Inhoudstafel.
1. Begrippen rechtsstaat en rechtsregels………………………………………………………………………….
2. Onderscheid tussen publiek recht en privaat recht………………………………………………………
2.1 Publiek recht………………………………………………………………………………………………….
2.1.1 Grondwettelijk recht (staatsrecht).....................................................................
2.1.2 Administratief recht (bestuursrecht)................................................................
2.1.3 Strafrecht………………………………………………………………………………………………
2.1.4 Strafprocesrecht……………………………………………………………………………………
2.1.5 Fiscaal recht…………………………………………………………………………………………..
2.1.6 Sociaal zekerheidsrecht………………………………………………………………………..
2.2 Privaat recht…………………………………………………………………………………………………
3. Plaats van het gerechtelijk recht…………………………………………………………………………………..
1. Begrippen rechtsstaat en rechtsregels.
Rechtsstaat:
- In een rechtsstaat worden burgers én overheid georganiseerd op basis van
wetgeving en reglementen.
- Deze worden gemaakt door:
- De wetgevende macht.
- De uitvoerende macht.
- De overheid moet bij het maken van regels objectieve doelstellingen nastreven.
- Zowel burger als overheid zijn gebonden aan de wet.
Rechtsregels:
- Uitgaande van een:
- Internationaal,
- federaal of,
- regionaal gezagsorgaan.
- Doel: Het gedrag van personen regelen in een afdwingbaar systeem.
Objectief recht vs. subjectief recht:
- Objectief recht = Het geheel van geldende rechtsregels.
- Subjectief recht = Het concrete recht dat een persoon kan putten uit het objectief
recht.
,Rechterlijke macht:
- Moet:
- Onafhankelijk zijn.
- Onpartijdig oordelen.
- Rechtspreken op basis van wetgeving.
2. Onderscheid tussen publiek recht en privaat recht.
Publiek recht:
- = Regels die:
- De overheid organiseren.
- De relatie overheid - burger regelen.
Privaat recht:
- = Regels die: De verhouding tussen burgers onderling regelen.
2.1 Publiek recht.
- Publiek recht heeft betrekking op de uitoefening van het staatsgezag.
Belangrijkste rechtstakken:
2.1.1 Grondwettelijk recht (staatsrecht).
Regelt:
- Inrichting van de staat:
- Grondgebied.
- Staatsvorm.
- Scheiding der machten.
- Fundamentele rechten en vrijheden van burgers:
- Gelijkheid.
- Non-discriminatie.
- Vrijheid van meningsuiting.
- Vrijheid van onderwijs.
- Persvrijheid.
- Recht op behoorlijke huisvesting.
- Recht op juridische bijstand.
Grondwettelijk Hof:
, - Waakt over:
1. Bevoegdheidsverdeling tussen wetgevers.
2. Naleving van grondrechten.
3. Federale loyaliteit.
- Kan:
- Wetten/decreten schorsen (tijdelijk).
- Vernietigen (definitief).
- Prejudiciële vragen beantwoorden.
2.1.2 Administratief recht (bestuursrecht).
Regelt:
- Organisatie en werking van de uitvoerende macht.
- Structuur van openbare diensten.
- Bevoegdheden van bestuursorganen.
Kenmerken bestuur:
- Gebonden door beginselen van behoorlijk bestuur.
- Kan eenzijdige beslissingen nemen.
- Beslissingen:
- Moeten gemotiveerd zijn.
- Worden vermoed wettig te zijn.
Rechtsbescherming tegen bestuur:
1. Administratief beroep.
2. Jurisdictioneel beroep:
- Bij rechtbank.
- Bij administratief rechtscollege.
Raad van State:
- Bestaat uit twee afdelingen:
- Afdeling wetgeving (advies).
- Afdeling bestuursrechtspraak (vernietiging administratieve beslissingen).
- Kan vernietigen bij:
- Schending wet/grondwet.
- Bevoegdheidsoverschrijding.
- Vormfouten.
- Machtsafwending.
- Termijn annulatieberoep: 60 dagen.
, 2.1.3 Strafrecht.
1. Materieel strafrecht.
Wat is strafbaar?
- Een misdrijf vereist:
- Materieel element (gedraging).
- Moreel element (schuld/opzet of onachtzaamheid).
Legaliteitsbeginsel:
- Geen straf zonder wet.
- Straf moet wettelijk bepaald zijn.
Indeling misdrijven:
1. Overtreding:
- Lichtste vorm.
- 1-7 dagen gevangenisstraf.
- Geldboete (x opdeciemen).
2. Wanbedrijf: 8 dagen - 5 jaar gevangenisstraf.
3. Misdaad:
- 5 jaar of meer.
- Levenslange opsluiting mogelijk.
Mogelijke bijkomende straffen:
- Ontzetting rechten.
- Verbeurdverklaring.
- Rijverbod.
- Terbeschikkingstelling.
Alternatieven:
- Uitstel.
- Opschorting.
- Werkstraf.
- Elektronisch toezicht.
2.1.4 Strafprocesrecht.
Regelt: