Nederlands 3
1. Beginnende geletterdheid
1.1 De verwerving van beginnende geletterdheid
1.1.1 Definitie
• Beginnende geletterdheid = De vroege fase van schriftelijke taalverwerving lopend vanaf de
geboorte tot het moment dat een kind de elementaire lees- en spelhandelingen onder de knie
heeft.
➔ = hoe kinderen omgaan met schriftelijke taal voordat ze echt kunnen lezen en schrijven.
• Schriftelijke taalverwerving = Het gaat niet alleen over letters, maar ook over afbeeldingen, picto’s,
symbolen die boodschappen weergeven.
➢ Afbeeldingen ondersteunen een boodschap, maar vervangen ze niet
➢ Pictogrammen vervangen een geschreven boodschap en vertonen een visuele gelijkenis met de
boodschap
➢ Symbolen vervangen een boodschap, maar zijn willekeurig gekozen
• Vanaf de geboorte = De leeftijd waarop kinderen beïnvloed worden door geschreven taal kan je
niet onderschatten (bvb: geschreven geboortekaartje)
• De elementaire lees- en spelhandeling = Het kind kan letters verklanken en ze samenvoegen tot
een woord (p oe s = poes) of kan een woord ontleden in klanken en elke klank in de juiste letter
vertalen (poes = p + oe + s).
1.1.2 Beginnende geletterdheid als spontane ontdekkingstocht
Lang voor het systematisch leesonderwijs hebben kinderen ervaringen die hun kansen geven om
inzichten, vaardigheden en attitudes te verwerven rond geschreven taal als communicatiemiddel.
Geschreven taal maakt deel uit van hun leefomgeving (tijdschriften, namen op verpakkingen,
verkeersborden, symbolen boven kapstokje, naam van de kleuter op een werkje, …).
Volwassenen zijn vaak druk bezig met het ontcijferen of opstellen van schriftelijke boodschappen
(krant lezen, bericht in het heen-en-weerschriftje, boodschappenlijst maken, een recept
noteren/lezen, …).
Het kind krijgt ook al kansen om te experimenteren met schriftelijke boodschappen: zijn eigen naam
schrijven op een tekening, zijn lievelingsprentenboek herhaaldelijk “lezen”, …
1
,Het kind begint zich te oriënteren op geschreven taal (voorbeelden):
➢ Een peuter doet alsof hij de krant leest (lezen om te informeren).
➢ Een kleuter kan zelfstandig een boek doornemen en doet dat met de juiste leesrichting (inzicht in
de leesrichting).
➢ Een kind toont pseudoleesgedrag: hij doet alsof hij de tekst leest, door met zijn vinger de tekst te
volgen. Hij verzint hierbij zelf de tekst of kent de tekst uit het hoofd (inzicht in de leesrichting).
➢ Een peuter loopt rond met een balpen en wilt “schrijven” in papa’s agenda (schrijven om te
onthouden)
➢ Een kleuter vraagt aan zijn moeder om voor hem een woord bij zijn tekening te schrijven om te
onthouden wat hij heeft getekend (schrijven om te onthouden).
Het kind krijgt stilaan vat op klanken en letters (bijdrage aan het technisch lezen) (voorbeelden):
➢ Een kind herkent zijn eigen naam
➢ Een kind heeft een lievelingsletter die hij overal herkent
➢ Een kind benoemt welke woorden met een /s/ beginnen
➢ Een kleuter schrijft de eerste letter van haar naam
➢ Een kleuter vraagt om op de computer letters te mogen maken
1.1.3 Doelgericht werken aan beginnende geletterdheid
Kleuters die verder staan op vlak van beginnende geletterdheid doen het later beter in de lagere school
bij het leren lezen, zowel voor technisch lezen als voor begrijpend lezen. Begrijpen lezen is een
combinatie van een sterke mondelinge taalvaardigheid en een sterke technische leesvaardigheid.
In de kleuterklas wordt er doelbewust gewerkt aan oriëntatie op geschreven taal en aan kennis over
klanken en letters. Er zijn heel wat verschillen tussen kleuterscholen omdat de oude
ontwikkelingsdoelen vaag waren en weinig aandacht schonken aan beginnende geletterdheid. De
huidige minimumdoelen Nederlands leggen de lat hoger; we weten nu dat beginnende geletterdheid
veel vroeger begint en hoe we kleuters kunnen ondersteunen voor een vlotte leesstart.
De minimumdoelen worden door de overheid onderverdeeld in “lezen” en “schrijven”, maar in deze
cursus maken we een onderscheid tussen doelen i.v.m. oriëntatie op geschreven taal en doelen die
voorbereiden op het technisch leren lezen.
Minimumdoelen i.v.m. oriëntatie op geschreven taal:
• 1.1.5 De kleuters kunnen de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen.
• 1.2.8 De kleuters kunnen door middel van tekenen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen
ideeën of gebeurtenissen vastleggen.
• 1.2.9 De kleuters kennen de functie van schriftelijke taal om te informeren of te communiceren.
• 1.2.10 De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen
ervaringen of creatieve ideeën.
• 1.1.10 De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: inzicht in
leesrichting, onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld.
• 1.1.11 De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten.
2
,Minimumdoelen i.v.m. de voorbereiding op het technisch leren lezen:
• 1.1.1. De kleuters kunnen rijm herkennen, rijmwoorden bedenken en woorden in klankgroepen
verdelen (fonologisch bewustzijn).
• 1.1.2. De kleuters kunnen een bepaalde klank in gesproken woorden op verschillende posities
herkennen (fonemisch bewustzijn).
• 1.1.3. De kleuters kunnen een variatie aan klanken in mk-, km- en mkm-woorden onderscheiden
(fonemisch bewustzijn).
• 1.1.4. De kleuters kunnen minimum 15 letters (korte, lange, tweetekenklinkers en medeklinkers)
herkennen door de bijbehorende klank uit te spreken (klanktekenkoppeling)
1.1.4 Beïnvloedende factoren
Ook al krijgen kleuters hetzelfde aanbod, zijn er verschillende snelheden in de ontwikkeling. Dit zijn
risicofactoren bij kleuters (K2 en K3) die de leesstart in het eerste leerjaar kunnen bemoeilijken:
1. Taalbewustzijn: De kleuter heeft het lastig met spelen en nadenken over taal
2. Mondelinge taal: De kleuter heeft het moeilijk met mondelinge taal (is moeilijk verstaanbaar,
heeft moeite met het begrijpen/gebruiken van woorden of zinnen, kan een kort verhaal niet
volgen of vertellen).
3. Letterkennis: De kleuter herkent geen of maar een paar letters (KO heeft al verschillende letters
aangeboden in de klas).
4. Fonemisch bewustzijn (K3): De kleuter herkent geen losse klanken in woorden (bvb: /v/ in vis)
5. Familiale aanleg: De kleuter heeft een (groot)ouder of broer/zus met leesproblemen
6. Snel benoemen: De kleuter benoemt een reeks gekende kleuren, prenten of symbolen niet snel,
komt niet snel op het juiste woord. De kans is groot dat de kleuter ook moeite zal hebben om
letters juist te benoemen (→ meer aandacht nodig bij het voorbereidend lezen)
7. Gehoor, zicht, geheugen: De kleuter heeft problemen met horen, zien of onthouden
8. Kansen: De kleuter heeft thuis minder kansen en materialen.
9. Begrip van geschreven taal (K3): De kleuter weet weinig over het doel en de elementen van
geschreven taal. Hij experimenteert niet met “alsof-lezen of -schrijven”.
10. Interesse: De kleuter is niet nieuwsgierig naar klanken, letters of boeken.
Een kleuter die aantikt voor diverse risicofactoren moet extra ondersteund worden.
1.2 Oriëntatie op geschreven taal
Ideeën om te werken aan de minimumdoelen i.v.m. oriëntatie op geschreven taal
1.1.5 De kleuters kunnen de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen.
➢ In de onthaalhoek hangt een daglijn met picto’s
➢ De kinderen hebben elk hun eigen symbool
➢ Bij het aanleren van een liedje/versje, maakt men gebruik van prenten
1.2.8 De kleuters kunnen door middel van tekenen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen ideeën
of gebeurtenissen vastleggen.
➢ De kleuters maken een tekening van een scène uit een verhaal
➢ De kleuters tekenen het weer op de kalender
➢ De kleuters tekenen een boodschappenlijst
➢ We maken samen een grafiek met post-its
3
, 1.2.9 De kleuters kennen de functie van schriftelijke taal om te informeren of te communiceren.
➢ De kleuters krijgen een briefje mee naar huis om de ouders te informeren over een feestje in de
klas.
➢ De kleuters zien de juf aanwezigheden noteren om het secretariaat te informeren
➢ We lezen een informatief boek om iets te leren over een dier
1.2.10 De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen
ervaringen of creatieve ideeën.
➢ We verzinnen een nieuw einde of een vervolg voor een verhaal
1.1.10 De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting,
onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld.
➢ Tijdens het voorlezen, volgt de juf de letters met haar vinger
➢ Tijdens het voorlezen maakt de juf een link tussen de tekst en de afbeeldingen
1.1.11 De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten.
➢ We gaan op uitstap naar de winkel en maken met de kleuters een boodschappenlijst om te
onthouden wat we moeten kopen
➢ We schrijven een kaartje voor een verjaardag, want dat maakt de jarige blij
1.2.1 Een leerlijn oriëntatie op geschreven taal voor jongste en oudste kleuters
Jongste kleuters Oudste kleuters
De kleuters kunnen de betekenis van enkele De kleuters kunnen de betekenis van meerdere
frequent gebruikte afbeeldingen, pictogrammen frequent gebruikte afbeeldingen, pictogrammen
en symbolen begrijpen: de naamsymbolen, en symbolen begrijpen: pictogrammen over het
afbeeldingen van materialen in de kasten, weer, pictogrammen en symbolen over taakjes
pictogram van het toilet. in de klas.
De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende
tekstconventies begrijpen: onderscheid tekst en tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting,
beeld. congruentie tussen tekst en beeld.
De kleuters kunnen door middel van tekenen, De kleuters kunnen door middel van tekenen,
krabbels ideeën of gebeurtenissen vastleggen. krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen
ideeën of gebeurtenissen vastleggen.
De kleuters kennen de functie van schriftelijke De kleuters kennen de functie van schriftelijke
taal om te communiceren. taal om te informeren of te communiceren.
De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een
tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen
ervaringen of creatieve ideeën: samen een lijstje ervaringen of creatieve ideeën: een complexe
maken, een eenvoudige brainstorm, het vervolg brainstorm, een anekdote, een verzonnen
op een eenvoudig verhaal. verhaal, het antwoord op een vraag, een brief.
De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel
hebben: iets onthouden, iets doen, genieten. hebben: iets onthouden, iets doen, genieten.
4
1. Beginnende geletterdheid
1.1 De verwerving van beginnende geletterdheid
1.1.1 Definitie
• Beginnende geletterdheid = De vroege fase van schriftelijke taalverwerving lopend vanaf de
geboorte tot het moment dat een kind de elementaire lees- en spelhandelingen onder de knie
heeft.
➔ = hoe kinderen omgaan met schriftelijke taal voordat ze echt kunnen lezen en schrijven.
• Schriftelijke taalverwerving = Het gaat niet alleen over letters, maar ook over afbeeldingen, picto’s,
symbolen die boodschappen weergeven.
➢ Afbeeldingen ondersteunen een boodschap, maar vervangen ze niet
➢ Pictogrammen vervangen een geschreven boodschap en vertonen een visuele gelijkenis met de
boodschap
➢ Symbolen vervangen een boodschap, maar zijn willekeurig gekozen
• Vanaf de geboorte = De leeftijd waarop kinderen beïnvloed worden door geschreven taal kan je
niet onderschatten (bvb: geschreven geboortekaartje)
• De elementaire lees- en spelhandeling = Het kind kan letters verklanken en ze samenvoegen tot
een woord (p oe s = poes) of kan een woord ontleden in klanken en elke klank in de juiste letter
vertalen (poes = p + oe + s).
1.1.2 Beginnende geletterdheid als spontane ontdekkingstocht
Lang voor het systematisch leesonderwijs hebben kinderen ervaringen die hun kansen geven om
inzichten, vaardigheden en attitudes te verwerven rond geschreven taal als communicatiemiddel.
Geschreven taal maakt deel uit van hun leefomgeving (tijdschriften, namen op verpakkingen,
verkeersborden, symbolen boven kapstokje, naam van de kleuter op een werkje, …).
Volwassenen zijn vaak druk bezig met het ontcijferen of opstellen van schriftelijke boodschappen
(krant lezen, bericht in het heen-en-weerschriftje, boodschappenlijst maken, een recept
noteren/lezen, …).
Het kind krijgt ook al kansen om te experimenteren met schriftelijke boodschappen: zijn eigen naam
schrijven op een tekening, zijn lievelingsprentenboek herhaaldelijk “lezen”, …
1
,Het kind begint zich te oriënteren op geschreven taal (voorbeelden):
➢ Een peuter doet alsof hij de krant leest (lezen om te informeren).
➢ Een kleuter kan zelfstandig een boek doornemen en doet dat met de juiste leesrichting (inzicht in
de leesrichting).
➢ Een kind toont pseudoleesgedrag: hij doet alsof hij de tekst leest, door met zijn vinger de tekst te
volgen. Hij verzint hierbij zelf de tekst of kent de tekst uit het hoofd (inzicht in de leesrichting).
➢ Een peuter loopt rond met een balpen en wilt “schrijven” in papa’s agenda (schrijven om te
onthouden)
➢ Een kleuter vraagt aan zijn moeder om voor hem een woord bij zijn tekening te schrijven om te
onthouden wat hij heeft getekend (schrijven om te onthouden).
Het kind krijgt stilaan vat op klanken en letters (bijdrage aan het technisch lezen) (voorbeelden):
➢ Een kind herkent zijn eigen naam
➢ Een kind heeft een lievelingsletter die hij overal herkent
➢ Een kind benoemt welke woorden met een /s/ beginnen
➢ Een kleuter schrijft de eerste letter van haar naam
➢ Een kleuter vraagt om op de computer letters te mogen maken
1.1.3 Doelgericht werken aan beginnende geletterdheid
Kleuters die verder staan op vlak van beginnende geletterdheid doen het later beter in de lagere school
bij het leren lezen, zowel voor technisch lezen als voor begrijpend lezen. Begrijpen lezen is een
combinatie van een sterke mondelinge taalvaardigheid en een sterke technische leesvaardigheid.
In de kleuterklas wordt er doelbewust gewerkt aan oriëntatie op geschreven taal en aan kennis over
klanken en letters. Er zijn heel wat verschillen tussen kleuterscholen omdat de oude
ontwikkelingsdoelen vaag waren en weinig aandacht schonken aan beginnende geletterdheid. De
huidige minimumdoelen Nederlands leggen de lat hoger; we weten nu dat beginnende geletterdheid
veel vroeger begint en hoe we kleuters kunnen ondersteunen voor een vlotte leesstart.
De minimumdoelen worden door de overheid onderverdeeld in “lezen” en “schrijven”, maar in deze
cursus maken we een onderscheid tussen doelen i.v.m. oriëntatie op geschreven taal en doelen die
voorbereiden op het technisch leren lezen.
Minimumdoelen i.v.m. oriëntatie op geschreven taal:
• 1.1.5 De kleuters kunnen de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen.
• 1.2.8 De kleuters kunnen door middel van tekenen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen
ideeën of gebeurtenissen vastleggen.
• 1.2.9 De kleuters kennen de functie van schriftelijke taal om te informeren of te communiceren.
• 1.2.10 De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen
ervaringen of creatieve ideeën.
• 1.1.10 De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: inzicht in
leesrichting, onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld.
• 1.1.11 De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten.
2
,Minimumdoelen i.v.m. de voorbereiding op het technisch leren lezen:
• 1.1.1. De kleuters kunnen rijm herkennen, rijmwoorden bedenken en woorden in klankgroepen
verdelen (fonologisch bewustzijn).
• 1.1.2. De kleuters kunnen een bepaalde klank in gesproken woorden op verschillende posities
herkennen (fonemisch bewustzijn).
• 1.1.3. De kleuters kunnen een variatie aan klanken in mk-, km- en mkm-woorden onderscheiden
(fonemisch bewustzijn).
• 1.1.4. De kleuters kunnen minimum 15 letters (korte, lange, tweetekenklinkers en medeklinkers)
herkennen door de bijbehorende klank uit te spreken (klanktekenkoppeling)
1.1.4 Beïnvloedende factoren
Ook al krijgen kleuters hetzelfde aanbod, zijn er verschillende snelheden in de ontwikkeling. Dit zijn
risicofactoren bij kleuters (K2 en K3) die de leesstart in het eerste leerjaar kunnen bemoeilijken:
1. Taalbewustzijn: De kleuter heeft het lastig met spelen en nadenken over taal
2. Mondelinge taal: De kleuter heeft het moeilijk met mondelinge taal (is moeilijk verstaanbaar,
heeft moeite met het begrijpen/gebruiken van woorden of zinnen, kan een kort verhaal niet
volgen of vertellen).
3. Letterkennis: De kleuter herkent geen of maar een paar letters (KO heeft al verschillende letters
aangeboden in de klas).
4. Fonemisch bewustzijn (K3): De kleuter herkent geen losse klanken in woorden (bvb: /v/ in vis)
5. Familiale aanleg: De kleuter heeft een (groot)ouder of broer/zus met leesproblemen
6. Snel benoemen: De kleuter benoemt een reeks gekende kleuren, prenten of symbolen niet snel,
komt niet snel op het juiste woord. De kans is groot dat de kleuter ook moeite zal hebben om
letters juist te benoemen (→ meer aandacht nodig bij het voorbereidend lezen)
7. Gehoor, zicht, geheugen: De kleuter heeft problemen met horen, zien of onthouden
8. Kansen: De kleuter heeft thuis minder kansen en materialen.
9. Begrip van geschreven taal (K3): De kleuter weet weinig over het doel en de elementen van
geschreven taal. Hij experimenteert niet met “alsof-lezen of -schrijven”.
10. Interesse: De kleuter is niet nieuwsgierig naar klanken, letters of boeken.
Een kleuter die aantikt voor diverse risicofactoren moet extra ondersteund worden.
1.2 Oriëntatie op geschreven taal
Ideeën om te werken aan de minimumdoelen i.v.m. oriëntatie op geschreven taal
1.1.5 De kleuters kunnen de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen.
➢ In de onthaalhoek hangt een daglijn met picto’s
➢ De kinderen hebben elk hun eigen symbool
➢ Bij het aanleren van een liedje/versje, maakt men gebruik van prenten
1.2.8 De kleuters kunnen door middel van tekenen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen ideeën
of gebeurtenissen vastleggen.
➢ De kleuters maken een tekening van een scène uit een verhaal
➢ De kleuters tekenen het weer op de kalender
➢ De kleuters tekenen een boodschappenlijst
➢ We maken samen een grafiek met post-its
3
, 1.2.9 De kleuters kennen de functie van schriftelijke taal om te informeren of te communiceren.
➢ De kleuters krijgen een briefje mee naar huis om de ouders te informeren over een feestje in de
klas.
➢ De kleuters zien de juf aanwezigheden noteren om het secretariaat te informeren
➢ We lezen een informatief boek om iets te leren over een dier
1.2.10 De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen
ervaringen of creatieve ideeën.
➢ We verzinnen een nieuw einde of een vervolg voor een verhaal
1.1.10 De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting,
onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld.
➢ Tijdens het voorlezen, volgt de juf de letters met haar vinger
➢ Tijdens het voorlezen maakt de juf een link tussen de tekst en de afbeeldingen
1.1.11 De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten.
➢ We gaan op uitstap naar de winkel en maken met de kleuters een boodschappenlijst om te
onthouden wat we moeten kopen
➢ We schrijven een kaartje voor een verjaardag, want dat maakt de jarige blij
1.2.1 Een leerlijn oriëntatie op geschreven taal voor jongste en oudste kleuters
Jongste kleuters Oudste kleuters
De kleuters kunnen de betekenis van enkele De kleuters kunnen de betekenis van meerdere
frequent gebruikte afbeeldingen, pictogrammen frequent gebruikte afbeeldingen, pictogrammen
en symbolen begrijpen: de naamsymbolen, en symbolen begrijpen: pictogrammen over het
afbeeldingen van materialen in de kasten, weer, pictogrammen en symbolen over taakjes
pictogram van het toilet. in de klas.
De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende De kleuters kunnen tonen dat ze de volgende
tekstconventies begrijpen: onderscheid tekst en tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting,
beeld. congruentie tussen tekst en beeld.
De kleuters kunnen door middel van tekenen, De kleuters kunnen door middel van tekenen,
krabbels ideeën of gebeurtenissen vastleggen. krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen
ideeën of gebeurtenissen vastleggen.
De kleuters kennen de functie van schriftelijke De kleuters kennen de functie van schriftelijke
taal om te communiceren. taal om te informeren of te communiceren.
De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een De kleuters kunnen ideeën aanbrengen voor een
tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen
ervaringen of creatieve ideeën: samen een lijstje ervaringen of creatieve ideeën: een complexe
maken, een eenvoudige brainstorm, het vervolg brainstorm, een anekdote, een verzonnen
op een eenvoudig verhaal. verhaal, het antwoord op een vraag, een brief.
De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel De kleuters kunnen tonen dat teksten een doel
hebben: iets onthouden, iets doen, genieten. hebben: iets onthouden, iets doen, genieten.
4