Hoofdstuk 1: Inleiding
1. Immuunsysteem ruimt pathogenen op
2. Pathogenen probeert te overleven en het immuunsysteem te omzeilen
Virussen, Bacteriën, Parasiten, Schimmels
- Virussen = Klein, Overleven niet zonder gastheercel
- Bacteriën = Groter, Overleven WEL zonder gastheercel
- Parasiten = Zijn veel groter en kunnen vaak niet opgenomen worden door de cel
Voorbeeld = COVID-19 Virus
- Door de mildere symptomen kan het virus snel verspreiden zonder dat mensen het
door hebben
- Verspreiden via luchtwegen (makkelijke manier)
- Mensen die verzwakt zijn hebben ernstige symptomen met soms dood tot gevolg
Structuur van SARS-CoV-2
- RNA virussen → Muteren zeer snel
- Hierdoor veranderen de spike proteïnen lichtjes → De antistoffen van het vaccin zijn
hier dan niet op gericht
De correlatie tussen # patiënten en vaccinatiestatus is hoog
- Vaccinatie helpt enorm bij daling van aantallen
- Griepvirus is een ander verhaal, want het verandert elk jaar → Elk jaar nieuw vaccin
nodig
Aangeboren Immuniteit Verworven Immuniteit
1. Niet-specifieke immuniteit 1. Specifieke immuniteit
2. Elk hoger organisme heeft dit 2. Enkel bij vertebraten
3. Planten kunnen zich ook op deze manier 3. Via antistoffen
beschermen tegen bacteriën 4. Traag bij eerste contact
4. Snelle eerstelijnsverdediging
1
, 5. Daarna geheugen opbouwen en snel bij
volgende contacten
Barrières als onderdeel van de aangeboren immuniteit
● Huid, longen, Gastro Intestinaal systeem
● Maag heeft een zeer hoge pH
● Luchtwegen bevatten trilhaartjes
● Huid heeft een licht zure pH en secreteren we een
aantal microbiële moleculen
● Een kanaal aanbrengen in membraan van bacteriën
→ Vloeistof gaan naar binnen en naar buiten → Bacteriën gaat sterven
Primaire Ciliaire Dyskinesie / PCD
● Ontstaat door mutatie van eiwitten die de structuur van de trilharen vormen
● Patiënt heeft Voortdurend infecties
● Komt wel niet vaak voor
● Levenslang behandeling
● Het kan zorgen voor onvruchtbaarheid
● Organen liggen op verkeerde plaats doordat er probleem is tijdens de embryonale
doordat de trilharen niet goed werkt
Traanvocht = Bevat een hoge concentratie van Lysozyme
- Lysozyme gaat de membraan van gram-positieve bacteriën afbreken (tussen NAM
en NAG)
Aangeboren Immuniteit Verworven Immuniteit
De Cellen De Cellen
Fagocyterende cellen: Dit zijn de "veelvraten" van je bloed. ● B-lymfocyten (B-cellen): Ontstaan
en rijpen in het Beenmerg. Zij zorgen
2
, ● Monocyten en macrofagen: Zij ruimen bacteriën en dode voor de humorale respons: dit
celresten op door ze letterlijk op te eten (fagocytose). betekent dat ze antistoffen maken
● Neutrofiele granulocyten: De snelle eenheden die als die in de lichaamsvloeistoffen (zoals
eerste ter plaatse zijn bij een infectie of wond. bloed) circuleren.
● In hun granulen dragen ze enzymen die kunnen
worden uitgescheiden naar de omgeving. Hierdoor ● T-lymfocyten (T-cellen): Rijpen in
komen er veel proteasen vrij de Thymus. Zij zorgen voor de
● Bij ontsteking = Lichaamseigen cellen sterven af cel-gebonden respons: ze vallen
en granulen zorge voor opruimen geïnfecteerde cellen direct aan of
sturen het proces aan
● Natural Killer (NK) cellen: Deze cellen zijn gespecialiseerd
in het opsporen van lichaamseigen cellen die "fout" zijn,
zoals cellen die besmet zijn met een virus of kankercellen.
De Eiwitten De Eiwitten
● Lysozyme & Defensinen: Stoffen die de celwand van ● Antistoffen (Antilichamen / Ab):
bacteriën kapotmaken. Gemaakt door B-cellen. Ze plakken
als een soort "etiket" op virussen of
● Complement-systeem: Een groep eiwitten die gaten bacteriën zodat deze onschadelijk
prikken in bacteriën of ze "markeren" zodat fagocyten ze worden of makkelijker vernietigd
makkelijker kunnen vinden. kunnen worden.
● Acute-fase-eiwitten (o.a. CRP): De concentratie hiervan ● T-cel receptoren (TCR): De
stijgt snel bij een ontsteking; artsen meten CRP vaak in het specifieke sleutelgat-structuren op
bloed om te zien of er een infectie is. T-cellen die precies op één specifiek
● CRP kan je meten via bloedonderzoek om te stukje van een indringer passen.
weten of je een ontsteking hebt, eiwit die in de
lever wordt aangemaakt bij ontstkeingreacties en ● Cytokinen: Ook hier onmisbaar om
enorm stijgt in de bloedbaan de verschillende cellen met elkaar te
laten communiceren en de aanval te
● Cytokinen (IFN) / Chemokinen: Dit zijn de signaalstoffen. coördineren.
Interferon (IFN) waarschuwt andere cellen voor virussen, en
3
, IL-1 zorgt bijvoorbeeld voor koorts om de bacteriegroei te
remmen.
● PRR’s & TLR: Dit zijn de "antennes" (receptoren) op de
cellen die patronen herkennen die alleen op
ziekteverwekkers voorkomen.
Eigenschappen Eigenschappen
1. Werkt direct = waardoor er weinig infecties met het 1. Zwak bij eerste contact
verworven immuniteit systeem wordt behandeld 2. Sterker bij het tweede contact en
2. Geen geheugen werkt ook sneller
3. Werkt altijd even sterk = nadeel 3. Heel specifiek werken tegen dat
4. Weinig specifiek specifieke virus
● Een aantal virussen kunnen ds RNA ingebrengen in de cel
● Dit wordt door de cel herkent als vreemd molecule (zonder rekening te houden met
de sequenties)
● dsRNA bestaat normaal niet bij ons en wordt dus als vreemd gezien
● Bij T-lymfocyten = werkt specifiek met AL en houdt rekening met de sequentie
- Alle Lymfocyten ontstaan uit de stamcellen van het
beenmerg
- Lymfocyt wordt geactiveerd bij contact met antigeen
- Daarna gaat de lymfocyten delen en vorming van
dochtercellen, zodanig dat er genoeg respons is
Niet specifiek immuunsysteem = Werkt altijd en even sterk
Specifieke Immuunsysteem
- Eerste keer in contact = werkt zwak
- Tweede keer in contact = Sterke reactie
4