Men noemt taal ook wel eens een
'bioculturele parasiet'.
3. Archeologie: Het bestuderen van het verleden door te kijken naar wat
mensen hebben achtergelaten. Ze zoeken naar artefacten (door mensen
gemaakte voorwerpen, zoals een stenen bijl) en materiële cultuur (alle fysieke
overblijfselen, van oude grotschilderingen in Frankrijk tot moderne kunst).
4. Biologische antropologie: De wetenschap die de evolutie van de mens bestudeert.
Een bekende wetenschapper hier is Sarah Hrdy.
De reikwijdte van de biologische antropologie (De 6 subvelden) Omdat biologische
antropologie zo'n groot vak is, is het opgedeeld in 6 kleinere specialisaties:
1. Paleoantropologie: De botten-zoekers. Zij zoeken met opgravingen (veldwerk) naar
versteende botten (fossielen) van uitgestorven voorouders om onze menselijke
stamboom te tekenen. De studie zelf gebeurt dan in musea en universitaire labo’s.
2. Skeletbiologie en menselijke osteologie:
o Osteologie is het letterlijk bestuderen en in elkaar puzzelen van botten.
o Skeletbiologie kijkt hoe die botten groeien en samenwerken met spieren.
▪ Te weten komen hou oud iemand is adhv. de botten.
o Vroeger deden ze hier vooral aan antropometrie: het heel precies opmeten
van het lichaam en de botten om verschillen tussen mensen in kaart te
brengen.
3. Paleopathologie en bioarcheologie:
o Paleopathologie onderzoekt welke ziektes oude volkeren hadden
(bijvoorbeeld door sporen van virussen of syfilis op botten te zoeken).
o Bioarcheologie kijkt naar botten op de plek waar ze begraven zijn. Zo
proberen ze te ontdekken of een beschaving is uitgestorven door
bijvoorbeeld hongersnood of een pandemie.
4. Forensische antropologie: Dit is de versie die we kennen van politieseries. Ze
gebruiken bottenkennis in moderne strafzaken. Ze helpen bij het oplossen van
moorden, onderzoeken massagraven bij oorlogsmisdrijven (zoals in Cambodja of
Bosnië) en maken veel gebruik van modern DNA-onderzoek.
2
, 5. Primatologie: De studie van levende en uitgestorven apen (onze naaste familie).
Apen leven in groepen, net als wij. Door apen te bestuderen, snappen we ons eigen
sociale gedrag beter. We leren bijvoorbeeld waarom mannen groter zijn dan vrouwen
(sekseverschillen). Bekende pioniers zijn Jane Goodall (chimpansees) en Diane
Fossey (gorilla's).
6. Menselijke biologie: De studie van de mens die nú leeft. Dit valt weer uiteen in:
o Adaptatie: Kijken hoe het menselijk lichaam zich aanpast aan moeilijke
omgevingen (zoals overleven in hele hoge bergen).
o Voedingsantropologie: Bestudeert de co-evolutie (het idee dat twee dingen
samen ontwikkelen) tussen wat we eten en hoe ons lichaam/onze cultuur
daardoor verandert.
o Biomedische antropologie: Kijken hoe onze moderne, westerse levensstijl en
milieuvervuiling ons ziek maken.
o Moleculaire antropologie: Zij kijken naar ons DNA. Ze zien een
bevolkingsgroep als een genenpoel (een grote verzamelbak van alle genen in
die groep). Ze bestuderen bijvoorbeeld de beroemde vraag: Waarom delen
we 98% van onze basis-genen met een chimpansee, maar 'slechts' 50% van
onze unieke gen-varianten met onze broer of zus?.
3. DE OORSPRONG VAN DE MODERNE BIO-ANTROPOLOGIE
• Hoe het begon: Het vak begon echt nadat de eerste Neanderthaler-botten (1856)
werden gevonden én toen Charles Darwin in 1859 zijn theorie over natuurlijke
selectie opschreef in zijn boek 'On the Origin of Species'. Darwin maakte een einde
aan oude discussies. Voor zijn tijd dacht men in termen van monogenisme (God
schiep één soort mens) versus polygenisme (verschillende 'rassen' zijn apart van
3
, elkaar geschapen). Na Darwin wist men: we zijn allemaal geëvolueerd uit dezelfde
soort.
• Vroeger (Oude fysische antropologie): Begin 20e eeuw waren antropologen vaak
geobsedeerd door het opmeten van schedels (craniometrie) om mensen in 'rassen'
te kunnen indelen. Dit was vaak behoorlijk bevooroordeeld of racistisch.
• Halverwege 20e eeuw (Nieuwe antropologie): Er kwam een frisse wind dankzij
wetenschappers als Julian Huxley. Zij bedachten de Moderne Synthese (of Neo-
darwiniaanse synthese). Dit klinkt heel moeilijk, maar het betekent simpelweg: ze
combineerden de oude theorie van Darwin met gloednieuwe kennis over genetica
(DNA) en ecologie.
• Vandaag de dag: Het indelen in "rassen" doen we niet meer; we bestuderen nu
populaties. Dankzij de nieuwste technieken om botten te dateren en DNA te lezen
(archeo-genetica) verandert en groeit de kennis in dit vak razendsnel.
Hoofdstuk 2: Evolutie, natuurlijke selectie en adaptatie
1. INLEIDING
Dit hoofdstuk schetst de theorie die we gebruiken om menselijk gedrag te begrijpen: de
evolutietheorie. Om dit te snappen, moet je eerst weten hoe wetenschap werkt.
Wetenschap is geen vaststaand feit, maar een continu proces dat werkt via de
wetenschappelijke methode. Deze methode verloopt in stappen:
1. Observatie: Je neemt een natuurlijk fenomeen waar.
2. Deductie: Je maakt een logische afleiding over de oorzaak hiervan.
3. Hypothese: Je stelt een voorlopige, testbare verklaring op.
4. Experimenten/Data: Je verzamelt bewijsmateriaal (data) via experimenten om je
hypothese te testen.
Twee kenmerken maken dit proces betrouwbaar: het is in staat tot zelfcorrectie (als er beter
bewijs is, past de wetenschap zich aan) en theorieën moeten falsifieerbaar zijn (weerlegbaar
= je moet kunnen aantonen dat een theorie in theorie fout kán zijn, anders is het geen
wetenschap).
Dat evolutie niet zomaar werd geaccepteerd, zagen we in de jaren '20 in de VS tijdens “The
Scopes Trial”. In dit beroemde 'apenproces' werd de leraar John Scopes veroordeeld
simpelweg omdat hij lesgaf over evolutie. Dit toont de zware, historische strijd tussen
wetenschap en conservatieve religie.
4