logopedie en audiologie
SYNTHESE hoofdstukken 1 – 8 handboek methodieken
1: L&A: cliëntgerichte toegepaste gedragswetenschappen
Cliëntgeoriënteerde zorg
- Synoniem: client centered SLT (speech language therapy); logopedie
- Tegenwoordig: person-centered care
- Wat logo’s doen heeft te maken met gedragsverandering expert worden in
gedragsmodificatie
• Voorbeeld: kind plast in bed gaat niet
• Wanneer wel: ivm communicatie
Biopsychosociaal model = doel
- Biopsychosociaal= combinatie van medisch – sociaal model, de
beste punten eruit gehaald
- Maar: tegenwoordig nog veel het medische model aanwezig in
de wereld
• Medisch model niet weggooien, maar geeft implicaties
hoe we kijken naar client en het gestoorde
• Meer focus op acceptatie van stotteren ‘ik stotter, het
is mijn manier van spreken’
- Momenteel zitten we nog middenin scharniermoment; de overgang vindt nogsteeds
plaats
- ‘Ziekte’ = resultaat van samenspel tussen biologische, persoonlijke
en sociale factoren (Engel, 1977, Jette, 2006)
- Voordeel: verschillende invalshoeken voor onderzoek en
behandeling
- Normaal/afwijkend afhv persoonlijke, sociaal-culturele en
esthetische waardeoordelen
Cliengeorienteerde zorg
= hulpverlening die streeft naar…
- Verder kijken van techniciteit van persoon tot persoonlijkheid
- Doel: helpt gehele persoon voor ogen te houden & in assessment veel ruimer te kijken
dan alleen naar stoornis
- Gedeelte controle over de informatie-uitwisselings- en beslissingspatronen m.b.t. het
onderzoek en de behandeling
• Vinden van overeenstemming over het probleem
en wat daartoe moet gebeuren
- Gerichtheid op de cliënt als persoon en niet louter op de
ziekte
• Focus op leefwereld, emotionele noden, motivaties, wensen en bezorgdheden
- Dat betekent niet dat de stoornis onbelangrijk is!
• Directe aanleiding van de problemen
• Mate waarin aan de stoornis kan worden verholpen heeft sterke invloed
- Stoornis is vaak niet of slechts ten dele ‘op te lossen’
• Taalstoornis
• Aanleg voor leermoeilijkheden
• Stotteren
• Slechthorendheid (perceptueel verlies)…
1
,ICF
- 3 componenten (sociaal – biologisch – psychologisch) zitten
hierin
- Onderdelen:
• Functies en anatomische eigenschappen:
• Activiteiten: stoornis is een beperking op hetgene wat je
doet/ kan
• Participatie:
o Sociale factoren; hoe gebruikt iemand geisoleerde
vaardigheden in interactie met andere?
o Voorbeeld: kan hij goed praten met andere?
• Persoonlijke factoren
o Psychologische factoren
o Voorbeeld: hij is gefrustreerd als hij het niet gezegd krijgt
• Externe factoren
o Sociale factoren
- Gevolgen voor diagnostiek:
• Ook positieve (of positief inwerkende) elementen
o Waar is hij sterk in? Wat doen de ouders goed?
o Dus: met ruimere blik naar cliënt en omgeving kijken & meer doen dan
enkel kijken naar waar hij tekortkomt
• Meten van behandeleffect op een voor de cliënt relevante manier
- Gevolgen voor therapie:
• Niet alleen stoornisgericht
• Statistische gemiddelde (norm) is ruwe leidraad (en baseline)
• Houvast bij bepaling van behandeldoelen
• Hulpmiddel bij keuze van de interventies
Systematische gedragsmodificatie
- Audiologie is:
• Audiometrie: meten van gehoorproblemen
• Gehoortoestelaanpassing
• Gehoorrevalidatie: meest logopedische stukje van audiologie; client leren
werken & communiceren met gehoortoestel
Gedrag en leren als belangrijkste werk-instrumenten van L & A
- Als je met client traint, ben je bezig met gedragsmodificatie
- Wat leren?
• Kennis en inzichten
• Omgaan met emoties
o Angst en schaamte afleren
o Ouders/ volwassenne hun negatieve gedachten te doen verdwijnen,
relativeren
• Vaardigheden
Stroomdiagram
- Tot aan keuze interventieprocedure = voorbereiding
- Erna = start therapie
2
,2: De therapeut-cliëntrelatie
!!! Zie fase 1
- Als je niet goed klikt met ouders als logo/ stagiar, dan ga je de ouders beginnen
vermijden
- Uitdaging: probeer eigen gevoel bij die ouder te verbeteren, zoek naar manieren om
toch een betere band op te bouwen
3: Basisprincipes van leren (3 soorten leerprocessen)
Leerproces 1: Operant leren en operant gedrag
- Intentioneel gesteld gedrag i.f.v. gunstige veranderingen in een toestand
- Associatie tussen gedrag en gedragsgevolgen: R-Sr-leren
- Bewust of onbewust
- Vaak een activiteit: iets doen, handelen…
Operant gedrag= intentioneel gerdag, ‘iets doen’ of ‘opzettelijk niet doen’
- Je hebt dit onder controle
- Je doet bepaalde dingen omdat je voorspelt dat het bepaalde leuke gevolgen gaat
hebben of iets onprettig ophoudt
• Resultaat: iets prettig
Operant leren= link/ associatie/ verband tss gedrag – gevolgen
- Als ik dit doe, zal/ hoop ik dat dat het resultaat zijn (positief)
- Kan bewust of onbewust vooral onbewust
- Levert het iets positief op meer doen ()
Stap 1: prikkel of situatie (uitlokkende prikkels)
- Prikkel of situatie (context) waarin het gedrag geassocieerd is met gunstige
gedragsgevolgen
- Antecedente, discriminatieve, uitlokkende prikkel of situatie
- 2 soorten prikkels:
• Antecedente prikkels= prikkels die voor het gedrag aanwezig zijn, zodat we er
op kunnen reageren
• Consequente prikkels= prikkels die volgen op het gedrag
Stap 2: operant gedrag doelgerichte handeling
- Soms moeilijker te herkennen redenen?
• Geautomatiseerd gedrag
• Covert operant gedrag
• Vermijdingsgedrag (passief & actief)
• Ontsnappingsgedrag
• Operant probleemgedrag: waar cliënt (of de omgeving) last van heeft/ dat
hinder veroorzaakt
o Onvoldoende beheersing van vaardigheden
o Ontbrekende vaardigheden
o Positieve gedragsgevolgen geassocieerd met inadequaat gedrag
o (ongewenst) gedrag dat te veel optreedt
Voorbeeld: actief vermijdingsgedrag
• (Reele) negatieve gevolgen: “Iemand stelt een gedrag in een specifieke
context omdat hij verwacht dat dit een gunstig effect zal opleveren, ook al leidt
het gedrag in werkelijkheid tot één of meer feitelijke negatieve consequenties”
- Analyse probleemgedrag gevolgen gaan opslitsen
soorten gevolgen:
• Bekrachtiging= aangenaam gedragsgevolg
• Bestraffing= onaangenaam gedragsgevolg
• S+ = prettige prikkel S- = onprettige prikkel
• + = optreden - = verdwijnen °= wegblijven
3
, • Voorbeeld: ik heb hoofdpijn (uitlkoddende prikkel) ik neem een pil (gedrag)
hoofdpijn stopt (iets onprettigs houdt op, negatieve bekrachtiging)
- Erg subjectief! Het gaat om de beleving!
Associatief leren op vier manieren
- Eigen ervaring
- Modelleren
- Informatief leren (instructieleren)
- Verbeelding
Leerproces 2: Respondent leren en respondent gedrag
- Synoniemen: klassieke conditionering, Pavloviaanse
conditionering
- Respondent gedrag= emotie en/of fysiologische respons
• O.b.v. associatie tussen ‘neutrale’ en
‘betekenisvolle’ prikkel
- 2 soorten prikkels:
1. Neutrale prikkel of situatie= emotioneel neutraal
Miljoenen per seconde
Voorbeeld: je voelt je stoel, …
2. Betekenisvolle prikkels of situaties= emotioneel
betekenisvol
Beperkt aantal
o Lokken uit zichzelf ‘intrinsiek’ emoties uit
(zonder voorafgaandelijk leerproces)
o Fysieke pijn- en genotsprikkels: ziekte,
trauma, pijn; warmte, voeding, seks…
o Mentale pijn- en genotsprikkels: competentie, controle, er (niet) bij
horen, slagen of mislukken, waardering, negatieve beoordeling…
Als die 2 samen voorkomen: neutrale prikkel begint emotie uit te lokken
• Voorbeeld 1: honden van Pavlov; hond hoort belletje mentale representatie
(beeld opgeroepen van eten, alle stimuluskenmerken geactiveerd)
fysiologische reactie kwijlen
• Voorbeeld 2: juf zegt dat er een dictee komt kind krijg angst, alle negatieve
emoties worden uitgelokt kind denkt aan uitlachen, boze ouders, slechte
punten -> deze dingen zijn er nog niet, en toch denkt kind dit al
- Men heeft geen invloed op deze verbinding tussen neutrale en betekenisvolle prikkels
- Ze komen tot stand door de omstandigheden = passief leerproces
!! Logopedie is niet enkel het technische (uitvoeren wat een ander zegt dat je moet doen
obv de stoornis), maar ook gedrag begrijpen en veranderen
Betekenis en betekenistoekenning
- Respondent leren= proces van betekenis-toekenning
• Neutrale prikkels en situaties krijgen betekenis (associatie met betekenis-volle
prikkel of situatie)
- Gevolg: emotie (in reactie op voorheen neutrale prikkel)
2 soorten relaties tussen prikkel en betekenis
1. Sequentieel= verwachting; als-dan relatie
• Wijze waarop neutrale – betekenisvolle prikkels
associeren
• Komt het meeste voor
• Voorbeeld: als juf dictee zegt kind krijgt verwachting:
als het nu dictee is, ga ik het niet kunnen
2. Referentieel= evaluatief; verwijzing
• Leren beoordelen van prikkel als postieif of negatief
• Ene prikkel roept alle kenmerken van andere prikkels op
4